Gedichten van A tot Z: Ard Schenk
13 januari 2014 Jan Bos Nederlandse poëzie

Met de Olympische Winterspelen in Sotchi in aantocht leek dit me een toepasselijk gedicht. Jan Kal schreef het op 9 februari 1972, nadat Ard Schenk in Sapporo zijn derde gouden medaille gewonnen had.

Ard, zoon van Klaas, bravo, bravo, bravo.
Hollandsche koeienjongen op de schaats.
Driemaal behaalde jij de eerste plaats,
hardrijder van Olympisch topniveau.

Apollo van Sapporo in maillot,
jouw dijen van een god zijn bovenmaats,
gegoten uit puur goud, achttien karaats,
een meesterwerk van Michelangelo.

Roemt Theo Koomen, supercommentator,
niet als een Pindarus de triomfator,
de drievoudig Olympisch kampioen?

De grootste uit de schaatsgeschiedenis,
waar heel Anna Paulowna trots op is,
de mannelijke Fanny Blankers-Koen!

Aan de strofe-indeling van twee maal vier en twee maal drie regels valt meteen het sonnet te herkennen. In de renaissance was deze dichtvorm vanuit Italië en Frankrijk naar Nederland komen overwaaien. Veel van onze grote 17e-eeuwse dichters pasten hem toe. Daarna nam de populariteit van het sonnet af, tot de Tachtigers aan het eind van de 19e eeuw het nieuw leven inbliezen. “Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten”, dichtte Jacques Perk toen.

Edelkitsch