Nette eters

13 oktober 2014 Els Stronks Nederlandse literatuur en taal

Vroegmoderne schrijvers beoogden met hun teksten de werkelijkheid nooit zomaar weer te geven. Ze speelden met het gegeven dat teksten een afspiegeling van de werkelijkheid zijn. Die konden ze mooier maken dan-ie was, of juist gruwelijker. Vroegmoderne teksten zijn zo als het ware uitvergrotingen van de werkelijkheid die tot doel hadden de essentie van die werkelijkheid onder de aandacht van de lezers te brengen. Dat mechanisme speelt een rol in alle vroegmoderne teksten, maar in sommige genres nog meer dan andere. In twee van de genres die om uitvergroting draaiden – deugdenspiegels en reisteksten – ging ik op zoek naar de extremen van denkbeelden over de vroegmoderne Nederlandse jeugd.

Uitvergrotingen van deugden en ondeugden

In het geval van deugdenspiegels kwam uitvergroten neer op idealiseren. Deugdenspiegels waren gebaseerd op het middeleeuwse idee van de 'vorstenspiegel’. Net zoals de vorst in de middeleeuwen in een vorstenspiegel kon lezen hoe voorbeeldig vorstelijk gedrag eruit zag, zo konden jongeren in speciaal op hen gerichte deugdenspiegels leren hoe de beschaafde, welopgevoede jeugd zich gedroeg. De deugdenspiegel genre had iets elitairs – de bekendste vroegmoderne exponent was de ‘deugdenspiegel van de hoveling’ van de Italiaan Baldassare Castiglione, in 1662 in het Nederlands vertaald als De volmaeckte hovelinck.

Spiegel der jeugd, voorgesteld in het veertienjarig leven van René d'Aubert, eene ware geschiedenis. Amst., Schalekamp en Van de Grampel, z.d. (ca. 1825)
Spiegel der jeugd, voorgesteld in het veertienjarig leven van René d'Aubert, eene ware geschiedenis. Amst., Schalekamp en Van de Grampel, z.d. (ca. 1825)

Aanvraagnummer KW 1090 D 32.

Nieuwen JeughtSpieghel verciert met veel schoonne nieuwe figuren ende liedekens te voren niet in druck geweest. Ter eeren van de jonge dochters van Nederlant. [Amsterdam: Zacharias Heyns, 1620]
Nieuwen JeughtSpieghel verciert met veel schoonne nieuwe figuren ende liedekens te voren niet in druck geweest. Ter eeren van de jonge dochters van Nederlant. [Amsterdam: Zacharias Heyns, 1620]

Aanvraagnummer 10 G 25.

Henrick Aerts van Bocstel, Den spieghel der jonckheyt. by Hieronymus Verdussen, Antwerpen ca. 1700-1710
Henrick Aerts van Bocstel, Den spieghel der jonckheyt. by Hieronymus Verdussen, Antwerpen ca. 1700-1710

Exemplaar Stadsbibliotheek Haarlem, signatuur: OK3 H.A

Maar in de Nederlanden raakten hooggestemde idealen over perfect dansende, kunstig musicerende en snedig converserende jongeren vermengd met veel alledaagsere gedragsvoorschriften als er liederen aan de deugdenspiegels werden toegevoegd. Die liederen bereikten door mondelinge overdracht en hergebruik een veel groter publiek. Zacharias Heyns’ Nieuwen jeuchtspieghel uit 1620 is een voorbeeld van zo’n deugdenspiegel for the millions. Via de database van de Liederenbank is te achterhalen dat een speciaal voor de Nieuwen jeuchtspieghel gemaakt lied als ‘Och ongeluckighen dach, ick wel beklagen mach’ al snel een leven buiten die bundel kreeg.

Die deugdenspiegels vormen niet alleen door hun uitvergrotingen en brede verspreiding een geschikte bron van onderzoek. Bijzonder is ook dat ze zowel meisjes- als jongensgedrag belichten, en dat ze van de 16e tot de 19e eeuw bleven verschijnen. Ze bieden goed vergelijkingsmateriaal om schuivende normen en waarden te bestuderen. Zo zien we bijvoorbeeld dat goede tafelmanieren aanleren hoog op de 16e-eeuwse opvoedagenda stond. In Den spieghel der jonckheyt (hier in vermeerderde druk uit c. 1675, maar in ieder geval al zo oud als 1576) werd tientallen pagina’s lang aandacht geschonken aan tafelrituelen: welke tafelmanieren waren gepast, hoe word je een nette eter, en hoe leer je van een gevarieerd aanbod aan eten genieten.

In een 19e-eeuwse variant, Den nieuwen spiegel der jongheyd (Brugge, 1815) zien we van die aandacht voor tafelmanieren bijna niets terug. Kort staat er dat jongeren bij het drinken niet meer dan ‘dry vingers’ moeten gebruiken (p.30), de focus ligt dan inmiddels op andere idealen (‘arbeiden’ bijvoorbeeld).

In reisteksten vinden we geen idealisering van de deugden van de eigen jeugd, maar vooral uitvergrotingen van ondeugden van jeugd die elders ter wereld groot gebracht werd. De observaties van reizende schrijvers dienden de achterblijvers te informeren over het leven overzee, maar waren tegelijkertijd ook een bevestiging van het zelfbeeld van de auteurs en hun lezers: in het eigen land had men het zo slecht niet voor elkaar, kijkend naar de ondeugden die men elders aantrof. Kijkend naar de ander, waardeerde men het eigene.

Niet dat men geheel blind was voor de tekortkomingen van de eigen jeugd. Ironisch genoeg werden jonge mannen die zich op het land niet konden gedragen vaak op de VOC-schepen ingescheept om ze manieren te leren. Vondel dicht in Het lof der zee-vaert (1623) dat de scheepsleiding wel raad wist met hen die op het land de weelde van vrijheid niet aankonden:

Men strafter dievery, twist, vloecken, en ghevecht,
Met dag, met vangenis, kielhalen, boeyen, slagen,
En temtse die op 't land geen weelde konnen dragen.

Nederlandse reisteksten zijn er in grote aantallen en dat corpus is voor een belangrijk deel gedigitaliseerd omdat ook veel buitenlandse bibliotheken en instituten dit soort teksten bezitten en meehelpen met digitaliseren. Het Internet Archive zit er vol mee, evenals de digitale collecties van bijvoorbeeld het Getty Museum – waar ze dan ook weer te vergelijken zijn met vroegmoderne reisteksten uit andere landen, maar dit terzijde. Vraag is nu welke observaties Nederlandse schrijvers van de inheemse jeugd optekenden, en wat die observaties zeggen over wat men voor Nederlandse jongeren belangrijk vond.

Gespiegeld aan de ander

Wat men belangrijk vond om bij contrast te benadrukken, is verschil in manieren – een verschil dat uitgelegd werd als een verschil in beschaving. In bestuurlijke documenten maar ook in reisteksten zijn bij herhaling klachten te vinden over de slechte invloed die de inheemse jeugd met zijn gedrag uitoefende op de Nederlandse kinderen die met hun ouders naar de koloniën waren gekomen, of in de koloniën waren geboren. Zo kreeg de leiding van de VOC rond 1650 gemeld dat er op scholen in Batavia en omstreken problemen waren omdat Nederlandse ouders hun kinderen niet met inheemse jeugd naar school wilden laten gaan:

onder de lijfeygenen ende swarten, daer niet dan alle vuylicheyt ende quade stucken van geleert worden. (p. 195)

Meer specifiek doet VOC-chirurgijn Nicolaus de Graaff in zijn Oost-Indise Spiegel (Hoorn, 1701) verslag van de zeer gebrekkige tafelmanieren van de Nederlandse kinderen die in Indië opgroeien. Die tafelmanieren leren zij van hun inheemse opvoeders:

In ’t eten zijn sy mede onhebbelijk: want eten met geen lepels, maar doen een weinig vlees of vis-nat met wat rijs in een kop of schotel, en ‘t selve met de hand door malkander geroerd en gekleinsd hebbende, steken dat by handen vol in de mond, dat haar [=hen] ’t nat by de mond en handen neder loopt. Sodanig manieren leren sy van jongs aan van haar [=hun] Slaven en Slavinnen die haar opvoeden. (p. 11)

De slurpende Nederlandse jeugd overzee is het spiegelbeeld van het ideaal van de nette eters in de Nederlanden dat we in de 16e- en 17e-eeuwse deugdenspiegels vinden. Tot in de 18e eeuw bleef het bon ton de Nederlandse kinderen die in Indië opgroeiden te gebieden aan het inheemse geen voorbeeld te nemen. De in Indië geboren kinderen van Rudolph van der Niepoort, gouverneur van Java’s oostkust, worden bij terugkeer in Nederland in 1784 in het voorwoord van Geschenk voor de jeugd toegesproken door de auteur van dat werkje, de Nederlandse predikant Johannes Florentinus Martinet. Deze biedt hen zijn ‘Korte onderrechting in den natuurlijken godsdienst’ aan onder het motto dat de kinderen zich nu niet meer met de ‘gebrekkige voorbeelden’ van de inheemsen hoeven te behelpen als het gaat om het aanleren van gedrag:

Met ’s Hemels goed geleide,
Van ’t oostersch Sourabaya,
Het land van uw geboorte,
In ’t Vaderland [=Nederland] gekomen.
Wordt gij, geliefde kinders,
In kennis, deugd en godsdienst,
Met ijver, onderwezen.

Geen stompe domme slaven,
Geen heidensche Maleiers,
Geen woeste Javanezen,
Zijn hier ’t gebrekkig voorbeeld,
Naar welk gij u moet vormen.
Hier geven u uw ouders,
Uw meesters en uw leraars,
Die u, geliefde kinders,
In kennis, deugd en godsdienst,
Met ijver, onderwijzen. (folio *3r-v)

Als het Nederlandse voorbeeld het spiegelbeeld is van het inheemse, zou dat betekenen dat het ideaal voor de Nederlandse jeugd inhield niet-plomp, niet-dom, niet-heidens en niet-onbeschaafd te zijn. Blijken dat bij digitale analyse van de teksten voor en over Nederlandse jongeren inderdaad sleutelbegrippen, of worden deze in reisteksten gepropageerd maar weken ze sterk af van alledaagse opvattingen en discoursen in Nederland zelf?

Uitvergroot wordt ook het gegeven dat de Nederlandse jeugd niet op jonge leeftijd trouwde. Een voorbeeld daarvan vinden we in de verslagen van de tweemaal naar Nederlands-Indië uitgezonden predikant François Valentijn. In zijn Oud en nieuw Oost-Indien merkt hij met nadruk op dat er zich onder de jonge vrouwen van de prins van Madura (een eiland ten noorden van Oost-Java) ook veel 15- en 16-jarige meisjes bevinden:

Ter regterhand van den prins van Madura zaten wel 100 jonge vrouwlieden van zijn gevolg en nog wel 30 of 40 van 15 of 16 jaren, in een halve maan wat verder af, een van welke hem wat gemaakte pinang op een pisangblad bragt; doch al die deerns waren haar beziens niet waard, uitgenomen 3 of 4, die op een matje bijzonder zaten, die kostelijk van juweelen voorzien waren en bloemen in ‘t haar hadden. (p. 429)

Nicolaus de Graaff noteert in zijn Reisen van Nicolaus de Graaff, na de vier gedeeltens des werelds, als Asia, Africa, America en Europa (Hoorn, 1701) een huwelijk met een 13-jarig meisje eveneens als iets opmerkelijks. Het huwelijk staat al in de korte aankondiging van het hoofdstuk over zijn 14e reis (p. 85), en in het hoofdstuk zelf lezen we dan:

Op den 18 Juny [=in 1670] trouwde de Koopman Pieter Hofmeester van Delft met een jonge Dogter Juffr. Anna Hinlopen, zijnde oud 13. en de Bruidegom 32. Jaar; leggende dese jonge Bruit binnen ’t Jaar inde kraam van een jonge Zoon. (p. 90)

Mogelijk valt het De Graaff des te meer op omdat het hier een Nederlands paar betreft dat zich kennelijk aan inheemse gebruiken had aangepast.

Die inheemse gebruiken en gewoonten werden door de Nederlandse reizigers collectief verafschuwd. Maar dat wil niet zeggen dat men voor individuen onder de inheemse bevolking geen genegenheid of zelfs bewondering kon koesteren, zoals betoogd in de heruitgave van De Afrikaanse brieven uit 1678 van de Nederlandse arts Willem Godschalck van Focquenbroch van Thomas Roosenboom en Arie Gelderblom. Focquenbroch trok naar het Nederlandse fort Elmina (in het tegenwoordige Ghana) om daar zijn beroep uit te oefenen en schreef in de brieven voor zijn thuisfront weinig positiefs over zijn nieuwe omgeving. Maar een 12-jarige inheemse knecht bekoorde hem met zijn heroïsche uiterlijk en moedig gedrag dat aan Hannibal deed denken. Hoewel Focquenbroch zeer op zijn geld was – hij nam de functie in Elmina aan in de hoop rijk naar huis terug te kunnen keren – zou hij voor de diensten van die jongen wel wat goud over gehad hebben:

Alleen heb ick mijn meeste vermaeck in een kleyne Swarte Jongen die ick heb, die van seer grooten Huyse, en van seer treffelijcke luyden is; want ick verklaer u, dat ick noyt Schoonder; noch Heroïquer, wesen gesien heb, vermenght met een groots, doch eenigsins stuurs opslagh van Oogen […]

Want inder daet dat wesen is in die Jongen soo heerlijck te sien, dat ick my dickwils inbeeld in hem te sien een schets van dien ouden Afrikaenschen Hannibal; oock zijn al sijn inclinatien groots, en moedigh, ja soo, dat hy met jongens van sijn jaren (die ontrent 12. zijn) niet sal omgaen, maer altijdt met sijn ouwer, waer boven hy noch altijdt wil de preferentie hebben 't sy in den Dans, of andere Spelen, daer hy altijdt de eerste wil zijn; of soo iemand hem die rang disputeert, soo ontsiet hy selfs geen volwassen jongens voor de kop te staen. En by al dese Barsheyd is hy weer by my soo vriendelijck, beleeft, en trouw, dat ick die jongen lief heb in mijn Hart, en souw (soo hy een slaef was) niet weygeren een Pond Gout voor hem te geven &e. (p. 164-165)

Dat dergelijke warme gevoelens voor met name jonge inheemse inwoners een topos waren - net zo’n gemeenplaats als de collectieve afkeer voor de inheemse bevolking in zijn geheel – kunnen we zien aan Valentijns Oud en nieuw Oost-Indien. Ook hier het beeld van de moedige, edele en jonge prins die zich van anderen in positieve zin onderscheidt:

Terwijl wij ons daarmede bezig hielden, zagen wij een van de jongste zonen van den prins van Madura, een redelijk blank prinsje van 14 of 15 jaren, op een schoon wit en zeer hoog Persiaansch paard, […] met een moedigen stap komen aanrijden. (deel 3, p. 440)

Export van het eigen ideaal

Het ideaalbeeld werd de Nederlandse jeugd in deugdenspiegels voorgehouden, maar ook naar de koloniën geëxporteerd middels teksten die veelal door gereformeerde predikanten in de Republiek geschreven waren. De VOC steunde de publicatie en verspreiding van dit soort teksten omdat de organisatie in scholing van de inheemse jeugd een middel zag om de welwillendheid van de lokale bevolking te vergroten. Albert Cornelisz Ruyl was de eerste die Nederlandstalige religieuze teksten in het Maleis vertaalde om de inheemse bevolking van Nederlands-Indië nog beter te bereiken. Hij exporteerde met de Nederlandse idealen ook het model van de deugdenspiegel in zijn Spieghel, vande Maleysche tale: inde welcke sich die Indiaensche jeucht christlijck ende vermaeckelick kunnen oeffenen uit 1612. In het voorwoord schrijft Ruyl dat de VOC altijd geprobeerd heeft in landen waar de compagnie actief was het christelijk geloof te verspreiden en ‘om al daer de jeucht in tucht ende discipline te houden’. Die ‘tucht ende discipline’ is dus het Nederlandse ideaal dat hem voor ogen staat. Hij heeft de vertaling gemaakt opdat inheemse predikanten hun jonge gemeenteleden in hun eigen taal nog beter naar dat Nederlands ideaal kunnen modelleren:

alles gestelt inde Malaysche Tale alleen, om voor eerst de Indiaensche Ieuchd te scherpen inde Forma [=geheel naar het voorbeeld van] van onse Nederduytsche letteren. (fol. A2r)