Gevangen vrijers en geschonden maagden

1 februari 2021 Jeroen Vandommele Nederlandse literatuur en taal

In de collectie van de KB bevindt zich een bijzonder album met gedichten en liederen uit de zeventiende eeuw. In de catalogus draagt het album de enigszins misleidende titel ‘Liedboek van Henricus van der Borch’ (signatuur KW 76 H 5). Het handschrift is namelijk veel meer dan alleen een liedboek.

Het bestaat uit 131 perkamenten bladen met c. 40 gedichten, 2 liederen, 183 familiewapens, diverse album-inscripties, 12 kostuumtekeningen en 11 prachtige paginagrote aquarellen met liefdestaferelen. Het gaat hier om een samengesteld familiealbum. Deels bestaat het uit inscripties die verzameld werden door jonker Henricus van der Borch (-1637) uit Utrecht tijdens zijn studententijd. in Douai (ca. 1599). Een ander deel werd geschreven door zijn kleinzoon, Henricus van der Borch (?-1698), heer van Ham, Veldhuizen en Bijlevelt, enkele gehuchten rondom Utrecht.

Deze Henricus van der Borch junior verzamelde de meeste familiewapens en schreef ook de amoureuze gedichten en liederen in het album. Zijn initiaal H.V.B., waarmee hij het jaargedicht voor zijn vrouw Anna Francisca van Abbinga (?-1691) ondertekende, werd in hetzelfde handschrift geplaatst bij andere gedichten (of met de handtekening H: vander Borch / H.V.Borch). Het lijkt er op dat de latere Henricus van der Borch het album amicorum van zijn grootvader uit elkaar heeft gehaald en heeft aangevuld met zijn eigen bijdragen, of ‘poetighche gedachten’ zoals hij ze noemt (fol. 14r.). Een dergelijk hybride gebruik van een album is volstrekt normaal. Het album functioneerde zo niet alleen als schriftelijke herinnering aan de studententijd van Henricus van der Borch senior, maar werd ook hergebruikt als inspiratie voor de dichtkunst van Henricus van der Borch junior.

‘Poetighche gedachten’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 14r.

‘Poetighche gedachten’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 14r.

Liefde in woord en beeld

De gedichten die de jongere Henricus van der Borch opschreef zijn van eigen makelij. Althans, ze zijn uniek voor dit handschrift. Ze gaan steeds over hetzelfde onderwerp: de liefde tussen man en vrouw en wat daar zoal fout kon gaan. Een mooi voorbeeld is dit korte gedicht over de nadelen van een te vruchtbaar huwelijk.

Wapen van Jacobus Foeyt met vier kwartieren en een gedicht, KW 76 H 5, fol. 7r.

Wapen van Jacobus Foeyt met vier kwartieren en een gedicht, KW 76 H 5, fol. 7r.

Eenen die uyt trouwen gaet
Let wel op de middel maet
Neemt geen ionge of geen ouwe
Soo komt gy in geen benauwe
Want trouwer eene die veel kindert
De sorgh die meerdert, de rust die mindert
De last neemt aen, het goetje smelt
Ryck van kinders, arm van gelt

Veel gedichten zijn geschreven om samen te gaan met de mooie aquarellen in het album. Deze kwamen waarschijnlijk oorspronkelijk uit het album amicorum van Henrick van der Borch senior. Soms hadden de afbeeldingen mythologische onderwerpen uit de Oudheid (het oordeel van Paris, Apollo en Daphne, Pyramus en Thisbe). De gedichten geven dan een eigen interpretatie van deze bekende liefdesverhalen.

Aquarel van Apollo en Daphne, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 19r.

Aquarel van Apollo en Daphne, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 19r.

Aquarel van het Oordeel van Paris, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 34r.

Aquarel van het Oordeel van Paris, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 34r.

Andere afbeeldingen verbeelden de vele obstakels van het liefdesspel. De amoureuze gedichten die aan deze afbeeldingen zijn gekoppeld, geven duiding en waren bedoeld als luchtig advies. Ze waarschuwen bijvoorbeeld voor de ongelijke liefde tussen man en vrouw of voor het gevaar van het verlies van de vrouwelijke maagdelijkheid. Regelmatig bevatten de gedichten scabreuze kwinkslagen die het liefdesspel tussen man en vrouw te kijk zetten.

Het gedicht met als titel ‘Verkoude Liefde’ (fol. 4r) is geschreven naast een aquarel waar een vrouw een hart verwarmt in een buitenoven. Het vertelt over een oudere man (een ‘gryshairigh man’) die in plaats van aan het graf, nog steeds denkt aan de liefde. Hij hoopt tevergeefs dat hij zijn hart nog kan laten verwarmen door het minnevuur, maar helaas: zijn hart is te koud, zijn zenuwen te taai en zijn ledematen te stram. Wanneer hij toch aanpapt met de mooie Els, kan hij zijn passionele beloftes niet waar maken. Als zij het minnevuur wil aanwakkeren en fysiek wil worden, zoekt hij naar uitvluchten. Een scheldpartij valt hem te beurt:

Sy syd: gy sot, gy geck, gy uyl, gy ouwe nar
Gy buffel, esel, stier, gy bock, gy bul, gy var
Men hoeft niet langs den dyck, met hoornen uyt te blasen
Gy schrickt voor eene vrou, als voor den hont de hasen

Het gedicht verwijst hier naar het vroegere gebruik om met een stier de plaatselijke dijken en wegen te bewandelen om veeboeren de mogelijkheid te bieden hun vruchtbare koeien te laten dekken. Het moge duidelijk zijn: een man behoort een actieve en passionele liefdespartner te zijn. Wie ‘slap is in de saecken’ en wegvlucht van het liefdesspel, zal het niet lang uithouden. Op het eind van het gedicht wordt de grijsaard dan ook naar het oudemannenhuis (een ‘gasthuys’) verbannen, de juiste plek voor deze ‘bestevaer’.

Aquarel bij ‘Verkoude Liefde’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 3v.

Aquarel bij ‘Verkoude Liefde’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 3v.

‘Verkoude Liefde’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 4r.

‘Verkoude Liefde’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 4r.

Het ‘vrouwelijk’ perspectief

Opvallend zijn de teksten in het handschrift die specifiek gericht zijn aan vrouwen. Zo is er een gedicht dat een medicijn beschrijft voor zogenaamde ‘oude vrysters’. Een ander gedicht is dan weer geschreven vanuit het gezichtspunt van een vrouw die haar maagdelijkheid te vroeg heeft verloren. Dat deze gedichten vooral tonen hoe dat Henricus van der Borch over het vrouwelijke geslacht dacht, spreekt voor zich.

In het gedicht ‘Geschende Maeght spreeckt’ (fol. 33v) laat Van der Borch een meisje aan het woord dat zich op deze manier ‘te buyten’ heeft gegaan. Ze heeft haar eer (haar maagdelijkheid) aan een jongen gegeven. Met een ‘judaskus’ had hij gezworen met haar te trouwen, maar nadat hij de ‘maeghdeblom’ geplukt had, brak hij zijn eed. Hoewel zij de blinde liefde (en haar snode vrijer) verwenst, weet ze dat ze zelf vooral moet boeten voor haar eigen daden:

Wel of ick hem verfoey: ick moet myn selven schelden
Want ider die my kent van myne dwaeshydt melden
Maer laes! hoe truerick al. Als ick mijn oogen slaen
Hoe groffelyck dat ick mijn selven heb misdaen

Het meisje wordt nu door de samenleving ‘verschooven en vertreeden’. Ze vraagt zich dan ook af ‘hoe dat ick krygh een man; Of ‘t most een quidam [vreemde snuiter] syn die nergens en wist van’. Vroeger wilde iedereen wel ‘ruycken aen den brief’, een allusie naar haar seksuele aantrekkelijkheid, maar nu kan ze geen kandidaten meer vinden: ‘want uyt een moddersloot en wil togh nimant drincken’. Op het eind van het gedicht, weet de geschonden maagd wat haar te doen staat. Ze moet een vreemde ‘tot mijn liefde trecken’. Die weet immers niet van haar geschonden status, dat ‘uyt het paert [de geschonden maagd] een spat en gal gereën [is]’. Wanneer ze met hem trouwt, zal haar vergissing snel worden vergeten: ‘Soo is myn eer herstelt door dese echte trouw. En hij wort myne man, en ick syn echte vrouw’.

'Geschende Maeght spreeckt’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 33v.

'Geschende Maeght spreeckt’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 33v.

Een uitgeknipte kostuumtekening van een adellijke dame in een zwarte japon, met een zakdoek en waaier in de hand, vergezelt het gedicht. Naast de kostuumtekening is een tweede gedicht geschreven: een mooi staaltje van wat men nu ‘slut-shaming’ zou noemen.

Dese maget met haer neusdoeck
Die hiel te veel van jonckmans broeck
Daer uyt quam een swerm gevloogen
Waer door dat sy wiert bedroogen
En met haer waeyer in haer hant
Sij niet afwaeyen sal haer schant
En al het waeter van de zee
Kan niet afwassen wat zij dee

Aquarel bij ‘De Geschende Maeght spreeckt’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 35r.

Aquarel bij ‘De Geschende Maeght spreeckt’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 35r.

Opgejaagd wild

Door het advies van bovenstaand gedicht zou men veronderstellen dat Henricus van der Borch alleen maar heil zag in seksuele activiteiten binnen het huwelijk. Echter, andere gedichten uit het album spreken dit juist tegen. Soms worden vrouwen juist aangemoedigd om wat meer initiatief te nemen en vooral guller te zijn met de beloningen die zij hun vrijers schenken. Een uitgeknipte aquarel met als titel ‘Vryers Iacht’ toont dergelijke dominante vrouwen. In een landschap zijn twee vrouwen actief op jacht naar mannen. Een man probeert te vluchten, maar wordt in een net gevangen. Zijn toekomstig lot wordt eveneens uitgebeeld: gestrikte mannen zijn met koorden aan hun partners vastgebonden of zitten in ijzeren kooien opgesloten. De enige man die deze vrouwen kan ontvluchten is de zot.

Aquarel bij ‘Vryers Iacht’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 30r.

Aquarel bij ‘Vryers Iacht’, Liedboek van Henricus van der Borch, KW 76 H 5, fol. 30r.

In het bijhorend gedicht ‘Vryers vanght is Vrysters anght’ wordt vrouwen aangeraden om tijdens hun vrijages een voorbeeld te nemen aan de activiteiten van vogelaars. Zoals een vogelaar na de vangst de vink goed verzorgt en het ‘voetsel geeft’, zo moeten vrouwen ook hun minnaar in zijn behoeftes (‘nootdruft’) voorzien:

Een vryster die vermaeck wil van haer vanghst genieten
Soo sy die voetsel geeft ten sal haer niet verdrieten
Indien Sy dan haer self tot syne nootdruft geeft
Dat is het geen waerom sy hem gevangen heeft

Met andere woorden: een vrouw die een vrijer neemt, moet hem goed belonen door zichzelf aan hem geven. Dan is hij ‘wel te vreen en wil gevangen blijven’. Een permanente verbinding in de vorm van een huwelijk kan zo in het vooruitzicht worden gesteld.

Het liedboek van Henricus van der Borch bevat nog meer denkbeelden over de liefde en het spel tussen man en vrouw. De schunnige grappen en dubbelzinnige boodschappen zijn typerend voor het genre van het minnedicht en de 'amoureuse' liederen uit de zeventiende eeuw. Toch is er, naast gedichten over geschaakte maagden en vrolijke vrijages, ook ruimte voor sentiment. Uit het jaargedicht voor zijn vrouw Anna Francisca van Abbinga in de vorm van een acrostichon lijkt echte affectie te spreken. Van der Borch belooft haar zijn gezelschap ‘in deugd en rust, in liefde sonder nydt, in vreugde en met lust’. Of zijn vrouw heel blij was met deze wensen, is helaas niet te achterhalen.