Liefdesbrieven van schrijvers (2)

1 februari 2021 Paul van Capelleveen Nederlandse literatuur en taal

In de tijd dat afstand ook echt afstand betekende voor geliefden – geen telefoon, geen trein, geen e-mail – was de liefdesbrief een “substituut voor het lichaam van de geliefde”, zoals Nelleke Noordervliet schreef in Ik kan het niet langer verbergen (1993). Reikhalzend werd uitgekeken naar de liefdesbrief en als die kwam werd het papier met kussen overdekt.

Ik kan het niet langer verbergen (1993)
Ik kan het niet langer verbergen (1993)

Ik kan het niet langer verbergen (1993)

Willem Bilderdijk, Liefde en ballingschap (1997)
Willem Bilderdijk, Liefde en ballingschap (1997)

Willem Bilderdijk, Liefde en ballingschap (1997)

Willem Bilderdijk en Katharina Schweickhardt

Ook Bilderdijk wachtte met ongeduld op een levensteken, zoals hij zijn “geheime” geliefde meldde: “Ik verwacht dus een lange brief van u, zeeraanbedene!” In 1797 woonde de dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) in ballingschap in Londen, nog niet officieel gescheiden van zijn eerste vrouw. Hij raakte er verliefd op Katharina Wilhelmina Schweickhardt (1676-1830). Haar vader, die een portret van Bilderdijk schilderde, ontzegde hem de toegang tot de woning en er ontspon zich een – zoals dat heet – “vurige” correspondentie tussen de dochter en haar docent, terwijl zij elkaar af en toe in de kerk of in een park zagen. De briefwisseling begon in juli 1897 – van Wilhelmina zijn weinig brieven bewaard gebleven, maar zij schreef tijdens hun latere huwelijk veel liefdesgedichten. Hun eerste brieven zijn in het Italiaans. Wilhelmina was voorzichtig en schreef dat hij niet kwaad moest worden als zij “de gevoelens van het hart” wist te verbergen.

Willem Bilderdijk, portret van Katharina Wilhelmina Schweickhardt (ca. 1800)

Willem Bilderdijk, portret van Katharina Wilhelmina Schweickhardt (ca. 1800)

Het antwoord van Wilhelmina Schweickhardt is door Marita Mathijsen geparafraseerd in haar uitgave van Willem Bilderdijks brieven, Liefde en ballingschap (1997) [Zie de tekstuitgave in DBNL.] Op 27 juli schreef de geliefde: “Hoe is het mogelijk, mijn te zeer beminde vriend, dat je mij vragen kunt je te onthullen wat ik mijzelf niet zou durven onthullen?” Hij was tenslotte getrouwd. In het openbaar kon zij geen vorm geven aan wat ze in de brief kon schrijven: “als ik duizend zorgen heb om iemands geluk, als iedere zucht van hem er duizend aan dit hart ontrukt, als het geluk slechts bestaat in zijn aanwezigheid, als men duizendmaal wil sterven omwille van zijn geluk, als dit alles ondubbelzinnige aanwijzingen zijn voor wat je vraagt, ach, wees dan zo eerlijk om medelijden met haar te hebben in plaats van de ongelukkige te verachten.” Ja, ook zij kon lange romantische zinnen schrijven.

De regels voor liefdesbrieven uit Hier is mijn hart - zie Liefdesbrieven voor Dummies (1) - werden door het tweetal gehonoreerd. Hun liefde hadden ze al aan elkaar verklaard, maar vanwege de beperkte mogelijkheden om elkaar te zien werden epistels in stelling gebracht om het vuur aan te wakkeren (Bilderdijk) en te onderhouden (Schweickhardt). Ze reageerden in hun brieven op elkaar, hemelden de ander op, deden hun best om zo romantisch mogelijk uit hun lyrische dak te gaan en de brieven van Bilderdijk stromen als de sterkste watervallen – zoals Loesje in haar liefdescursus eist, zie Liefdesbrieven voor Dummies (2).

Mimi Hamminck Schepel (foto 1874) (Allard Pierson, Amsterdam)
Mimi Hamminck Schepel (foto 1874)

Mimi Hamminck Schepel (foto 1874) (Allard Pierson, Amsterdam)

Na een tweede ontmoeting in maart 1863 volgde een nieuwe explosie van liefdesbrieven, maar nu kon Mimi schrijven: “heb mij lief”. Multatuli antwoordde met een tweedaags epistel van meer dan 5000 woorden. (Zie de brieftekst in DBNL.) Multatuli beschreef hoe hij zijn liefdesbrieven componeerde: “Ik begon gedwongen kalm, en meende een heldendaad te doen door niet eens er boven te zetten lieve Mimi! Alsof die klank er wat toe deed! En dan, en dan - al warmer, tot gloeiend toe.” Hij wandelde heen en weer tussen realisme en roes: “Al den tyd dien ik je niet zag, meende ik 't zou misschien beter wezen als ik je ontmoette. Ik zou trachten je te depoëtiseren. Van een schim zou je lichaam worden, en proza van een gedicht. Maar 't is niet waar, Mimi. 't helpt niet. Wat ik gister avend onderging toen je binnenkwam, is niet te beschryven - en van morgen!”

Hij wachtte almaar op een antwoord: “Kwart over één; 'k heb nog je brief niet.” Uiteindelijk kwam de brief en hij reageerde door haar te weerspreken: “De indruk die je maakt was voor my: de mensch op z'n schoonst. Open, hartelyk, jong, frisch - net 'n granaatappel, die juist even ryp de heele natuur aankykt of ze (onbewust) vragen wilde: ben ik niet rein, goed en begeerlyk?” Intussen lezen wij niet de gehele brief. Mimi redigeerde zijn brieven, ook die aan haar.

Huis van Multatuli en Mini in Wiesbaden, ca. 1870 (tekening door Carel Vosmaer) (Vosmaer Archief, Den Haag)

Huis van Multatuli en Mini in Wiesbaden, ca. 1870 (tekening door Carel Vosmaer) (Vosmaer Archief, Den Haag)

Na de dood van Multatuli’s echtgenote Tine konden Mimi en Multatuli trouwen en vervolgens poetste zij zijn reputatie op, onder andere door brieven te vernietigen en andere epistels te kuisen. Uit zijn liefdesbrief van maart 1863 schrapte zij alle verwijzingen naar andere vrouwen met wie hij soms ook erotische verhoudingen had aangeknoopt, wat hij zijn hele leven openlijk zou blijven doen. Uit deze brief waren fragmenten geschrapt die gingen over Tine, Marie, Charlotte en Laura, terwijl zo schreef Van ’t Veer, ’t juist Multatuli zo typeerde dat hij in een brief aan Mimi ook schreef over “andere vrouwen die zijn leven vulden”. Zo veranderde een eerlijke brief (“Nu is liefde veelkleurig. Ik heb velen lief”) in een monogame leugen.

Intussen lezen we Loesje-achtige spreuken, zoals: “Een hart is geen portemonnaie die leêg raakt naarmate men uitgeeft.” En de schrik van de liefdesbrief – een spelfout – ging Multatuli uit de weg door er een vraag van te maken: “snoeijing (mal woord - hoe spel je dat? met drie i's?)”. En steeds weer refereerde hij aan hun eerste ontmoeting: “Ik droomde van je. En toen die ontmoeting, waarby je zoo onmeisjesachtig, zoo rein menselyk, zoo dapper, my toestond je 'n kus te geven op den weg - wat was je prachtig onfatsoenlyk, Mimi, hoe verheven ongemanierd!”

Modern dubbel brievenboek voor verliefde harten (20ste eeuw)

Modern dubbel brievenboek voor verliefde harten (20ste eeuw)

Maagden en weduwnaars

Ik denk niet dat romanschrijvers en dichters handboeken over het schrijven van liefdesbrieven veel geraadpleegd hebben – in tegenstelling tot woordenboeken. Maar het kon wel, want er waren verschillende edities van zulke handleidingen in omloop.

Eind twintigste en begin eenentwintigste eeuw verschenen zulke instructieboeken nog steeds. Eerder verschenen er vooral voorbeeldboeken, zoals aan het begin van de twintigste eeuw: Briefstijl voor minnende harten (ca. 1908), Brievenboek voor verliefden en verloofden (ca. 1918) en Modern dubbel brievenboek voor verliefde harten (ca. 1930?). In de negentiende eeuw verscheen een kennelijk vaak herdrukt Brievenboek voor verliefden (ca. 1870).

Dat laatste boek is een verzameling van meer dan honderd voorbeeldbrieven voor “alle omstandigheden, die bij Verliefden kunnen voorkomen”. Alle? Nou, niet de onbetamelijk of brieven over ongewenste zwangerschap. Alle voorbeelden bestaan uit brieven van “een jongeling” aan “een Meisje”. Ja, jongeling met kleine letter, en Meisje met een kapitale Maagdelijke M. Nooit andersom. Een Meisje kon alleen maar antwoorden, al had zij daarbij enige keus tussen een afwijzend of een gunstig antwoord, of “geen afwijzend maar ook geen toestemmend antwoord”.

Brievenboek voor verliefden (20ste druk, 1895)
Brievenboek voor verliefden (20ste druk, 1895)

Brievenboek voor verliefden (20ste druk 1895)

Brievenboek voor verliefden (13de druk, ca. 1880)
Brievenboek voor verliefden (13de druk, ca. 1880?)

Brievenboek voor verliefden (13de druk, ca. 1880)

Behalve de jongeling kon ook de militair of de jonge Landman schrijven (aan een Meisje in de stad), verder “een dertiger”, “een reeds bejaard persoon” en een “Weduwnaar” – allemaal schreven ze aan “een jong Meisje”. De weduwnaar kon ook schrijven aan de vriendin van zijn overleden vrouw, aan een weduwe of aan een weduwe “die vroeger ongelukkig gehuwd is geweest”. Verder kon er geschreven worden “na verbroken engagement” en bij een “heimelijke liefdesbetrekking”. Voorbeeldbrieven waren er dus alleen voor jonge meisjes (hoe jong blijft in het midden) en weduwen. De rest moest zich koest houden. Eén uitzondering: een Meisje kon wel een brief schrijven aan “een trouweloze minnaar”.

Er werden natuurlijk wel brieven geschreven door vrouwen in andere omstandigheden dan maagdelijkheid of weduwschap, maar die moesten het zonder voorbeelden stellen en zelf iets verzinnen. Dat maakte dan wel weer de schrijver, de kunstenaar, in de mens los, moeten we maar denken, want in feite kon je dan je hart volgen, in plaats van de regels, die je toch al aan het overtreden was. Zoals Wilhelmina Schweickhardt deed, en idem Mimi Hamminck Schepel.

Wat dat betreft heeft Loesje gelijk: in wezen zijn er voor liefdesbrieven geen regels. Toch, als je een brief schrijft die aan geen enkele van de genoemde regels voldoet, moet je niet vreemd opkijken als je geen antwoord krijgt.

Lees meer blogs over dit thema: