Deugdzame wetenschap

30 oktober 2010 Jo Tollebeek Nederlandse literatuur en taal

Hoe valt de cultuur van de moderne geesteswetenschappen te typeren? Hoe gedragen historici en archeologen, filosofen en theologen, literatuurwetenschappers en taalkundigen zich sinds hun vak in de late negentiende eeuw een 'echte' wetenschap werd? Welke idealen koesteren zij en hoe trachten zij die idealen te realiseren? Dat is het soort vragen waarop ik een antwoord probeer te vinden in de duizenden stukken die samen het archief Te Winkel in de KB vormen.

In een korte, uit 1892 daterende tekst met de titel 'Het voornaamste onderwijsvak' schreef de pas benoemde hoogleraar: 'Het ware leven is voor den mensch als mensch gelegen in den arbeid.' Hij sprak dan ook zijn medelijden uit met 'de vooze gestellen', die te krachteloos waren om te werken, met 'de geestelijk-zieken', die de lust tot werken misten en daardoor gedoemd waren zichzelf en anderen te vervelen, en vooral met 'de arme stumpers' wier ouders hen nooit hadden geleerd dat het ware geluk in de arbeid lag.

De brave Te Winkel had er geen goed oog in: de maatschappelijke roep om een achturenwerkdag, het geklaag over 'overlading' van de geest, de toegenomen recreatiezucht - het getuigde allemaal van een geringer arbeidsethos. Die (vermeende) tendens werd bestreden met waarschuwingen die door hun aforistisch karakter moesten overtuigen. 'Luieren is den mensch onwaardig.' 'Ledigheid is de bron van alle kwaad.' 'Gemakzucht is lafhartigheid.' Cultuurkritiek in de gedaante van tegelwijsheden.

In de brieven die aan Te Winkel zijn gericht, vind ik steeds opnieuw een tegenstelling. Een collega-hoogleraar heeft het over de 'soliede historische studie' van zijn correspondent, die hij afzette tegen de wijze waarop anderen de literatuur uit het verleden bestudeerden: een esthetische kritiek, die steunde op 'mooivinderij' en 'eigen voorliefdetjes'. Een oud-leerling ging in 1919 nog verder. Toen de opvolging van Te Winkel in Amsterdan niet liep zoals verhoopt, werd met spijt geconstateerd dat de degelijkheid het had verloren van de hang naar roes en bedwelming die de literatuurstudie van de nieuwe generatie - met haar geloof in grote waarden - volgens de criticus kenmerkte. Nuchterheid versus opwinding dus, echtheid versus valsheid.