Restaurant du Panthéon

30 november 2010 Jo Tollebeek Nederlandse literatuur en taal

Ik heb Te Winkel achter mij gelaten en breng mijn dagen nu door in het gezelschap van W.G.C. Byvanck. Wat een verschil in karakter en temperament!

Terwijl de eerste als leraar zijn heil in dictaten zocht, verkoos de tweede met zijn leerlingen te ‘keuvelen’. Terwijl de eerste voortdurend verlangde zijn leraarschap om te zetten in een hoogleraarschap (en daar ook in slaagde), nam de tweede vrijwillig ontslag om zich als een ‘solitaire beer’ in Hilversum te vestigen en daar van zijn pen te leven. Terwijl de eerste zich opsloot in de benauwde wereld van de Nederlandse literatuurgeschiedenis, las de tweede Byron, Heine en Baudelaire.

Er zijn nog meer verschillen. Te Winkel vergaarde nuttige kennis; Byvanck verloor zich liever in persoonlijke bespiegelingen. Te Winkel systematiseerde zijn wetenschap in handboeken; Byvanck schreef essays, waarin hij een geheel eigen weg bewandelde. Te Winkel was de man die bewees wat hij zei, door zijn studies te larderen met referenties; Byvancks ‘aesthetische zin verzette zich tegen voetnoten’.

Verwondert het dat sommigen de wenkbrauwen fronsten toen Byvanck in 1895 tot bibliothecaris van de KB werd benoemd? Voor het eerst kreeg ‘een man van buiten’ de functie, iemand die de instelling niet kende, een wat warrige kosmopoliet bovendien, erudiet maar ook scherp in zijn contacten. Byvanck liet het wantrouwen niet aan zijn hart komen. Meer dan een kwart eeuw lang trachtte hij de bibliotheek open te breken voor een ruimer publiek. Hij maakte tentoonstellingen, bouwde een fabuleuze Goethe-collectie op, publiceerde catalogi die geen lijsten waren (dat was een hebbelijkheid van Te Winkel), maar parken met vergezichten openden.

Ik richt mijn aandacht voorlopig op de Hilversumse jaren, de jaren van avontuur en onafhankelijkheid. Het was ook in deze jaren dat Byvanck enkele keren naar Parijs trok. Hij werd er op sleeptouw genomen door de jonge, extravagante Marcel Schwob, die hem de literaire en artistieke avant-garde van het moment leerde kennen: Verlaine, Rodin, Paul Claudel, Léon Daudet, Jules Renard. Byvanck ontmoette hen op de grote boulevards, in hun ateliers, in brasseries en cabarets, in duistere zaaltjes op bijeenkomsten van anarchisten.

In de bijzondere collecties van de KB worden de souvenirs bewaard die ‘de filoloog van Hilversum’ uit Parijs meebracht, samen met de brieven die hij van zijn Franse vrienden ontving. Maar er is meer. Onder signatuur 79 E 88 bezit de KB ook kopieën van de brieven die Byvanck zelf aan Marcel Schwob schreef (de originelen worden bewaard in de bibliotheek van de Brigham Young University, Provo, Utah).

Het zijn kostbare documenten. De rekening van een diner met Verlaine, Schwob en F.-A. Cazals in Restaurant du Panthéon op 12 april 1891 ̶ oesters, soep, kip, kaas, appelen, wijn. De twee tekeningen die Cazals bij die gelegenheid van de zwijgzame dichter maakte en waarbij Byvanck noteerde: ‘Verlaine was niet meer in den kring, zijn gedachten gingen in nevelen onder.’ De brief waarin Schwob zijn Nederlandse vriend op de hoogte brengt van het overlijden van zijn maîtresse. Kostbaar zijn ze niet alleen om de informatie die ze bevatten (en die banaal kan zijn), maar ook omdat ze het verleden dat ik wil leren kennen, tot een tastbare realiteit maken. Byvanck verschijnt er mij door.