Afscheid

30 januari 2011 Jo Tollebeek Nederlandse literatuur en taal

Het feest is voorbij. Vijf maanden lang heb ik onderzoek gedaan in de collecties van de KB, in het archief van een professor en in de papieren van een bibliothecaris. Ik werk nog aan de tekst waarin ik de resultaten van dat onderzoek probeer te synthetiseren. 'Mannen van karakter', zo luidt de titel. In maart zal ik, zoals de traditie van de KB-fellows het wil, een publiekslezing houden. Ik kijk ernaar uit.

Jo Tollebeek, Mannen van karakter

Jo Tollebeek, Mannen van karakter

Maar binnen enkele dagen reis ik af naar België. Veel is daar niet veranderd: ik ben vertrokken uit een land zonder regering, ik keer terug naar een land zonder regering.

In die tijd is er voor mij een nieuwe wereld opengegaan. Ik heb in de KB een instelling leren kennen die zelfbewust is, zonder arrogant te zijn: toegankelijk en trots de nationale bibliotheek van Nederland te zijn. Ik heb er een gemeenschap ontmoet van formidabel deskundige medewerkers, hartelijk en gastvrij. Ik heb er niet alleen antwoorden gevonden op mijn vragen over de aard van de geesteswetenschappen, maar ook beseft hoezeer deze bibliotheek zich op een kantelmoment in haar geschiedenis bevindt.

Het zijn fundamentele discussies die hier worden gevoerd. Over de ontwikkeling van een digitale bibliotheek natuurlijk, de grote ambitie van de KB: hoe moet het digitaliseren verlopen?, hoe omgaan met de enorme groei van het informatieaanbod?, hoe een duurzame opslag verzekeren? Over wetenschap en cultuur: hoe kan de KB zich versterken als onderzoeksinstelling, naast de universiteitsbibliotheken?, hoe kan zij bijdragen tot de ontsluiting van de cultuur?, op welke podia hoort zij te staan? Of over de collectievorming en het collectiebeheer: hoe nationaal moet of mag de collectievorming gericht zijn?, hoe zit het met de dure tijdschriften?, hoe de schat van de oude 'bijzondere collecties' verder valoriseren?

Het zijn discussies waarvan de ernst niet onmiddellijk tot de argeloze bezoeker doordringt. De bizarre lijstjes van de professor en de ronkende brieven van de bibliothecaris houden zijn aandacht vast. Maar mettertijd worden de vragen gehoord: welke organisatiestructuur past het best bij de nieuwe ambities?, wat kunnen marketing en communicatie nu betekenen?, hoe de middelen vinden om topstukken te kunnen blijven kopen? Met de vragen komt ook de onrust aangewaaid: zijn de gemaakte keuzes wel de goede?, dreigen waardevolle zaken niet te verdwijnen?, zijn de plannen wel realistisch?

De wereld die ik heb leren kennen, is een wereld waarin ook die vragen niet uit de weg worden gegaan. Zij scherpen de discussies aan, scheppen nuancering, tonen wat moet worden heroverwogen. Zij stollen niet tot een klaagcultuur, maar dwingen de plannenmakers tot een nieuwe dynamiek.

Ik denk opnieuw aan Byvanck. Hoe moeilijk had hij het zijn fantastische projecten te realiseren! Een museum in de bibliotheek, een glorieuze afdeling Documentatie (die als een soort rijksvoorlichtingsdienst moest gaan fungeren), een reeks nieuwe catalogi: het lukte niet. Maar toen hij in 1921 de bibliotheek verliet, deed hij dat met opgeheven hoofd: 'Wat doet het er in waarheid toe,' zo schreef hij, 'of er een paar boeken, dan wel een paar zalen meer of minder in een bibliotheek zijn; op den geest die er heerscht komt het aan.'

De geest die er heerst: dat is wat mijn verblijf in de KB tot een feest heeft gemaakt.