Schrijven
20 januari 2011 Jo Tollebeek Nederlandse literatuur en taal

Het moment van het schrijven is aangebroken. Dit moet het hoogtepunt worden.

Ik heb mij teruggetrokken in de ruime werkkamer die mij ter beschikking staat in het NIAS, het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences in Wassenaar, waar ik de voorbije maanden ook heb gelogeerd. De kamer ligt op de hoogste verdieping van de grote villa die de kern van het NIAS vormt. Ik kijk uit over de bossen en de andere villa's. Hier zal ik de resultaten van mijn onderzoek in de KB op papier zetten.

Ik denk aan de vragen die Sylvia Witteman enkele weken geleden voor de lezers van de Volkskrant uit de twitterrubriek '#durftevragen' heeft verzameld. Er waren eenvoudige vragen bij, die toch verrasten, zoals: 'Hoe maak je een lampenkap van varkensblaas schoon?' Maar er zaten ook verreikende, ja filosofische vragen tussen, zoals: 'Zullen we met z'n allen in een gele onderzeeër gaan wonen?' Of: 'Wat zal ik doen met mijn laatste tienerdagen?' Vragen van existentiële aard dus.

De vragen die ik mij stel, moeten daar niet voor onder doen. Hoe werd de studie van de literatuur een moderne wetenschap (werd zij überhaupt een wetenschap)? Waarom streefden de beoefenaars van de geesteswetenschappen - ook de bohémiens onder hen - uit alle macht naar een professorstitel, om vervolgens met evenveel volharding weg te blijven uit de universitaire gebouwen en als thuiswerkers door het leven te gaan? Waarom predikten zij discipline en wat verstonden zij onder 'talent' en 'karakter' in de wetenschap? En hoe trachtten zij de verworven kennis door te geven? Ik zal, kortom, de bevlogenheid tonen die ik intussen van Byvanck ken.

Hoe te beginnen? Ik verzamel de vele honderden bladzijden aantekeningen die ik heb gemaakt, een angstaanjagende stapel papier, vol gegevens die ik uit de voorraadschuren van de KB heb weggesleept. Bladzijden die in blauwe inkt zijn geschreven als het om notities bij geraadpleegde boeken en tijdschriften gaat. Bladzijden die enkel potloodaantekeningen bevatten als zij het resultaat zijn van onderzoek in de leeszaal van de bijzondere collecties. Ik geef ze allemaal een rood nummer, doorlopend van 1 tot 1892. Nu kan ik ze manipuleren.

Ik maak een opzet van de tekst die ik zal schrijven. Eerst enkele grote lijnen. Daarna neem ik de stapel door en verfijn ik mijn eerste schema. Het is ambachtelijk werk. Ik moet puzzelen en perfectioneren, schaven en bijschaven. De notities - ik moet ze een tweede keer doornemen - dwingen mij mijn compositie voortdurend te wijzigen. Is het niet beter toch maar eerst over de nieuwe kennisidealen te spreken en pas dan over het beroepsethos? Wanneer zal ik het circuleren van portretfoto's van de wetenschappers te berde brengen? En welk materiaal hoort precies bij welke gedachte in dit schema?

Daarmee kan ik aan de slag. Het schrijven verloopt moeizaam. Ik moet bij het verwoorden van elke gedachte goed op de lengte letten, mijn tekst mag niet uit balans raken. Ik twijfel en aarzel. Zal ik dit of eerder dat citaat gebruiken? Zal ik deze gedachte voorlopig toch liever onuitgewerkt laten, ondanks de aanduidingen in mijn logboek, om haar dan verderop ten volle te ontwikkelen, als een soort verrassingsaanval op de niets vermoedende lezer? En hoe expliciet zal ik de volgende opmerking maken? Plots voel ik mezelf een kleine Te Winkel, die nog slechts zit te rekenen en te tellen, en met zijn notities schuift als waren zij pionnen op een onoverzichtelijk geworden slagveld. Allerlei associaties spoken mij door het hoofd.

Wassenaar mag niet mijn Waterloo worden.