Een refrein tegen de Leidse glippers
3 oktober 2018 Jeroen Vandommele Nederlandse geschiedenis en cultuur

In 1573 en 1574 werd Leiden belegerd door Spaanse troepen onder leiding van Francisco de Valdés. Hij probeerde de burgers tot overgave te dwingen door de stad maandenlang van de buitenwereld af te sluiten. Door hongersnood en het uitbreken van de pest waren de Leidenaren de wanhoop nabij. Hun volharding werd echter beloond in september 1574, toen Willem van Oranje een troepenmacht op de been bracht om Leiden te ontzetten. Op 2 en 3 oktober 1574 verlieten de Spanjaarden hun stellingen en werd het Ontzet van Leiden voor de eerste keer gevierd, met haring en witbrood.

De intocht van de watergeuzen door de Vliet te Leiden op 3 oktober 1574. Gravure van Willem de Haen, in J.J. Orlers, Beschrijvinge der stad Leyden (Leiden, 1614). Aanvraagnummer: KW 552 J 11

De intocht van de watergeuzen door de Vliet te Leiden op 3 oktober 1574. Gravure van Willem de Haen, in J.J. Orlers, Beschrijvinge der stad Leyden (Leiden, 1614). Aanvraagnummer: KW 552 J 11

Niet alle Leidenaren waren echter eensgezind in hun steun aan de Opstand en aan Willem van Oranje. Sommige burgers, de zogenaamde glippers, waren gedurende de periode 1572-1574 de stad ontvlucht (ontglipt). Hun beweegredenen waren divers: sommigen wilden trouw blijven aan de Spaanse koning, Filips II. Anderen vreesden de naderende Spaanse troepen en de mogelijke represailles die zouden volgen. Glippers hadden ook religieuze motieven. Sinds Leiden in 1572 de kant van de opstandelingen had gekozen, zorgde de aanwezigheid van geuzentroepen in de stad voor heel wat onrust. Katholieken vreesden voor hun leven, een angst die alleen werd versterkt toen de Delftse priester Cornelius Musius in december 1572 werd gemarteld en opgehangen. Ongeveer veertig procent van de Leidse bestuurlijke elite zou de benen nemen, maar ook leden van de brede middenklassen zouden Leiden verlaten. De meeste van hen zochten hun heil in andere steden en hoopten snel terug naar huis te kunnen keren. Enkelen hielpen het Spaanse leger bij de belegering: bijvoorbeeld door informatie over de verdedigingswerken door te spelen of door smeekbrieven te schrijven naar de Leidse bewindvoerders, in de hoop hen tot overgave te bewegen.

Tweedracht onder de Leidenaren. Gravure van Willem de Haen in J.J. Orlers, Beschrijvinge der stad Leyden (Leiden, 1614). Aanvraagnummer: KW 552 J 11

Tweedracht onder de Leidenaren. Gravure van Willem de Haen in J.J. Orlers, Beschrijvinge der stad Leyden (Leiden, 1614). Aanvraagnummer: KW 552 J 11

Toen de Spaanse troepen op 2 en 3 oktober 1574 echter hun stellingen verlieten en de belegering werd afgebroken, zaten veel van deze glippers in zak en as. Na het ontzet werden zij immers allemaal als verraders bestempeld. Al in het eerste verslag over het Ontzet van Leiden, de Corte beschrijvinghe van de strenghe belegheringhe ende wonderbaerlicke verlossinghe der stadt Leyden (Pflt 226), geschreven door Jan Fruytiers en gedrukt in Delft in 1574, werd over de glippers schande gesproken. Hoe moesten zij met een dergelijke reputatie ooit terugkeren naar Leiden? Veel van hun huizen en boedels waren tijdens het beleg geconfisqueerd door het stadsbestuur. Pas twee jaar later, bij de Pacificatie van Gent in 1576, werd de glippers amnestie gegund. Het verdrag gaf hen de mogelijkheid terug te keren naar Leiden. Ook hun verbeurde goederen werden teruggegeven. In ruil daarvoor dienden de vluchtelingen wel in het openbaar trouw te zweren aan de prins van Oranje. Tussen 6 december 1576 en 9 maart 1579 zouden uiteindelijk in totaal 81 mensen deze eed afleggen.

Het is in deze context dat c. 1576 dit rederijkersreferein geschreven werd (KW 134 A 10). Het gedicht bestaat uit vijf strofen van elk vijftien regels en geeft de glippers lik op stuk. De anonieme auteur noemt hen in de eerste regel al ‘valsche bloetgierige verraders’ en even later ‘anclevers der Spanijaerts’. De glippers hebben namelijk hun vaderland in de steek gelaten toen ze de kant van de Spanjaarden kozen. Dit verraad, dat ook ingaat tegen de geloftes van trouw die hun voorvaders hadden gezworen, maakt hun daden het minachten waard. In de stokregel, de steeds terugkerende laatste regel van elke strofe, raadt de dichter de glippers aan hun gezicht (specifiek de neus of ‘noese’) te verbergen en stil te wezen, want God heeft hun slechte intenties tegengehouden: “Den heere heeft benomen uwen quaden wil, aldus dect u noesen ende swijcht al stil”.

Gedicht tegen de Leidse glippers. Voorkant. Aanvraagnummer: 134 A 10

Gedicht tegen de Leidse glippers. Voorkant. Aanvraagnummer: 134 A 10

In de volgende drie strofen geeft de dichter zijn eigen visie op de glippers weer. Eerst benadrukt hij hun verraad tegenover de stadhouder (‘U eyghen lantsheere’). De glippers hadden namelijk zonder problemen in de stad kunnen blijven wonen, ongeacht hun geloof (‘wat leere ghij oock waert gesint’). Hun blinde gehoorzaamheid aan de Roomse kerk (‘de affgoderie’) en hun haat voor het ware geloof (‘de waerheyt’) deed hen echter overgaan tot samenspannen met de vijand tegen de Geuzen (‘goesen’). Mochten hun plannen succes hebben gehad, zo stelt de dichter in de derde strofe, Leiden zou zijn afgeslacht. Zij die niet konden vluchten, zouden gestorven zijn (‘Die niet en conste loopen hadde moeten sterven]. De glippers kraaiden echter te vroeg victorie. Door Gods hulp werd de Spaanse legermacht’(‘heercrachte’) vernederd. Nu zijn ze als verraders gestrikt in hun eigen net en worden ze overal bespot en nageroepen: ‘Men noemt u Glippers glippers int noorden int zuyden’. Niemand geeft nog een cent (toen ‘drie mijten’) voor hun mening, want hoe kan men vergeten dat de glippers ‘ons alle te saemen wilde versmooren [vermoorden]’. In de laatste strofe van het referein, de zogenaamde prinsenstrofe, spreekt de dichter de Leidse glippers rechtstreeks aan. Hij hoopt dat ze zich aan hun ‘nieuwen eedt’ zullen houden en niet meer op de Spanjaarden zullen vertrouwen. Tevens moedigt hij hen aan de prins van Oranje geldelijk te ondersteunen, want hij had hun terugkeer naar Leiden mogelijk gemaakt ― Willem van Oranje was inderdaad een van de belangrijkste initiatiefnemers van de Pacificatie van Gent. Toch lijkt de dichter maar weinig te voelen voor een échte verzoening. Ook duur gezworen eden verbleken mettertijd (‘Alle dinck in lancheyt des tijts wel vercout’). Hij schrijft daarom dat de glippers toch even zullen moeten wachten op zijn gezelschap (‘compangie’). Hij kan namelijk hun ‘boos voornemen ende zeer quaden wil’ niet zomaar vergeten en raadt hen dan ook aan hun gezichten nog steeds te verbergen en zich vooral heel stil te houden.

Gedicht tegen de Leidse glippers. Achetrkant. Aanvraagnummer: 134 A 10

Gedicht tegen de Leidse glippers. Achterkant. Aanvraagnummer: 134 A 10

Het is onbekend wie de schrijver van het gedicht is. De stijl en de vorm wijzen naar een lid van de Leidse rederijkerskamers, waarschijnlijk De Witte Ackoleyen. Onder het referein staat het motto Æolus Ventorum Deus, hetgeen mogelijk het persoonlijk devies was van de anonieme auteur. Onderaan de pagina heeft hij nog een kort Latijns gedicht geschreven ter ere van Willem van Oranje. Dit suggereert een schrijver die zich zowel in volkstalige als Neolatijnse kringen begaf, bijvoorbeeld iemand uit de omgeving van Jan van der Does en Jan van Hout, de twee bekende Leidse verzetsleiders tijdens het Beleg. Wie het ook geweest is, met zijn gedicht tegen de glippers deed hij de Leidse reputatie van onverzettelijkheid alle eer aan.

Lees meer blogs over dit thema: