Eén pot nat?
10 november 2014 Els Stronks Nederlandse literatuur en taal

De vloed aan liefdespoëzie die vanaf het einde van de 16e eeuw de Nederlandse boekenmarkt overspoelt, bood jongeren een eigen stijl en taal om gevoelens van verliefdheid in uit te drukken. Ze konden zich houden aan wat dichters schreven, of daarop variëren in eigen fabricaten. Vanaf het eerste kwart van de 17e eeuw kwam er nog een middel tot expressie bij: bundels met religieuze liederen die speciaal voor de jeugd gemaakt waren. Wat voegden die toe aan wat er al was?

Religieus versus niet-religieus: een ander perspectief op hetzelfde probleem?

Dat die religieuze liederen voor jongeren inhoudelijk mogelijk iets toevoegden ten opzichte van de niet-religieuze liederen voor jongeren, laat zich met een voorbeeld illustreren. In de liefdesliedjes komen vaak geliefden voor die zelfmoord plegen om aan hun liefdesverdriet een einde te maken. Aanvankelijk gebeurt dat vaak onder verwijzing naar mythologische verhalen, zoals dat van Pyramus en Thisbe. Later komen er ook alledaagsere varianten, waarin dan de mannelijke geliefde – in lijn met het petrarkistische model dat de man in de slachtofferrol plaatst – bijvoorbeeld met zelfmoord dreigt om zijn geliefde te overreden toe te geven aan zijn smeekbedes: ‘Soo ghy niet haestlijck comt, mijn leven sal ick enden’, luidt het bijvoorbeeld in 't Lof van Cupido uit 1626. Ook wordt er wel gedreigd dat het met de geliefde slecht af zal lopen als haar minnaar zelfmoord pleegt, zoals in Amsteldamse vrolikheyt (1647). Eenmaal overleden, zal de minnaar zijn geliefde ’s nachts kwellen, samen met de zielen van mannen die zijn lot delen:

Wy sullen dan opborlen
Wanneer gy legt en slaept,
In uw' Oor, en Lippen morlen,
Als gy na u aessem gaept,
En sullen voorts met Schink'len [=botten],
Te saem aen een gegort,
Soo ysselijke rink'len,
Tot dat gy wakker wort:
En als gy opent uwe blikken,
Sult gy soo schrikkelijk verschrikken,
Dat gy van angst we'er neder stort. (p. 28)

Die nachtmerries zullen haar overdag zelfs blijven achtervolgen. In de context van deze liefdespoëzie wordt zelfmoord dus verbonden met de (emotionele) reacties op de afwijzing van de geliefde.

In de religieuze bundel Geestelick vreugde-beeckje. Toe-ge-eygent aen de Hollantse jeughd uit 1645 wordt zelfmoord eveneens aan de orde gesteld, maar komt de koppeling met de liefde te vervallen. Meer in het algemeen wordt zelfmoord dan geduid als daad van jeugdig ongeduld. Een daad die ten onrechte geromantiseerd wordt, omdat-ie moed zou vereisen. Het lijkt een stoere daad met ‘vuyr of gift’ [vuurwapen of gif] je leven te beëindigen, maar uiteindelijk werkt dit averechts:

Te noemen het een kloeke moedt,
Sijn handen wasschen in sijn bloedt,
Door vuyr of gift zijn leven roven,
Is averechs sijn siel huys stoven,
En is vol ongedult,
Gaen stap'len schult op schult. (p. 158)

Of religieuze bundels voor jongeren qua thema’s vaak aanhaken bij de niet-religieuze bundels, maar dan een geheel ander perspectief bieden op die thema’s, valt nog te bezien. Bieden religieuze en niet-religieuze liederen dan samen een steeds breder palet van mogelijkheden voor jongeren om hun specifieke, instabiele gevoelsleven te bezingen?

Leeftijd boven religie?

Of er zoveel verband bestaat tussen religieuze en niet-religieuze liedboeken voor jongeren dat ze samen een apart middel tot expressie van de jeugd vormden (onderling meer verbonden door de leeftijd van de doelgroep dan het onderwerp van de liederen), valt te bezien. Het nog niet zo lang geleden door de Koninklijke Bibliotheek aangeschafte Maes-sluysche lust-hofje (1684) van C.D. Roy geeft bijvoorbeeld te denken. Het bundeltje opent met een voorwoord dat in zijn algemeenheid aan goedgunstige zangers en lezers gericht is (fol. A2r). Pas in de lofdichten achterin de bundel wordt duidelijk dat de jeugd de speciale doelgroep van Roy moet zijn geweest. I. vanden Bosch schrijft dat Roy de liederen gemaakt heeft om ‘de Jeugt het rechte pad’ (fol. L8v) te doen leren kennen. De lofdichter L. Victor betoogt eveneens dat het Maassluise lusthof met name de jeugd toebehoort:

Aen de Maes-sluysche jeugt
Soete Sangstertjes, en Singers […]
Wilt nu vreugdig tierelieren,
Wandelt nu, in dit u HOF
Ghy vint hier bequame stoff. (fol. M2r)

C.D. Roy, 't Maes-sluysche lust-hofje. Delft 1684

C.D. Roy, 't Maes-sluysche lust-hofje. Delft 1684. Aanvraagnummer: KW 2221 G 21

Maar wie de bundel inkijkt, ziet inhoudelijk gezien maar weinig terug van de focus op de jeugd. Een enkel lied over partnerkeuze daargelaten, gaan de liederen over zaken die ook in de talrijke andere Maassluise liedboekjes voor volwassenen uit die periode behandeld worden: de visserij en vooral de godsdienst. Het lijkt erop dat de lofdichters die voor Roy aan het werk gingen, weinig anders deden dan de schijn wekken dat met name de jeugd in het Maes-sluysche lust-hofje iets van zijn gading zou vinden. En misschien gebeurde zoiets wel vaker, en is niet de leeftijd van de doelgroep waar de dichters voor schreven bepalend geweest, maar het feit dat het om religieuze liederen ging?

Stilistische en inhoudelijke eenheden

Een analyse met Stylo geeft gelegenheid te zien of er op grotere schaal sprake was van stilistische verschillen tussen religieuze en niet-religieuze liedboekjes voor de jeugd en volwassenen. En zelfs kunnen we met een van de functies van dat programma een eerste blik werpen op mogelijk inhoudelijke verschillen en overeenkomsten.

Ik vergeleek het Geestelick vreugde-beeckje. Toe-ge-eygent aen de Hollantse jeughd uit 1645 met 4 andere bundels (1 religieuze voor de jeugd, 1 religieuze voor volwassenen, en 2 niet-religieuze voor de jeugd). Zowel de clusteranalyse als de consensus tree analyse laten verschil zien tussen de religieuze en niet-religieuze groep. De katholieke bundel Den blijden-wegh […] voor de christelycke jonck-heyt ligt wat dichter bij de niet-religieuze bundels Amsterdamse vrolikheyt en Amsterdamsche minnezuchtjens dan de protestantse bundels Geestelick vreugdebeeckje en Geestelijk kruydt-hofken, maar de scheiding tussen religieus en niet-religieus is absoluut (grafiek 1 en 2):

Toen het Geestelick vreugde-beeckje in 1645 verscheen, was er inmiddels zo’n 20 jaar ervaring met religieuze liedbundels voor de jeugd. De eerste daarvan werden in het katholieke Zuid-Nederland gedrukt. In 1623 schrijft de uitgever van Parnassus, dat is den Blijen-bergh dat hij hoopt dat dit nieuwigheidje – een bundel met alleen maar liedjes voor de jeugd – de jonge zangers ‘goet gheestelijck profijt’ zal bieden:

Sedert eenighe jaeren herwaerts, zijn in ons Nederlandt uyt-ghecomen veel verscheyde geestelijcke Liedekens-boecxkens, tot stichtinghe vande Catholijcke ghemeynte, ende sonderlinghe vande jonckheydt, die deur dusdanighe middel, als met ghesuyckert wormkruyt, de deught, de godtvruchtigheydt, ende de geschicktheydt in-drinckt; daer sy anders deur wereldtlijcke ende ydele liedekens lichtelijck wordt tot ydelheydt ende ongheschicktheydt ghetrocken: maer alsoo de lusten ende appetijten der menschen verscheyden zijn, vervallende elck op het ghene dat hem best aenstaet, soo is met goeden raedt van verstandighe lieden, desen gheestelijcke Parnassus oft Blijdenbergh op-gherecht, ende den selven ghestoffeert met schoone liedekens daer van den meesten hoop tot noch toe noyt ghedruckt gheweest en zijn; ende sommighe andere uyt verscheyde boecken uytgetrocken. Op hope datter veel sullen beval in crijghen, ende goet gheestelijck profijt mede sullen doen. Vale. (p. 3)

Zoals de makers van de Parnassus, dat is den Blijen-bergh terecht constateren, waren er op dat moment al heel wat katholieke bundels op de markt: bijvoorbeeld het Het hofken der geestelycker liedekens uit 1577, Het prieelken der gheestelyker wellusten uit 1587, Een nieu devoot geestelijck lietboeck uit 1605, Leysen-boeck der catholycken ook uit 1605, Nieu liedt-boecxken uit 1614, Een Geestelijck Liedt-Boecxken uit 1616, Het prieel der gheestelicker melodiie uit 1616, Een Nieu Geestelijck Liedt-boecxken uit 1618. Maar die waren, ook daarin hebben de makers van de Parnassus, dat is den Blijen-bergh gelijk, niet specifiek gericht op de jeugd. Eerder staan daarin liederen waarin volwassenen terugkijken op hun jeugd, zoals dit lied in Een Geestelijck Liedt-Boecxken uit 1616. Een wat oudere zanger constateert, zijn leven overziend, dat het hem niet steeds gelukt is rein te leven:

Van herten als noch heb ick begeert,
Hier reyn te leven, en inghekeert
Al waer ick jongh, doen ick begon,
Ken hebt noch niet gheleert. […]

Veel meer als ick wel segghen mach
Soeck ick 'tbehaghen, ghelijck ick plach,
In schijn van deught, ghelijck de jeught,
Die wat wil sijn gheacht. (fol. G5v-G6v)

We zien in die laatste regel wel de interessante gedachte dat de jeugd de levensfase is waarin je ‘je iets wilt zijn’, en je je misschien wel iets anders wilt voordoen dan je eigenlijk bent. Maar het gaat in dit soort liederen die primair voor volwassenen zijn geschreven toch steeds maar om flintertjes van inzicht.

Hoe verhouden (een aantal representatief geachte) religieuze en niet-religieuze liedbundels in de Nederlanden zich stilistisch tot elkaar tussen 1580-1680, en hoe liggen de bundels voor jongeren in dit totaalbeeld? Stilistisch gezien blijkt in zo’n uitgebreider corpus de scheiding tussen religieus en niet-religieus niet zo absoluut als in de steekproef rond 1645 het geval is. Weliswaar groeperen de twee soorten zich, steeds op basis van chronologie (oudere bij oudere, nieuwere bij nieuwere bundels) zich vaak tot eenheden, maar er zijn ook uitzonderingen. Het Den christelyken dool-hof uit 1664 bijvoorbeeld, sluit in stijl aan bij de vroeg zeventiende-eeuwse bundels Den pyl der liefden (1609) en de Nieuwen jeuchtspiegel (1663). Die bundels hebben gemeen dat ze voor de jeugd bedoeld waren, en leidde kennelijk tot overlap in stijl – waarbij de religieuze variant dan stilistisch gezien zo’n 50 jaar achterliep op de niet-religieuze bundels (grafiek 3 en 4):

Stylo kan meer dan alleen stilistische patronen detecteren. Je kunt met een van de analysetechnieken die de tool biedt ook kijken welke woorden in de onderling vergeleken teksten veel gebruikt worden, of juist vermeden. Dat levert dan in eerste instantie een woordenlijst op als deze, samengesteld op basis van vergelijking van een aantal bundels die elkaars tegenovergestelde lijken te zijn (in dit geval nam ik religieus versus niet-religieus, grafiek 5 en 6):

Niet-religieuze bundels gaan over menselijke relaties (veelvoorkomende woorden daarin zijn ‘ik’ en ‘gij’), de religieuze gaan over woorden als ‘mens’, ‘zonden’ en ‘God’, zou je grofweg kunnen zeggen. Vervolgens voeg je die preferred en avoided woordenlijsten samen om er een omvangrijker corpus mee te analyseren. De scheiding in het gebruik van die woorden is wel absoluut, we zien nu twee afgesplitste groepen ontstaan (grafiek 7).

Met slechts één heel opmerkelijke uitzondering, het liedboek Uytspanningen van de Utrechtse predikant Lodenstein dat zich in vocabulaire verwant blijkt te tonen met niet-religieuze boeken. Dat laat ik even voor wat het is, omdat het hier om een liedboek voor volwassenen gaat, maar dit resultaat ligt wel in lijn met wat ik eerder over het melodiegebruik in die bundel constateerde. Lodenstein kon en wilde mogelijk niet alleen in muziek, maar ook in tekst niet loskomen van het niet-religieuze repertoire.

Religieuze bundels voor jongeren en voor volwassenen liggen in deze consensus tree door elkaar heen. Ze zijn als geheel anders dan niet-religieuze bundels, maar onderling zijn de verschillen niet absoluut. Dat geeft reden te denken dat in het religieuze domein de afstand tussen volwassenen en de jongeren mogelijk minder groot was dan in het niet-religieuze repertoire. Om het een beetje oneerbiedig te zeggen: het is mogelijk één pot nat, het religieuze aanbod voor jongeren en volwassenen.

Een volgende vraag is hoe het binnen de religieuze bundels zat met verschillen en overeenkomsten tussen de katholieke en protestantse bundels. Ook hier maakte ik eerst weer een lijst van ‘preferred’ en ‘avoided’ woorden. In katholieke bundels worden gemeden de woorden: aarde, ogen, gezicht, God, komt, vreugde en oog. Favoriet zijn juist: Jezus, komen, maagd, blij, zuiver. Als we met die woordenlijsten het corpus van katholiek en protestants analyseren, komt daaruit dit beeld (grafiek 8).

Een aantal protestantse bundels (bovenaan in de grafiek) liggen duidelijk apart, zonder overlap met een van de katholieke bundels die allemaal onderin de grafiek clusteren. Het lijken vooral de doopsgezinde bundels die aansluiting met de katholieke hebben. Bundels voor volwassenen en de jeugd liggen weer door elkaar heen. Dit zegt nog niets definitiefs, maar geeft wel reden verder te zoeken.