Opkomst en ondergang van Tegenstroom

18 juli 2014 Arno Kuipers Nederlandse literatuur en taal

Deze maand is het vijftig jaar geleden dat literair Nederland werd opgeschrikt door het verschijnen van een nieuw literair tijdschrift met radicale doelstellingen: Tegenstroom.

Titelpagina van het derde nummer, september 1964
Titelpagina van het derde nummer, september 1964
Prijs voor het slechtste boek in Tegenstroom nr. 3
Prijs voor het slechtste boek in Tegenstroom nr. 3

Vervolgens bestond er volgens de redactie een ‘avant-gardistische groep van auteurs, die hun vooruitstrevendheid manifesteren door opzettelijk onsamenhangend proza, loze ideeën, die bv. zijn gebaseerd op een woordgrapje, een gewilde spelling, het niet functioneel gebruiken van platte woorden en een ongewone manier van drukken.’ En er was volgens Tegenstroom nog een derde groep van ‘de vijftigers, de avant-garde van het vorige decennium. Zij zijn geen vlees en geen vis. Hiertoe behoren bv. Mulisch en Campert.’

Tegen iedereen

De naam Tegenstroom voor het nieuwe maandblad was zeker niet willekeurig gekozen, men was tegen vrijwel iedereen. Alleen Gerard Reve en Willem Frederik Hermans werden dus gepruimd. De laatste werd door de redactie zelfs expliciet geprezen voor zijn eigen-beheer-uitgave Mandarijnen op zwavelzuur (1964), waarin de Nederlandse literatuur scherp werd afgekraakt. Het was duidelijk een voorbeeld voor Tegenstroom, dat in zijn eerste jaargang een reeks afbrekende kritieken over Nederlandse schrijvers publiceerde. In het eerste nummer kreeg Harry Mulisch ervan langs, in een lang stuk van Theo Kars dat eerder in Elsevier’s weekblad was verschenen: ‘Mulisch is een intellectuele – wat iets anders is dan intelligente – uitgave van Lou de Palingboer, hetzelfde verwarde proza, dezelfde quasi diepzinnigheid en affichering van eigen kwaliteiten (Lou noemt zich God, Mulisch een groot schrijver), en hetzelfde boerenbedrog.’ Over Cees Nooteboom schrijft Kars in een later nummer: ‘Wat mij het meest opviel in de romans en verhalen van Nooteboom was de stijl – eigenlijk is dat het enige wat opvalt, want er staat verder niets in. Als men het proza van zijn eerste roman “Philip en de anderen” leest, heeft men het gevoel of men door een beslagen bril kijkt.’ Over het avantgardistische proza van Bert Schierbeek heet het: ‘In de leprozenkolonie van de Nederlandse literatuur verkeert het werk van Bert Schierbeek in verst gevorderde staat van ontbinding’. Halverwege de eerste jaargang ging Tegenstroom er ook toe over om een eigen prijs uit te reiken: ‘De prijs voor het slechtste boek sinds 1963’. De prijs werd toegekend aan Ewald Vanvugt voor zijn roman Een bizonder vreemde dief. Vanvugt ontving een geldbedrag van honderd gulden en een gekalligrafeerd ‘getuigschrift van geestelijke armoede’.

Ergernis

Bij de literaire kritiek in Nederland viel Tegenstroom allesbehalve in goede aarde. Men vroeg zich af wie die branieschoppers waren die zo tekeer gingen tegen de gevestigde namen. De redacteuren waren amper bekend in het literaire wereldje, maar toch reageerden sommige critici zeer geërgerd. In Het vrije volk schreef Alfred Kossmann: ‘Zo incompetent is in ons land zelden gescholden! En wat de heren aan verhaaltjes en romanfragmenten publiceren is te onnozel voor een h.b.s.-blad.’ Johan van der Woude schreef in het Nieuwsblad van het noorden: ‘achter dit proza en dit zogenaamd kritisch werk staan burgermannetjes, wier ergernis over de huidige Nederlandse literatuur typisch kleinburgerlijk is.’ Tegenstroom was verguld met elke negatieve kritiek, blijkens het vierde nummer: ‘Heren critici, wij danken U voor Uw critieken. Als u ons had willen schaden had U “Tegenstroom” moeten doodzwijgen. U hebt ons nu vaster in het zadel gezet, terwijl U ons van het paard had willen trekken.’

Tegenstroom nr. 4, oktober 1964
Tegenstroom nr. 4, oktober 1964
Het einde van Tegenstroom, juli 1965
Het einde van Tegenstroom, juli 1965

Merlyn tegen Tegenstroom

Onder het kopje ‘Nette jongens’ verscheen ook een honende reactie op Tegenstroom in het tijdschrift voor literatuurkritiek Merlyn, van de hand van J.J. Oversteegen. Hij hekelde de besprekingen in Tegenstroom waarin de waarheidsgetrouwheid van boeken werd bekritiseerd. Zo schamperde Kars in zijn bespreking van Ik Jan Cremer dat Cremer onmogelijk kon schrijven: ‘In het begin naaide ik Brigitte vijf keer per nacht’. Volgens Kars was dat zelfs voor Casanova een uitzondering en hij weigerde Cremers prestaties te geloven. Oversteegen schreef hierover: ‘Het zou natuurlijk best Cremer's bedoeling geweest kunnen zijn, om niet geloofd te worden’. Oversteegen bestreed de invalshoek van Tegenstroom, waarbij ‘figuren en auteurs zonder meer met elkaar geïdentificeerd worden’. Merlyn deed juist het tegenovergestelde: dat tijdschrift poneerde vrij succesvol de norm dat literaire werken als kunstwerken op zich moesten worden beschouwd, zonder al te veel aandacht voor de auteurs daarvan. Boudewijn van Houten sloeg namens Tegenstroom in de tweede jaargang terug met het artikel ‘Het bijziend lezen van K. Fens.’ Kees Fens was naast Oversteegen redacteur van Merlyn. Volgens Van Houten leidde de Merlyn-methode alleen maar tot oppervlakkige constateringen: ‘Fens probeert voor een bepaalde keus uit de literatuur waardering te vinden door een geargumenteerde bespreking van de buitenkant, maar een nonchalante behandeling van de binnenkant.’ En: 'Hij ruikt naar de "close reading"-collegezaal'. Het botsinkje Merlyn-Tegenstroom was een kleine reprise van het Vorm-of-vent-debat uit de jaren dertig. De Tegenstromers waren radicale aanhangers van de ‘Vent’, de persoonlijkheid en de ideeën van de auteur stonden centraal. In Tegenstroom verschenen naast de scheldkritieken dan ook stukken over gewaardeerde schrijverspersoonlijkheden als de Franse auteurs Henry de Montherlant en Roger Vailland. Tegenstroom was dus ook wel vóór bepaalde schrijvers, maar dat waren naast Hermans en Reve vrijwel alleen buitenlandse auteurs.

Buitenlandse mogendheid

De vormgeving van Tegenstroom was conservatief, maar het blad was ook tamelijk luxueus uitgevoerd op glanspapier met een extra dik omslag. In de inleiding meldde de redactie: ‘Dit blad wordt gefinancierd door de redactie die van een groot geldelijk verlies uitgaat.’ Waar haalde men het geld vandaan? De dure vormgeving voedde de geruchtenstroom over de financiering. De redactie wakkerde die geruchten zelf flink aan in een interview in de Haagse Post van 19 december 1964. De interviewers werden in de ondernemerssociëteit De Groote Club in Amsterdam ontvangen door drie strak in het pak gehulde jongemannen. Op de vraag ‘Wie betaalt Tegenstroom eigenlijk?’ antwoordde Kars: ‘Ik vind dat een indiscrete vraag, maar ik wil er wel antwoord op geven: Tegenstroom wordt gefinancierd door een buitenlandse mogendheid.’ De Haagse post vraagt dan natuurlijk welke mogendheid dat dan is: ‘Kars: Dat mogen we niet vertellen. HP: Wat bezielt die buitenlandse mogendheid? Kars: ‘Die heeft er kennelijk baat bij dat de Nederlandse literatuur gezuiverd wordt. Wijzelf worden ook door die mogendheid onderhouden.’

De grote fraude

Tegenstroom werd niet door een vreemde mogendheid gefinancierd en ook niet door een geheime rechtse organisatie. In juli 1965 kwam de aap uit de mouw. Het vierde nummer van de tweede jaargang van Tegenstroom bleek het laatste. Boudewijn van Houten verklaarde in ‘Het einde van “Tegenstroom”’ dat Theo Kars en medewerker K. Brants waren gearresteerd als verdachte van ‘de fraude die 27 november 1964 de Rijkspostspaarbank 78.000 gulden gekost heeft.’ Ook Van Houten werd weldra gearresteerd. Het literaire tijdschrift Tegenstroom bleek gefinancierd uit de opbrengsten van één van de grootste oplichtingszaken uit de Nederlandse postale geschiedenis. Eigenlijk was het zelfs een dubbele zaak: eerst had men gefraudeerd met vervalste Duitse postwissels en later met vervalste spaarbankboekjes.

Steun van W.F. Hermans

In 1966 volgde de geruchtmakende rechtszaak tegen de oplichters. Kars werd gezien als één van de hoofddaders, Van Houten als belangrijke handlanger. Daarnaast stond ook een groep meelopers terecht. Mede-redacteur van Tegenstroom ‘Keller’ bleek niet werkelijk te bestaan, want bijna alle stukken in Tegenstroom onder die naam hadden Kars en Van Houten zelf geschreven. De jongen die in de Haagse Post optrad als Keller fungeerde als stroman. De tegenstanders van Tegenstroom verkneukelden zich over de ondergang van de kwajongens, maar tijdens de rechtszaak kregen de verdachten steun van Willem Frederik Hermans. Die was al vroeg abonnee geworden van Tegenstroom. Op verzoek van de advocaat van Kars werd tijdens de rechtszaak een brief van Hermans voorgelezen waarin onder andere werd verklaard: ‘Het aan Tegenstroom bestede geld is beslist niet weggegooid.’

Theo Kars, De vervalsers, 1967
Theo Kars, De vervalsers, 1967
Boudewijn van Houten, Onze hoogmoed, 1970
Boudewijn van Houten, Onze hoogmoed, 1970
Boudewijn van Houten, Een lichtzinnig leven, 2008
Boudewijn van Houten, Een lichtzinnig leven, 2008
Theo Kars, Memoires van een slechts mens 2, 2013
Theo Kars, Memoires van een slechts mens 2, 2013

De vervalsers en Onze hoogmoed

De morele ondersteuning van Willem Frederik Hermans leidde niet tot strafvermindering. Tegen Kars en Van Houten en de andere leden van de bende werden straffen van anderhalf tot vier jaar geëist. Protagonisten Kars en Van Houten schreven elk een roman over de affaire. Theo Kars begon al direct in de gevangenis aan zijn roman De vervalsers, verschenen in 1967 en herzien in 1978. Als vervolg verscheen in 1985 De huichelaars. Later werden beide romans gebundeld in De vervalsers compleet (1992). Kars schreef ook uitvoerig over de affaire in zijn Memoires van een slecht mens, waarvan deel één in 2010 verscheen en deel twee in 2013. Boudewijn van Houten publiceerde in 1970 zijn roman over de affaire en de amorele vriendengroep die steeds verder het pad van de misdaad opging: Onze hoogmoed. Aardig over elkaars alter ego’s zijn Kars en Van Houten in deze boeken niet, want ze raakten tijdens de rechtszaak al ernstig gebrouilleerd. Ook daarover gaan de romans van Kars en Van Houten, die dezelfde gebeurtenissen uit zeer verschillend perspectief schetsen. Hoe dan ook was met Tegenstroom hun (slechte) naam gemaakt. De opkomst van het tijdschrift was geruchtmakend, de ondergang nog veel meer.