De mythe van de mondige Nederlandse jeugd
19 september 2014 Els Stronks Nederlandse literatuur en taal

In mijn eerste blog schreef ik dat het onderzoeken van het ontstaan van de leefruimte en denkwereld van met name de wat oudere Nederlandse jeugd in historische teksten precies het soort probleem is dat past bij dit KB-NIAS fellowship. Het probleem heeft een methodische kant: hoe kunnen we in gedigitaliseerde teksten met bestaande analysetools patronen van opvattingen, thema’s en discussies vinden? En een inhoudelijke: tot nu toe lukte het met traditionele middelen niet goed om te zien wanneer pubers en jong-volwassenen een herkenbare en erkende groep in de Nederlandse samenleving werden, en hoe die groepen zich naar inzichten van volwassenen maar ook naar eigen inzicht zouden moeten voelen en gedragen. Gaat dat misschien met digitale middelen wel lukken?

Wanneer werd de Nederlandse jeugd mondig?

Waar te beginnen met het onderzoek? Een mooi aanknopingspunt lijkt het imago van mondigheid dat de moderne Nederlandse jeugd heeft. De Utrechtse hoogleraar Ido Weijers beschreef in 2007 in De creatie van het mondige kind hoe vanuit de pedagogie en jeugdzorg vanaf de 19e eeuw stelselmatig door opvoeders en ouders gewerkt is aan de ontwikkeling van die mondigheid. Tegenwoordig, zo stelt hij, wordt onder die mondigheid iets verstaan als ‘het recht je mond open te doen’. Maar toen het opvoedingsideaal in de 16e eeuw ooit door de Franse humanist Montaigne geïntroduceerd werd, had die iets heel anders voor ogen. Montaigne verstond onder de term mondigheid ‘de ontwikkeling naar intellectuele en morele zelfstandigheid’. Montaigne stelde dat ouders en docenten de plicht hadden jonge mensen te begeleiden in het verkrijgen van die zelfstandigheid. In zijn Essais legde Montaigne zijn eigen proces van oordeelvorming voor iedereen die het wilde lezen op papier vast.