De keuze van Gerrit Komrij (1)
4 juni 2007 Gerrit Komrij Nederlandse poëzie

Daar staan ze dus, in alle vroegte, de eerste twaalfhonderd boeken. Klein-Duimpje staat voor de Niagara. Wat dichten dichters veel, ook als het kinderdichters zijn!

Het is een aarzelend begin, een bad van druppels. Bij het lezen van de eerste honderd boeken - het gaat vandaag nog over levende dichters - ben ik geneigd alles mooi en aanvaardbaar te vinden, begrijpelijke honger. Maar na een paar uur stoot je dan op een echt goeie dichter of op zomaar een prachtgedicht van een onbekende - dan begint zich plotseling iets af te tekenen: een niveau, een waardenschaal, hoe je het ook wilt noemen. Je bent ondergedompeld en kunt gedichten met elkaar vergelijken. Sommige regels die je een uur geleden nog prachtig vond, verbleken ineens weer, helaas. Maar je weet, het is begonnen.

26 letters en een beetje fantasie (Amsterdam: DiVers, 2003)

26 letters en een beetje fantasie (Amsterdam: DiVers, 2003)

't Lijkt me passend vandaag een gedicht te citeren, een eenvoudig ding, dat door een kind zelf is geschreven, een scholier die Kay Wulms heet. De professionelen komen vanzelf.