Feestgedruis

10 november 2010 Jo Tollebeek Nederlandse literatuur en taal

Op 1 november nam Martin Bossenbroek afscheid van de KB. De directeur Wetenschappelijke en Culturele Betrekkingen vertrok naar de Universiteit Utrecht, om daar politieke geschiedenis te doceren en onderzoek naar onder meer de Boerenoorlog te doen.

Hij had er zin in, zo zei hij, en dat was eraan te merken. Martin vergastte zijn toehoorders in de Aula op een pleidooi om de 'Inhoud' steeds centraal te blijven stellen: de KB was er in de eerste plaats voor de lezers en de onderzoekers.

Het was een bevlogen pleidooi. De beelden buitelden over elkaar heen. Nu eens heette de KB 'de deeltjesversneller van de geesteswetenschappen' te zijn. Dan weer werd zij 'de Folies Bergère' voor de onderzoekers genoemd. Wie het gebouw van de KB kent, zal wel niet snel denken aan een luxueuze, negentiende-eeuwse Parijse music hall, inclusief loges, kleedkamers en spiegelglas, maar kom: bij het 'feestgedruis' waarover Martin het had, kon iedereen zich wel iets voorstellen. Er heerste een optimistische sfeer in de Aula. De KB had een missie, die door alle aanwezigen kon worden onderschreven.

Vijftig meter verderop, bij de ingang van de Verdieping van Nederland, werd op dat moment de nieuwste aanwinst van de KB getoond: een exemplaar van het stedenboek dat Frederick de Wit op het einde van de zeventiende eeuw had uitgegeven. Het ging om een bijzondere, kostbare aanwinst. Het boek bevatte ruim honderd gedetailleerde en met veel zorg ingekleurde kaarten van Nederlandse steden als Den Haag, Utrecht en Zwolle (maar ook van Zuid-Nederlandse steden als Antwerpen en Leuven: van een definitieve scheiding was in de geesten nog geen sprake). Een prachtstuk dus, één van de vier nog bekende exemplaren.

Stedenboek van Frederick de Wit

Stedenboek van Frederick de Wit

Was het verstandig zo'n kostbaar stuk op deze plaats tentoon te stellen, zo vroeg ik mij af, in een haast openbare passage, in een eenvoudige glazen vitrine? Een medewerker stelde mij gerust: de vitrine was niet zo eenvoudig als zij eruit zag, zij was 'hufterproof'. Het klonk als een belediging in mijn oren: de vitrine was zo gemaakt dat de inhoud ervan veilig was voor mensen die zonder schroom werden afgedaan als mensen die niet deugden. 'Hufters' dus, het slag mensen dat geen respect wilde opbrengen voor wat cultureel en sociaal waardevol was, en daarmee de verloedering van de maatschappij bewerkte.

'Hufterproof', het woord leek mij te getuigen van een platte, troosteloze cultuurkritiek. Eén blik in de vrije encyclopedie leerde mij echter dat het woord intussen was gemigreerd van het schimmige rijk van de cultuurkritiek naar de helder-zakelijke wereld van architecten en designers. 'Hufterproof' betekende eenvoudig 'bestand tegen vandalisme'. 'Hufter' heette 'een fatsoenlijk woord en een goed alternatief' te zijn 'voor "schoft" of het onparlementaire "klootzak"'. Gewoon, een deel van de realiteit.

Vijftig meter scheidden dus de verheven sfeer waarin Martin ons had gebracht, en de onloochenbare werkelijkheid van de vandalen. Vijftig meter, niet meer. Kwamen de hufters misschien af op de Folies Bergère? Wilden ze zich misschien mengen in het feestgedruis dat hen vanuit de ruime zalen van de KB toewaaide? Ik troostte mij met de gedachte dat de 'dorre, dooie professoren-geleerdheid' die ik samen met een criticus bij Te Winkel had gevonden, de hufters zou afschrikken.