Twijfel (bis)

10 december 2010 Jo Tollebeek Nederlandse literatuur en taal

Waren er misschien twee Byvancks? Was de man die vanaf 1895 aan het hoofd van de KB stond, misschien een andere dan de avonturier die in de vroege jaren 1890 in zijn Hilversumse teruggetrokkenheid de grote Europese dichters las en in Parijs de bohémiens van Montmartre leerde kennen? Je zou het haast geloven.

Elke brief uit de uitgebreide correspondentie die Byvanck als bibliothecaris met de Minister van Binnenlandse Zaken (zijn voogdijminister) voerde, lijkt het te bevestigen: de avonturier was in 1895 gestorven.

Er zijn de brieven die tonen hoe Byvancks tijd en geestelijke vermogens volledig opgingen in allerlei praktische beslommeringen: noodzakelijke verfwerken, de aanleg van electriciteit, de constructie van een 'spreekbuizenstelsel', dat de communicatie in de bibliotheek moest vergemakkelijken. Hier spreekt geen literator, maar een man die zich de ambtelijke retoriek eigen heeft gemaakt en zijn weg in het overheidslabyrint kent. Was de bibliotheek onder zijn leiding nog wel iets anders dan een wetenschappelijk bedrijf?

Er zijn de brieven waarin Byvanck zich over het bibliotheekpersoneel uitspreekt of de kandidaten voor vacatures beoordeelt. 'De jonge man is wat zwak en teruggetrokken. Maar dat zyn geen redenen voor my om hem achter te stellen, want zyn werk lykt my netjes', zo luidt het in 1895 over een kandidaat. 'Niet dat hy niet bezig is geweest. Maar hy heeft zich een beetje laten gaan', heet het in 1896 over een disfunctionele medewerker. De conciërges, bodes en assistenten van Byvancks bibliotheek moesten ordelijk en precies zijn, bescheiden en fatsoenlijk, gedisciplineerd en dienstbaar. Deelde de directeur niet het arbeidsethos van de deugdzame Te Winkel?

Of er zijn de brieven waarin Byvanck de Excellentie verslag uitbrengt van zijn zoektocht naar een rechterhand, in 1904 bijvoorbeeld, toen een nieuwe conservator van de handschriften / onderbibliothecaris moest worden aangesteld. Een aantrekkelijke persoonlijkheid? Een brede kennis van geschiedenis en kunst? Talenkennis? Het was allemaal belangrijk bij het beoordelen van de gegadigden. Maar veel belangrijker waren 'de speciale kennis' en de expertise die de kandidaten al dan niet in een eerdere betrekking hadden opgedaan. Werd de KB onder Byvanck niet een instelling waarin ieder zijn eigen deskundigheid had, zoals aan de universiteiten omstreeks 1900 de hokjesgeest toenam?

Met elke brief groeit de twijfel. Heb ik Byvanck niet te gemakkelijk tegenover Te Winkel gesteld? Biedt hij echt het tegenbeeld van de mannen die de geesteswetenschappen disciplineerden? Ik aarzel. Maar dan hoor ik toch weer het kloppend hart van de avonturier. Als een 'Te wapen!' klinkt het wanneer de bibliothecaris de minister in 1895 laat weten er alles aan te zullen doen 'om wat er in de Bibliotheek opgestapeld is, zooveel mogelyk onder de menschen te brengen'. Byvanck wil uitgebreide catalogi, hij wil een nieuwe leeszaal, hij wil een museum. Hij wil een publieksinstelling, een cultureel centrum, geen gesloten bolwerk. 'Actieve liberaliteit!', roept hij in 1897 uit.

Waarom dan nog getwijfeld? Achter de bedelbrieven aan de minister, de ambtelijke stukken over de infrastructuur van de bibliotheek en het personeelsmanagement, en de klachten over traagheid schuilt een man die naar Duitsland, Spanje en Italië reist om te zien hoe daar nieuwe bibliotheken worden gebouwd. Van achter de routine en de frustraties komt een man te voorschijn die gelooft dat hij de bibliotheek een nieuwe, stralende toekomst kan geven. De man van het schilderij van Jan Toorop in de directiegang: een vurige profeet.