Jeugdpuistjes

6 oktober 2014 Els Stronks Nederlandse literatuur en taal

In het moderne denken over pubers is veel aandacht voor de fysieke gesteldheid van puberende jongeren. De relatie tussen hun fysiek, gedrag en uiterlijk is voortdurend inzet van maatschappelijke discussies en wetenschappelijk onderzoek: welk gedragsimpulsen krijgt de puber bijvoorbeeld van zijn puberende brein, hoe valt toch te verklaren dat meisjes van 13 zich allemaal hetzelfde kleden?

In het moderne Nederlands bestaan woorden die de relatie tussen de puberleeftijd en bepaalde fysieke fenomenen als vanzelfsprekend maken. Het woord ‘jeugdpuistjes’ is zo’n woord. In het woord zelf mag besloten zitten dat puistjes bij de jeugd horen, maar dat wil niet zeggen dat jongeren het zelf graag gebruiken of door anderen horen gebruiken. Jeugdpuistjes horen bij de puberteit, maar leuk zijn ze niet. Ze staan symbool voor het lichamelijke ongemak en de schaamte voor het eigen lichaam die pubers eigen lijken.

Jeugdpuistjes: de opkomst van een probleem

Dat die schaamte periodegebonden en cultuurbepaald is, valt mogelijk af te lezen aan het ontstaan en gebruik van het woord ‘jeugdpuistjes’. Ik zocht in alle grote databestanden die op dit moment beschikbaar zijn: via Delpher, via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, via Nederlab, via het Woordenboek der Nederlandse taal, en zelfs Ewoud Sanders kwam te hulp met een zoektocht in zijn eigen database. De (voorlopige) conclusie is dat het woord ergens in de tweede helft van de 19e eeuw in gebruik moet zijn genomen, want tot in de eerste helft van de negentiende eeuw lijken puisten vooral met ‘te veel drinken door volwassenen’ geassocieerd te worden, zie bijvoorbeeld Jacob van Lennep, Romantische werken uit 1833:

De een was een log, dick mensch, met een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn niet zelden den vroomen man te stade kwam [=te hulp kwam], als hy zijn zorgen begeerde te verzetten. (deel 1, p. 291)

Na 1850 moet de verandering zijn opgetreden. Precies traceren lukt me met de huidige middelen nog niet. Of de zoektools zijn niet verfijnd genoeg, of de bronnen waarin we die omslag zouden kunnen detecteren (medische tijdschriften waarin voor het eerst hormonale oorzaken van jeugdpuistjes worden benoemd?) zijn nog niet gedigitaliseerd. Maar duidelijk is dat in de jaren 1950 en 1960 Nederlandse kranten vol stonden met advertenties voor middelen tegen jeugdpuistjes (zie bijvoorbeeld De Waarheid, 07-07-1951).

Advertentie voor middel tegen jeugdpuistjes, De Waarheid, 7 juli 1951

Advertentie voor middel tegen jeugdpuistjes, De Waarheid, 7 juli 1951

Een Vlaming verzucht in die tijd zelfs dat Nederlanders volledig gepreoccupeerd lijken door het probleem, kijkend naar al die advertenties:

Je mag bijvoorbeeld géén Nederlandse krant openslaan, of daar kan je het wéér in vetjes vaststellen, hoe alle jeugdpuistjes ‘verwelken’ nu van de ene dag op de andere!

In Jan Soeterboeks Vraagbaak voor de vrouw, een encyclopedie in 12 delen voor de Nederlandse huisvrouw en moeder, wordt in 1959 de aandoening onder het lemma ‘Acne’ zonder meer aan de jeugd gekoppeld:

Een huidaandoening met puistjes, vaak optredend in de puberteitsjaren: vandaar de volksnaam “jeugdpuistjes”. (deel 1, p. 11)

Dan moet de term al volledig ingeburgerd zijn, gezien dat ‘de volksnaam’. En de associatie tussen ‘jeugd’ en ‘puistjes’ is in 1959 ook niet nieuw meer, want die vinden we al eerder, in 1931 in Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, een krant die tussen 1895 en 1942 in Nederlands Indië verscheen. Op 2 oktober 1931 wordt in een feuilleton in die krant een personage geïntroduceerd dat ‘Pukkel’ heet en alle uiterlijke kenmerken van een moderne puber heeft:

Pukkel is onze jongste aanwinst. Pukkel draagt rijwielen voor onze oogen, hij is broodmager met een ongezonde kleur […]. Pukkel heeft jeugdpuistjes, vandaar zijn bijnaam.

Dat ergens in de negentiende eeuw het woord ‘jeugdpuistjes’ in zwang kwam, lijkt symptomatisch voor de grotere sensitiviteit voor typische puberzaken die in die eeuw ontstond. Inmiddels hebben we met ‘acne’ alweer een ander, minder plastisch woord voor jeugdpuistjes. En ook zijn er veel minder advertenties voor middelen tegen dit verschijnsel. Dat duidt erop dat in de afgelopen decennia in Nederland – anders dan in de VS, zoals Pia de Jong op 30 september jongstleden in de NRC beschreef – anders tegen het fenomeen wordt aangekeken dan in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw.

Maar hoe zat het dan voor 1850, in hoeverre was er toen oog voor de fysiek van pubers, en in hoeverre waren er cultuuruitingen waarmee de puberfysiek in beeld werd gebracht? Het woord ‘jeugdpuistjes’ mag dan relatief nieuw zijn, daarmee is niet gezegd dat aandacht voor de puberfysiek dat ook is. Had men oog voor verschillen tussen kind, puber en volwassene, en wat deed men – in taal, in teksten, in afbeeldingen - met inzichten over die verschillen?

Pre-moderne medici over de fysiek van pubers

Dat jonge mensen fysiek anders zijn dan volwassenen, had Hippocrates in zijn algemeenheid al in de Oudheid geconstateerd. Daarna bleef het onderwerp onder medici liggen, maar in 1544 schreef de Engelsman Thomas Phaire in The Boke of Children uitgebreide beschrijvingen van ziektes en kwalen die kinderen tot de leeftijd van ongeveer 10 jaar moesten doorstaan. Ook de Nederlandse arts Steven Blankaart richtte zich in 1684 met name op die jonge doelgroep in het eerste Nederlandse medische handboek over kinderen, Verhandelinge van de opvoedinge en ziekten der kinderen. In modern onderzoek naar de geschiedenis van de kindergeneeskunde ligt het accent overigens ook vaak op jonge kinderen, zie bijvoorbeeld M.J. van Lieburg, De geschiedenis van de kindergeneeskunde in Nederland, met een eerste deel dat over de periode tot 1700 gaat.

Eigen aan Blankaart is dat hij inzichten over opvoeding en ziekten combineert. Doel is de kinderen (Blankaart lijkt hier vooral jongens te bedoelen, gezien de beroepen die hij noemt) groot te brengen zodat zij geen ‘pap-sakken’ worden. Kinderen moeten fysiek sterk worden, en ethisch juist handelen al naar gelang het beroep dat zij later uitoefenen:

Wanneer de Kindertjes nu so groot beginnen te werden, dat het handen en voeten begint tot zyn wil te krygen, en aan de Leibant te leeren gaan, moet men het niet te veel in de kak-stoel laten sitten, want dan werden zy pap-sakken van kinderen, maar men moetse soo veel doen gaan en loopen als het mogelyk is, want se werden dan sterk en robust, dewijlse geduirig als in een arbeid zijn, en van jongs af, gelijk als leeren werken. […] Men moet ook de Kinderen niet al te pompeus nog te rykelyk opbrengen, en haar willetjes in alles toelaten, geensins, want dat werden menigmaals Persoonen van geen goed leven, liever in de Kroeg zittende als in de Kerk, of in eenige andere Gods-dienstige oefeningen daar God te vinden is. Men moet dan hare wil wat inbinden, niet juist met te slaan of te smyten, want dat maakt de Kinderen hard-nekkig, maar met een soete vermaning, leidende hare gedagten tot iets hoogers en beters, ’t zy tot studien, koopmanschappen, oft ambagten: en indien het luiden van staat zijn, haar de Historien van de Landen vertellen, en inboesemen ’t gene daartoe behoort. (p. 26 en 31-32)