Crisisromans uit de jaren dertig

25 augustus 2020 Arno Kuipers Nederlandse literatuur en taal

Door de coronapandemie zal volgens veel economen de wereld in een langdurige economische crisis worden gestort. Ook in Nederland groeit de werkloosheid en duizenden zelfstandigen en flexwerkers zitten al noodgedwongen thuis. Er wordt door economen en politici gevreesd dat de post-pandemische crisis die van de ‘Grote Depressie’ uit de jaren dertig in ernst zou kunnen overtreffen.

Misschien zullen er dan net als toen ook weer crisisromans verschijnen. Tijdens de grote crisis van de jaren dertig verschenen in Nederland veel sociale romans en verhalen over de verpletterende gevolgen van die crisis, vooral voor de mensen in de lagere regionen van de samenleving. Socialistische en communistische schrijvers beschreven in hun werken de dramatische gevolgen van de crisis vaak als een logisch gevolg van het kapitalistische systeem. Maar protestants-christelijke en katholieke auteurs beschreven ook de harde realiteit van de crisis, waarbij de onderkant van de maatschappij de klappen moest opvangen, terwijl de bovenlaag buiten schot bleef.

Burgers in nood

De aanklachten in romanvorm tegen de crisis en de werkloosheid kwamen niet alleen uit socialistische en communistische hoek. Bij de protestants-christelijke uitgeverij Callenbach verscheen in 1936 Burgers in nood van H.M. van Randwijk, later vooral bekend als verzetsman en oprichter van Vrij Nederland. In Burgers in nood beschrijft Van Randwijk de arbeider Willem Verdoorn die wordt ontslagen en moet gaan stempelen. Met zijn werk verliest hij zijn fundament en zijn hele bestaan begint te wankelen, niet alleen door het geldgebrek, maar ook door het besef volledig buiten de maatschappij te staan: ‘Stil staat Willem Verdoorn en kijkt. Een stralende dag, overloopend van kracht en arbeidslust, trekt op over de vruchtbare aarde. Het is mooi, maar hij heeft er geen deel aan. Als een bedelaar moet hij er dâlijk op uit, zoekend naar een plekje onder de zon, waar hij meedoen mag. Maar wie weet of het te vinden is? De toekomst is onzeker en zijn zelfvertrouwen kleiner dan hij bekennen wil.’ Van Randwijk hekelde het onmenselijke systeem waar de werkloze arbeiders in terechtkwamen, maar hij schuwde ook de kritiek op de werkgevers in eigen protestantse kring niet.

Werkverschaffing

Ook de katholieke zuil kende criticasters van de crisis en het beleid van regering en werkgevers. Eén van de scherpste was Albert Kuyle (pseudoniem van Louis Kuitenbrouwer). Hij kwam voort uit de kringen van het grensverleggende katholieke literaire tijdschrift De Gemeenschap, maar radicaliseerde in de jaren dertig in rap tempo richting fascisme. Hij werd in de jaren twintig en dertig wel gezien als een belangrijke proza-vernieuwer en zijn felle sociale kritieken in De Gemeenschap en andere bladen maakten indruk. Hij lag vaak in de clinch met de clerus en de leiders van de katholieke zuil. In het verhaal Werkverschaffing uit 1931 schimpt de razende werkloze arbeider Jan Veenendaal op alles en iedereen, niet in de laatste plaats op de organisatie van de katholieke zuil:
‘Je zou ze alleen nou en dan een doodtrap geven, al die heeren en die bazen. Kees is vier keer naar de bijeenkomst geweest van de katholieke werkeloozen. Hij dacht dat ie wat te hooren of te bikken zou krijgen. Of allebei.’ Vooral zijn echtgenote, ‘Vrouw Veenendaal’, moet overal voor opdraaien en probeert wanhopig het hoofd boven water te houden: ‘Vrouw Veenendaal wascht vuile luiers van een kind dat een beetje met de darmen sukkelt. Eens kalm aan met bouillon probeeren hebben ze op het consultatiebureau gezegd. Maar de bouillon gebruikt een ander om er aspic mee te maken. En als een speen gescheurd is, meteen een nieuwe nemen, zei de dokter ook. Maar een speen kost een kwartje. Nee, het gaat bedonderd bij de Veenendaals.’

Moeras

‘Wat was voordeliger: brood met boter en niets er op, of brood met margarine en wel iets er op? Voordeliger was brood met margarine en niets er op; nog voordeliger brood zonder margarine; het voordeeligst helemaal geen brood ...’ Jet Luber behandelde in haar crisisroman Moeras uit 1935 het lot van vrouwen in de gezinnen die werden getroffen door de crisis. Zij beschrijft hoe twee buurvrouwen, Lucie en Lotty, de werkloosheid van hun mannen het hoofd proberen te bieden. De man van Lucie werkt in een chemiefabriek en wordt weggesaneerd. Lotty en haar man zijn veel jonger, maar ook hij wordt ontslagen. Lotty en Lucie steunen elkaar, ook in hun dagelijkse verbeten gevecht met hun respectievelijke werkloze mannen, want die laten zich wegzakken in lamlendigheid:
‘“Trek hem zijn bed uit! Als je dat niet de eerste dag doet, ben je verloren! Dan heb je voorgoed geen invloed meer op hem! Koen wordt met den dag apatischer en slechter van humeur. Als ik me daar tegen verzet, scheldt ie me uit, waar de kinderen bij zijn, op zijn gunstigst loopt hij de deur uit, weet ik waarheen. Ik geloof, dat hij in de kroeg met vrienden zit te foeteren. En thuis steekt hij geen poot uit. Geef ’m dadelijk de eerste dag zijn werk, laat ie jou helpen, met de kinderen uitgaan. Jij hebt meer macht over je man dan ik, denk ik, misschien is hij ook minder egoïst. Hij eischt van mij nog, dat de kinderen stil zijn als ie midden op de dag ligt te maffen en Woutje grient om alles.”’

De kloof

Scholten geeft verschillende redenen waarom de crisisroman niet altijd goed is waargenomen. Bijvoorbeeld omdat de schrijvers van de crisisverhalen meestal niet de bekendste auteurs waren. Grote namen als Bordewijk en Vestdijk, die ook over de crisis schreven, zijn uitzonderingen in rijtjes met minder canonieke namen als Luber, Campert, Mens, Dekker en Van Randwijk. Een andere reden vindt Scholten in het beeld van de kunst- en de literatuur die in sommige opvattingen geacht werd zich boven het straatgekrakeel van alle dag te verheffen: ‘Die kunsttempel werd met haar eigen atmosfeer kennelijk ook een eigen domein geacht, “onaangerand van” steun- en stempelperikelen.’ En Scholten wijst er op dat de crisisromans in de tijd zelf ook niet door iedereen werden waargenomen. En dat had ook te maken met de kloof die er heerste tussen mensen die direct getroffen werden door de crisis en zij die eigenlijk maar weinig schade ondervonden. Scholten haalt bijvoorbeeld de herinneringen van schrijver Rico Bulthuis aan, die beschrijft hoe zijn ouders de crisis eigenlijk alleen maar uit de krant kenden. Scholten beschrijft zo een grote scheidslijn, die ‘liep tussen hen die de crisis aan den lijve ondervonden en hen die deze ervaring niet opdeden, maar ook dat laatsgenoemden […] van de concrete misère hunner landgenoten geen weet hadden.’ En volgens Scholten was deze tegenstelling ‘ook in literaire kringen aanwezig en zij bewerkte een zelfde effect.’ De ellende drong vaak niet door tot de bovenlaag, het werd niet gezien. Daarom zal Jan Campert voor zijn romantitel ook een regel hebben gekozen uit het befaamde lied van Mackie Messer uit de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht. Ook het motto van de roman komt uit dat lied:

Denn die Einen sind im Dunkeln
und die Andern sind im Licht
und man siehet die im Lichte
die im Dunkeln sieht man nicht.

De crisisromans waren dus een middel om de wereld van de mensen aan de onderkant aan het licht te brengen, om de kloof te overbruggen. Die kloof is anno 2020 in coronatijd ook weer te zien: mensen die hun goede vaste banen weten te behouden, merken eigenlijk weinig van de crisis door de pandemie, maar klagen wel steen en been over vakanties die in duigen vallen of laten hun verwende kroost buitenlandse badplaatsen op stelten zetten. In de hoek van de flexwerkers en de ZZP’ers vallen ondertussen de grote klappen en is van vakantieplannen vaak al lang geen sprake meer. Flexwerkers zijn altijd de eersten die eruit vliegen. Of ze mogen blij zijn dat ze nog elke dag om vijf uur op mogen om dicht op elkaar te staan in de vleesfabriek of om tot ’s avonds laat pakjes te bezorgen.

Het wachten is dus op de grote crisisroman van 2020. Of is die al lang verschenen en heeft deze collectiespecialist hem vanuit zijn comfortabele zetel aan de goede kant van de kloof niet opgemerkt?