De Collectie Koopman in de Koninklijke Bibliotheek

De culturele relaties tussen Frankrijk en Nederland gingen Koopman aan het hart. Hij overwoog subsidies te verstrekken aan Nederlandse studenten Franse taal- en letterkunde en een prijs uit te reiken aan Franse romans die in Nederland spelen. Uiteindelijk heeft hij al zijn kaarten gezet op de collectie zelf. Koopman begreep als geen ander dat een collectie zonder financiële armslag een onzekere toekomst tegemoet gaat, hoewel hij destijds misschien niet heeft kunnen voorspellen dat de Franse taal in Nederland zo aan belang zou inboeten. Nu dat het geval is en het veranderde leesgedrag weerspiegeld wordt in wat bibliotheken en boekhandels aanbieden en wat het publiek wil raadplegen of kopen, lijkt het er misschien op dat de Collectie Koopman in een impasse verzeild is geraakt – een groeiende collectie voor een slinkend publiek – maar niets is minder waar. De boeken uit de Collectie Koopman zijn namelijk niet alleen om hun literaire inhoud van belang, ook het bibliofiele uiterlijk – typografie, illustratie, opdrachten van auteurs en kunstenaars, uitvoering, boekbanden – is een bron voor onderzoek en presentatie. Het maakt de collectie bij uitstek geschikt voor een digitale expositie. Sinds 2000 worden voornamelijk werken om hun typografische of kunstzinnige aspecten aangeschaft.

Ex-libris van Anny Antoine, ontworpen door Felicien Bobeldijk

Ex-libris van Anny Antoine, ontworpen door Felicien Bobeldijk

De Koninklijke Bibliotheek

De Koninklijke Bibliotheek

La fin du monde van Blaise Cendrars met illustraties door Fernand Léger (1919)

*La fin du monde *van Blaise Cendrars met illustraties door Fernand Léger (1919)

Rekening van Boekhandel Caffin

Rekening van Boekhandel Caffin

La fleur de lâgedoor Colette (1949), gedrukt op blauw papier

La fleur de l'âgedoor Colette (1949), gedrukt opblauw papier

Handgeschreven opdracht door Colette inLa toutounier (1939)

Handgeschreven opdrachtdoor Colette in*La toutounier *(1939)

Omslag van Jean Lorrain:Narkiss(1908)

Omslag van Jean Lorrain:Narkiss(1908)

Handgeschreven opdracht met tekening door Jean Cocteau inCéremonial espagnol du Phénix (1961)

Handgeschreven opdracht met tekening doorJean Cocteau in*Céremonial espagnol du Phénix *(1961)

Gouache door Maurice Utrillo

Gouache doorMaurice Utrillo

Een blik in het magazijn met opstelling van de Collectie Koopman

Een blik in het magazijn met opstelling van de Collectie Koopman

De interesse van Louis Koopman voor het Franse boek gaat waarschijnlijk terug op zijn vroege opvoeding. Zijn moeder was onderwijzeres en had een akte-Frans. Het gezin behoorde tot de Waalse kerk en was sterk georiënteerd op de Franse cultuur, onder andere dankzij het enthousiasme van de Waalse predikant Étienne Giran en diens opvolger Charles le Cornu. Van beiden legde Koopman een collectie publicaties aan, die bij de KB-verzameling is geplaatst. Koopman werd opgeleid als ingenieur, werkte voor AEG en werd uiteindelijk eigenaar van Almara, een bedrijf in medisch-radiologische apparatuur aan het Rokin in Amsterdam. Hij onderhield contacten met kunstenaars via zijn lidmaatschap als 'kunstlievend sociëteitsbezoeker' van de maatschappij Arti et Amicitiae, waar hij doordrong tot de Sociëteitscommissie. Zijn verzameling schilderijen van vader en zoon Kasper en Eduard Karsen (die hij goed kende) en van Franse kunstenaars zoals Jules Cavaillès werd na zijn dood geveild bij Mak van Waay. Aan de Koninklijke Bibliotheek liet hij het schilderij 'La colline' van J.F. Raffaëlli en enkele portretten na, waaronder twee van zichzelf en twee van Anny Antoine.

In 1935 had Koopman 1500 boeken in de kast staan, in 1940 waren er het inmiddels 3000. In 1960 besloeg de verzameling in de KB al 112 strekkende meter en waren er ruim 5000 delen. En de groei ging door: 7000 in 1989 en meer dan 8250 nu. Ze beslaan 240 strekkende meter. Tegenwoordig komen er jaarlijks ongeveer 50 boeken bij.

Louis Koopman en Anny Antoine verzamelden de moderne Franse literatuur in fraaie uitgaven en de collectie is er een die zowel in de diepte als in de breedte gaat. Ze kochten niet alleen alles van een aantal favoriete auteurs (Colette, Blaise Cendrars, André Maurois, Paul Valéry, Georges Duhamel, André Gide), ook verwierven zij zoveel mogelijk romans en poëziebundels van eigenlijk alle auteurs uit het interbellum. Hetzelfde gold voor illustratoren en kunstenaars, zoals Hermine David, Chas Laborde, Gus Bofa en Jean-Emile Laboureur. Na de Tweede Wereldoorlog tekende Koopman zich in voor elke literaire uitgave waarvan een luxe editie verscheen. Er waren wel enkele blinde vlekken, zoals sommige surrealistische auteurs, het naoorlogse kunstenaarsboek en werk van bepaalde drukkers zoals Bernouard. Deze leemten in de collectie zijn inmiddels door de Koninklijke Bibliotheek opgevuld, hoewel er nog steeds desiderata overblijven.

Van 1972 tot 2000, meer dan een kwart eeuw, was romanist Han van Berkel (1939-2000) als conservator verantwoordelijk voor de uitbreiding van de collectie. Hij hield contact met antiquariaten in alle uithoeken van Frankrijk en hij kocht onder andere nieuwe uitgaven van Fata Morgana en Kickshaws. Eind jaren tachtig werd de gehele collectie gecatalogiseerd en in 1989 trad de collectie in de openbaarheid met de tentoonstelling 'In liefde verzameld'. Toen Van Berkel afscheid nam van de Koninklijke Bibliotheek, had hij een kwart van de huidige collectie aangeschaft.

Sinds ongeveer 1900 verscheen van de eerste uitgave van een literaire tekst vaak een luxe editie op speciaal papier, soms in een ander formaat en genummerd. Deze 'édition originale' vertegenwoordigde de echte eerste druk. Maar die editie kon weer uiteenvallen in sub-edities op verschillende soorten papier in steeds grotere oplagen, dus bijvoorbeeld 2 romeins genummerd op Keizerlijk Japans, 6 arabisch genummerd op Chinees papier en 35 op Hollands papier, waarvan er dan weer 10 hors commerce waren, bedoeld voor de uitgever, auteur en kunstenaar. Een exemplaar van de in het colofon als eerste genoemde subeditie is een 'exemplaire de tête'. Een beetje bibliofiel wilde alleen dié editie; de Collectie Koopman heeft er honderden.

Vooral met de auteurs en in mindere mate met de kunstenaars die in zijn collectie waren vertegenwoordigd, onderhield Koopman contact: hij schreef ze aan, zij calligrafeerden opdrachten in zijn exemplaren en hij bezocht ze in Parijs of ontving ze in zijn woonplaats Amsterdam. Bij antiquariaten kocht hij brieven en foto’s van de auteurs en ook handschriften en drukproeven van verhalen en gedichten, waarvoor hij halfleren banden liet maken. Zo verzamelde hij unica van Colette, Philippe Soupault, Francis Carco, Jean Giono en Valery Larbaud. Naast deze handschriften bevat de collectie een aantal archiefstukken en fotoboeken, vooral met betrekking tot Anny Antoine.

De geïllustreerde uitgaven waren in luxe editie meestal voorzien van extra afdrukken van de illustraties (etsen, litho's, houtsneden), soms in speciale kleuren gedrukt op ander papier. Ook werden wel enkele afgekeurde etsen, orginele ontwerptekeningen of een etsplaat aan bepaalde exemplaren toegevoegd. Het eigenlijke kunstenaarsboekkwam min of meer toevallig op de weg van Koopman. Hij kocht bijvoorbeeld een boek van Carco over de schilder Utrillo, één van de vijf exemplaren op Japans papier met een originele gouache van de kunstenaar. Zo begonnen unieke kunstwerken deel uit te maken van zijn verzameling. Van Cendrars kocht hij La fin du monde uit 1919, de auteur schreef er een opdracht in: toen 'gewoon' een eerste druk, nu een gezocht kunstenaarsboek. Bij zijn grote Cocteau-verzameling paste ook het werk van diens minnaar Raymond Radiguet en zo arriveerde het door Henri Laurens geïllustreerde en door Kahnweiler uitgegeven Les Pélican in Nederland. Tot in de jaren zestig bleef Koopman kunstenaarsboeken aanschaffen, zoals Les incongruités monumentales (1967) met litho's van Enrico Baj. Na de dood van Koopman is eerst gekozen voor een uitbreiding van de geïllustreerde, luxe edities. Inmiddels is de Koninklijke Bibliotheek ertoe overgegaan niet alleen het Franse bibliofiele boek te verzamelen, het 'livre de luxe', maar ook het kunstenaarsboek, bijvoorbeeld met litho's van Matisse, Picasso of Ubac, met etsen van Giacometti of Jacques Villon of met gouaches van Sonia Delaunay.

De uitgaven uit de eenentwintigste eeuw zijn vaak kruisingen tussen genres, zoals protestuitgaven in de vorm van een private press boek en stripverhalen die helemaal in de etstechniek zijn uitgevoerd,

Salah Stétié, Antoni Tàpies, Bois des cerfs (2003)
Salah Stétié, Antoni Tàpies, Bois des cerfs (2003)

Salah Stétié, Antoni Tàpies, Bois des cerfs (2003)

De geschiedenis van de Koopman Collectie in detail

(Bijdrage van J.K.F. van Berkel, oorspronkelijk verschenen in de tentoonstellingscatalogus In liefde verzameld uit 1989)

Tot 1968

Kort na het overlijden van zijn verloofde in 1933 begon Louis Koopman met de afwikkeling van haar nalatenschap. Een niet gering deel van haar bezittingen moet hebben bestaan uit boeken. Het staat vast dat Anny Antoine al vroeg - ergens wordt het jaar 1926 genoemd - het besluit heeft genomen te bestemder tijd haar collectie over te dragen aan de KB. Waarom is niet duidelijk; een paar bewaard gebleven aanvraagbriefjes bewijzen weliswaar dat ze van de bibliotheek gebruik maakte, maar van een speciale band blijkt nergens iets. Veeleer zal er sprake zijn geweest van een gevoel van dankbaarheid jegens de stad Den Haag, waar ze graag woonde, en van de wens door een dergelijke geste de kennis en studie van de Franse taal- en letterkunde te bevorderen. De grootste bibliotheek van Den Haag was dan de aangewezen plaats.

We hebben gezien dat ook Koopman van jongs af aan werd geconfronteerd met francofone zendingsdrang. Het is in dit verband aardig op te merken dat er nog twee plannen hebben bestaan, beide in de knop gebroken wegens grote praktische bezwaren. Zo dacht Koopman aan het stichten van een Studiefonds Antoine/Koopman, ter ondersteuning van personen met de Franse of Belgische nationaliteit en studerend in de Franse letteren aan een Nederlandse universiteit. Ook heeft hij even overwogen af en toe een som gelds beschikbaar te stellen ter bekroning van de beste Franse roman, spelend in Nederland. Deze initiatieven, indien gerealiseerd, zouden dus hun uitwerking hebben gehad naar beide kanten. Hoe het ook zij, Koopman was duidelijk iemand die het belang van dit soort interculturele gebaren inzag. Het is dan ook geen wonder dat al spoedig de gedachte bij hem opkwam, de nagedachtenis van Anny Antoine te eren door zijn eigen Franse boekerij bij de hare te voegen en door te gaan met verzamelen, met als einddoel de KB. In die context is het merkwaardig dat haar boeken aanvankelijk en bloc zijn teruggegaan naar Erps; pas aan het einde van 1936 en daarna is er sprake van een geleidelijke - en gedeeltelijke - terugkomst van de boeken naar Nederland, in casu naar Amsterdam. Die repatriëring, mogen we wel zeggen, gebeurde niet dan nadat Koopman de boeken althans voor een flink gedeelte had laten binden door - touchant detail - de binder Jefke, blijkbaar een bekende van de familie.

Zo'n detail is niet zonder betekenis. Anny Antoine had de gewoonte haar bezittingen en aanwinsten op boekengebied te noteren in een cahier. Daardoor weten we een en ander over de grondslag van de collectie. Een aantal dingen valt op: Anny Antoine had de Franse klassieken zo niet compleet, dan toch wel in voldoende mate in huis, en doorgaans in goede edities. De Middeleeuwen is ze blijkbaar pas tijdens haar studie in Utrecht gaan bestuderen. Uit het cahier, maar ook uiteen impressie die ze schreef van haar bibliotheek, blijkt dat ze grote waarde hechtte aan de band, misschien meer nog dan aan de eigenlijke uitvoering van het boek. In haar Parijse tijd ging ze zich meer bezighouden met de contemporaine letterkunde; haar kennismaking met Louis Koopman heeft dit proces alleen maar geïntensiveerd. Het cahier toont aan dat lang niet alle boeken van Anny Antoine in de collectie zijn terecht gekomen. Waardoor is niet duidelijk.

In de tweede helft van augustus 1934 ontvangt dr. P .C. Molhuysen, directeur van de KB, een brief van ir. L.J. Koopman, 31 Okeghemstraat in Amsterdam, waarin deze mededeelt in zijn binnenkort op te maken testament een bepaling te willen doen opnemen dat de KB later de Franse bibliotheek Antoine - Koopman krijgt, dan bestaande uit ongeveer zevenhonderd delen. Molhuysen antwoordt vrijwel per kerende post dat hij het aanbod gaarne accepteert, vraagt enige weken later belet bij Koopman en heeft tijdens dat eerste bezoek, gewapend met een tegengeschenk in de vorm van de Catalogus der Fransche taal- en letterkunde in de Koninklijke Bibliotheek (1918-1922), een goed gesprek over onder andere Georges Duhamel. Het testament wordt opgemaakt in overleg met Molhuysen, die in diezelfde tijd ervaring opdoet met de overdracht van de collectie F.G. Waller, een verzameling Nederlandse en Vlaamse populaire boeken. Molhuysen raadt aan het testament-Waller als model te nemen, zaak als het is 'den fiscus er buiten te houden'. Koopman gaat hiermee accoord, maar het testament wordt in concept nog grondig bekeken door het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

Het is dan maart 1935. De collectie telt al meer dan 1500 boeken, een teken dat Koopman vaart zet achter zijn acquisitie. Uit de briefwisseling van die jaren, eerst met Molhuysen, na mei 1938 met diens opvolger Dr. L. Brummel, wordt men veel gewaar over de activiteiten van Louis Koopman in dezen. Ook het handschriftelijke materiaal in de collectie komt ter sprake. Koopman maakt in verband met het bindwerk onderscheid tussen brieven van schrijvers en originele manuscripten van literair werk. Hij verwerft ze bij antiquariaten en door individuele contacten. Hij kent verscheidene schrijvers, bezoekt hen en krijgt persoonlijke opdrachten in hun werken krijgt. Ook hierin volgt hij Anny Antoine na. Boeken uit haar bezit hebben vaak alleraardigste dedicaties; Colette bijvoorbeeld blonk hierin bepaald uit. Overigens maakten de lezingen die auteurs in die tijd in het buitenland plachten te geven, dergelijke betrekkingen vrij eenvoudig. Koopman had in die dertiger jaren al contact met de librairie Caffin, zijn vaste leverancier, ook al rept hij tevens van andere relaties in Parijs. Het nu nog bestaande antiquariaat en veilinghuis Simonson in Brussel heeft ook sporen nagelaten in de collectie en dan zijn er incidentele evenementen, zoals de veiling van de nalatenschap van Louis Barthou in 1935, waaruit Koopman enige boeken verwerft. Keus genoeg, 'al zijn de prijzen fantastisch hoog'. Auteurs die Koopman met name noemt zijn René Arcos, Édouard Estaunié en François Mauriac; het feit dat ze in de gedaante van de collectie Antoine - Koopman ook de Bibliothèque Royale de La Haye met hun signatuur vereren laat niet na indruk te maken.

Wat stelt de KB daar nu tegenover? Natuurlijk de zekerheid van een veilig onderkomen waaraan Koopman zo'n grote behoefte had. De tijden waren er dan ook naar. Dan de nodige details: er zijn in 1936 al kasten gereserveerd, die zullen worden voorzien van nuttige opschriften in bronzen belettering, er wordt gesproken over het ontwerp van 'een etiketje', Koopman krijgt de parapluie terug die hij bij een bezoek liet staan en ontvangt regelmatig geschenken, waarvan Brummels Geschiedenis der Koninklijke Bibliotheek (1939) het meest begeerlijke is.

In juli 1939 verklaart Koopman dat zijn bibliotheek de 'mooiste en uitgebreidste verzameling van 't land' is. Hij gaat nog steeds door met aanwinsten te verwerven. Twee maanden later blijkt de schrik hem om het hart geslagen. Overal in het land worden maatregelen genomen om kunstwerken en dergelijke in veiligheid te brengen. Zijn vraag is of de KB beschikt over veilige depots waarin de belangrijkste werken kunnen worden opgeslagen. Brummel stelt per ommegaande voor het kostbaarste deel van de collectie in drie kisten te verpakken, met kentekens, sloten en sleutels, en de rest hier en daar elders, bijvoorbeeld bij vrienden, onder te brengen ter spreiding van het risico. De drie kisten zullen komen te staan in de kelder onder 'het nieuwe gebouw' (Kazernestraat 39). Aldus wordt besloten, maar na de Duitse inval schenkt Koopman vervroegd, per brief van 21 mei 1940, zijn Franse bibliotheek aan de KB. Deze komt in gedeelten, per pakschuit, in 4 x 4 kisten die gaandeweg worden uitgepakt, waarna de boeken worden geplaatst in kasten in de 'Koningskamer', een mooi, ruim vertrek aan de voorkant van het gebouw Lange Voorhout 34. Volgens een recente mededeling is er toen zorg voor gedragen dat rode, witte en blauwe banden werden geschikt naar het model van de Nederlandse vlag!

Koopman toonde zich tevreden over de opstelling van de collectie, na eerst bang te zijn geweest dat zijn boeken gewoon het magazijn in zouden gaan en zelfs misschien zouden worden uitgeleend. Hij nam zich voor, indien mogelijk door te gaan met aanschaffen. Dit lukte aanvankelijk nog wel, maar Koopman liet zijn aanwinsten wijselijk bij Caffin in Parijs. Een half jaar later was het afgelopen.

Het in deze zaken almachtige Deviezeninstituut verbood hem verder betalingen te verrichten aan Caffin. Het was alleen nog mogelijk bestellingen te doen via een Nederlandse firma. Overigens had de KB ook problemen van dezelfde aard. Brummel heeft nog pogingen ondernomen een en ander te vergemakkelijken, maar tevergeefs. Hij raadde Koopman dan ook aan de zaak te laten rusten.

Werd dus de collectie tot na de oorlog niet verder uitgebreid - de Parijse boekhandel tekende overigens uit zichzelf in op nieuwe uitgaven -, ze kreeg in die donkere jaren wel aandacht, ook van Louis Koopman zelf. Hij vroeg af en toe om bepaalde boeken en brieven, onder andere ten behoeve van een 'kleine studie over René Béhaine en Robert Francis'. Verder maakte hij zich druk om enkele boeken met daarin brieven met 'intiem' karakter; deze wilde hij liever pas over bijvoorbeeld 25 jaar ter inzage geven. Brummel van zijn kant had de aankomst van de collectie Antoine - Koopman in het verslag over het jaar 1940 vermeld, overigens in overleg met de schenker, en een begin laten maken met de catalogisering, die al meteen niet zonder problemen verliep.

In april 1943 begint Koopman zich weer zorgen te maken over de onveiligheid van Den Haag, zoals we nu weten niet ten onrechte. Brummel is ook al bezig de kostbaarheden van de KB naar elders over te brengen en vraagt Koopman zelf een onderkomen te zoeken voor het belangrijkste deel van de collectie, namelijk de gebonden boeken. Deze stemt hiermee in, doch korte tijd later wordt besloten dat gedeelte toch in de schuilkelder van de KB te plaatsen. Maar het loopt anders. Een paar dagen later blijkt het mogelijk te zijn de gehele collectie op te bergen in het grote en zeer solide buitenhuis van de beroemde kunstverzamelaar D.G. van Beuningen te Vierhouten. Tezamen met andere kostbaarheden van de KB wordt het belangrijkste deel van de collectie in juni 1943 naar Vierhouten wordt overgebracht, onder geleide van de toenmalige onderbibliothecaris dr. J.H. Kernkamp. De gebrocheerde delen blijven in de KB. Een detail: het valt niet mee in dat oorlogsjaar aan de benodigde kisten te komen. Brummel denkt er zelfs aan het hout van zijn vliering, die juist dan wordt afgebroken te gebruiken. Hoe het uiteindelijk is gegaan, blijkt niet duidelijk.

Na de bevrijding nam Louis Koopman de uitbreiding van de collectie weer met verve ter hand, ondanks problemen van fiscaal-juridische aard. Koopman had in zijn testament uit 1935 het Rijk niet alleen zijn boekerij maar ook zijn vermogen toegezegd. Aangezien dit in rijksoren alleen nog maar toekomstmuziek was, wilde de fiscus de in het kader van de wederopbouw ingestelde vermogensaanwasbelasting en vermogensheffing toepassen. Koopman verlangde vrijstelling daarvan. Een oplossing was een stichting met beperkt vermogen, waarvoor vrij ver gevorderde plannen hebben bestaan, compleet met voorstel voor het stichtingsbestuur: Brummel q.q., prof. M. Valkhoff en mr. Greup. Maar deze zijn niet uitgevoerd; blijkbaar is er een andere modus gevonden.

De relatie met de librairie Caffin werd gecontinueerd en in de loop der jaren geïntensiveerd, zodanig dat men de indruk heeft dat Koopman tenslotte alleen nog maar op het kompas van zijn boekhandel voer. Dat neemt niet weg dat hij zijn persoonlijke contacten met schrijvers onderhield en uitbreidde, wat blijkt uit opdrachten en brieven. Sommige auteurs weigerden een opdracht, anderen werden benaderd door de boekhandel, wat niet altijd zonder problemen verliep. Zo hield de Provençaalse schrijver G. een aantal werken, op Japon nog wel, verscheidene maanden zonder bericht achter, blijkens brieven tot stijgende verontrusting van boekhandelaar en klant. Gelukkig is alles goedgekomen.

De collectie groeide dus. Bloeide zij ook? Niet in die zin dat er gebruik van werd gemaakt. Het fenomeen 'Collectie Koopman' (tegenwoordig de gangbare betiteling) was vrijwel alleen intern bekend en natuurlijk in Frankrijk, bij een aantal schrijvers. Enkelen hebben de collectie op de KB bezichtigd, onder wie Claude Aveline. Ter gelegenheid van diens bezoek in 1958 was er een tentoonstelling voor een aantal genodigden.

Men kan zich afvragen of Koopman het zeer betreurde dat zijn bibliotheek min of meer onaangeroerd bleef. Hij had eigenlijk het liefst gezien dat de boeken op hun plaats bleven, behalve voor tentoonstellingsdoeleinden en in uitzonderingsgevallen voor gebruik door een hoogleraar. Brummel had wel meer openheid gewild en kwam in die omstandigheden op het idee van plaatsing in het Museum van het Boek, dat op 29 augustus 1960 dankzij zijn inspanningen werd geopend in het Museum Meermanno-Westreenianum. Tot verdriet van Koopman is deze opstelling nooit gerealiseerd. De omvang van de collectie - 112 strekkende meters in februari 1961 - maakte het plan onuitvoerbaar. Wat betreft de catalogisering kan worden opgemerkt dat op diezelfde datum 4200 nummers waren beschreven en 760 nog moesten worden gedaan. Het gaat hier om een apparaat van geschreven fiches, waaraan verscheidene handen hebbengewerkt.

Op 1 september 1962 wordt Brummel opgevolgd door dr. C. Reedijk. Hij pakt het oude idee van een stichting weer op en stelt voor de Staatsdrukkerij een raming te vragen van de kosten van een catalogus in boekvorm. Koopman wil liever nog wachten met het in het leven roepen van een stichting en verklaart de drukkosten van de catalogus voor zijn rekening te willen nemen. In diezelfde tijd valt een zekere ontgoocheling bij hem te bespeuren. Hij is verontwaardigd over het feit dat de nieuwe aanwinsten worden weggezet in de nieuwbouw aan de overkant van de Kazernestraat, ook al gebeurt dat in gesloten metalen compactuskasten. Hem was de z.g. 'tuinzaal' beloofd, het is de 'Koningskamer' geworden en het liefst wil hij alsnog naar het Museum van het Boek. Bovendien is hij bang dat de minder opmerkelijke boeken uit zijn collectie op den duur als gewone KB-boeken zullen worden behandeld. Het feit dat ook nog mevrouw S. van Eck Duymaer van Twist-Roelofs, sedert vele jaren de ziel van de collectie op de KB, per 1 april afscheid neemt en dat haar wens de catalogisering te mogen voltooien niet kan worden gehonoreerd, heeft zeker ook bijgedragen tot zijn teleurstelling. Op 30 januari 1967 verklaart Louis Koopman geen animo meer te hebben voor de collectie. Het is te vrezen dat dit, in weerwil van bemoedigende reacties, tot het einde toe zo is gebleven.

Na de dood van Louis Koopman

Na de dood van Louis Koopman op 3 november 1968 gebeurde er ogenschijnlijk niet veel. Toch was dit de periode waarin de definitieve beheersoverdracht plaats vond, zij het niet dan nadat een aantal juridische kwesties geregeld was. Er kon de eerste tijd natuurlijk geen sprake zijn van uitbreiding van de collectie. De leverantie door Caffin werd stopgezet. De samenwerking is naderhand niet meer hervat. Wat nog openstond aan rekeningen werd betaald. Een tijdperk was afgesloten, de collectie ging een nieuwe levensfase in.

Het overgrote deel van de boeken stond dus opgesteld in de KB. Het restant dat zich nog ten huize van de overledene bevond werd opgehaald en bij het hoofdgedeelte gevoegd. Het betrof onder andere twee categorieën waaraan Koopman bijzondere waarde hechtte en die een korte toelichting verdienen.

Uit het voorafgaande blijkt hoezeer de collectie Antoine - Koopman is bedoeld als een in memoriam. Louis Koopman heeft dan ook uitdrukkelijk gewild dat een integrerend onderdeel van de collectie wordt gevormd door wat in het kader van deze tentoonstelling 'de biografica' wordt genoemd: herinneringen aan Anny Antoine, maar ook, terecht, documenten die een beknopt beeld geven van zijn eigen leven.De biografica die Anny Antoine betreffen zijn brieven, foto's en andere geschreven of gedrukte getuigenissen zoals de meeste mensen bewaren, maar ook een aantal voorwerpen van uiteenlopende aard.

Boeken zijn er nauwelijks bij. We hebben gezien dat de bibliotheek van Anny Antoine de kern vormt van de collectie en tevens dat, om welke reden dan ook, een gedeelte ervan daarin niet voorkomt. Boeken van meer persoonlijke aard uit haar nalatenschap - schoolboeken, prijsboeken, een missaal, werken die van belang zijn in het licht van de relatie tussen Koopman en Antoine - hebben een plaats gevonden in een tweede categorie, de zogenaamde 'collection personnelle'. Louis Koopman plaatste daarin 'alles wat niet direct tot de Franse letterkunde behoort, maar wat in de ruimste zin des woords met literatuur verband houdt'. In het codicil bij zijn definitieve testament van 17 november 1967 formuleert hij het als volgt: 'Onder mijn collection personnelle versta ik alle voor mij belangrijke boeken, al zijn deze niet in het Frans'. Hij voorzag alle exemplaren die in zijn optiek in aanmerking kwamen voor deze afzondering, van een gedrukt etiket: Collection personnelle. Bij de uiteindelijke plaatsing is deze onderverdeling natuurlijk aangehouden.

Ook al was voortzetting van de acquisitie bij gebrek aan onmiddellijk beschikbare gelden niet meteen mogelijk, toch viel er in die tijd wel degelijk een en ander te doen. De catalogisering moest nog worden voltooid, dus wat lag meer voor de hand dan de bestaande beschrijvingen persklaar te maken en de zo begeerde gedrukte catalogus uit te brengen? Het kwam er niet van, het is er sindsdien voor geruime tijd niet van gekomen, en pas nu is de ontsluiting van de collectie Antoine - Kooman een feit. Hierboven is gesproken van juridische problemen. In zijn testament, dat op het laatst nog was gewijzigd in verband met zijn huwelijk met mevrouw S. Groen, laat Louis Koopman niet alleen zijn boeken na aan de Staat der Nederlanden, maar ook zijn vermogen, onder de last van enkele legaten, onder de naam van Fonds - Anny Antoine - Louis Koopman, met als doelstelling het in stand houden en aanvullen van zijn Franse bibliotheek. Het Rijk accepteert wel moeiteloos de boekerij, maar heeft grote aarzelingen ten aanzien van het vermogen. Het gaat hier immers om een van het overige staatsvermogen afgezonderd te houden fonds, met andere woorden staatsvermogen waarover de Staten Generaal geen zeggenschap heeft. Volgens een bepaling uit 1938 kan dat niet. Bovendien eist de fiscus zijn deel.

Door het bestaan van het eerste testament uit 1935, dat de goedkeuring van het toenmalige ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen had, bleek men de regeling uit 1938 te kunnen omzeilen. Een commissie onder voorzitterschap van de directeur van de KB werd gemachtigd het Fonds Anny Antoine - Louis Koopman te beheren namens en voor de Staat der Nederlanden, ter instandhouding en aanvulling van de collectie 'Legaat Anny Antoine - Louis Koopman'. Een en ander vond zijn beslag tussen februari 1971 en februari 1972, tevens de periode waarin de collectie schilderijen van Louis Koopman werd geveild. In het begin van 1972 bereikte een persbericht terzake de kranten. Instandhouding en aanvulling konden een aanvang nemen.De instandhouding komt in hoofdzaak neer op het laten binden van de vele gebrocheerde delen.

Aanschafbeleid 1970-1990

Spreken over aanvulling wettigt enige opmerkingen over de inhoud van de collectie zoals deze zich door toedoen van de schenker had ontwikkeld. Dit overzicht maakt geen enkele aanspraak op volledigheid.

Het gaat voor alles om een omvangrijke verzameling Franse bellettrie uit de twintigste eeuw, die we laten beginnen omstreeks 1890. In de loop van de decennia dat verzameld werd, was er steeds een sterk element van actualiteit. Ook de negentiende eeuw is present, maar vrijwel alleen in de persoon van Eugène Fromentin en van Théophile Gautier, een weinig representatieve keuze, die neerkomt op oud bezit van zowel Anny Antoine als Louis Koopman. Wat betreft de literatuur van onze eeuw zijn auteurs die men niet zou verwachten aan te treffen soms opvallend aanwezig, terwijl anderen merkwaardigerwijze (zo goed als) ontbreken. Dat kan komen door het feit dat het accent ligt op proza en speciaal op romans, en door de voorkeur van Koopman voor bibliofiele uitgaven of voor genummerde exemplaren op beter papier, al of niet met opdracht. Die waren niet altijd te krijgen. Aan de andere kant wilde hij kennelijk bepaalde schrijvers toch hebben, zodat het aantal boeken in courante editie aanzienlijk is.

Modernistische stromingen als dadaïsme en surrealisme ontbreken, ook al is een exponent van de laatste beweging als Philippe Soupault sterk vertegenwoordigd. Daaraan danken we bijvoorbeeld de zeldzame eerste druk van Les champs magnetiques (samen met André Breton). Ook typisch 'moderne' schrijvers als Blaise Cendrars en Jean Cocteau zijn prominent aanwezig.

Opvallend afwezig zijn belangrijke auteurs als Anatole France en Maurice Barrès, terwijl dat bepaald niet het geval is met Léon Bloy. Hetzelfde geldt voor de veelgelezen romanciers uit het interbellum. Wel Paul Bourget, weinig of geen René Bazin, Henry Bordeaux, Abel Hermant, Marcel Jouhandeau, Henri de Régnier. De grote cycli van Georges Duhamel, Roger Martin du Gard, Jacques de Lacretelle, Jules Romains zijn present, in tegenstelling tot de Jean Christophe van Romain Rolland en - de grootste afwezige! - Marcel Proust, wiens Recherche toch in het bezit was van Anny Antoine.

Andere categorie: de schilderachtige schrijversbent op en om Montmartre. Daarvan ontbreekt een Pierre Mac Orlan, maar Roland Dorgelès is er, evenals Francis Carco, zeer prominent zelfs. Overigens, wie Dorgelès noemt als romancier van de eerste wereldoorlog, za1 ook denken aan Henri Barbusse. Deze komt echter niet in de collectie voor. In het kielzog van Carco treft men Jean Pellerin aan; deze jonggestorven vertegenwoordiger van de 'école fantaisiste' is met verscheidene werken aanwezig, maar dan verbaast men zich over het ontbreken van Tristan Derème, een 'clubgenoot' van Carco en Pellerin en in allerlei aardige uitgaafjes verkrijgbaar.

De laatste regels betreffen vooral poëzie, een genre dat, zoals al is opgemerkt, beduidend minder is verzameld dan proza. Hetzelfde geldt voor toneel. Typische toneelschrijvers als Sacha Guitry en François de Curel ontbreken, Maurice Donnay en Georges Courteline niet, zij het dat de laatste alleen is vertegenwoordigd bij de gratie van zijn Oeuvres complètes door de interessante uitgever François Bernouard, die hierna nog ter sprake komt.

We hebben al gezien dat Louis Koopman in zijn streven naar volledigheid bij bepaalde schrijvers vrij ver ging. Hij kocht dan ook niet-literair werk als reisbeschrijvingen, essays, religieuze verhandelingen, politieke beschouwingen en vertalingen: Virgilius vertaald door Valéry of becommentarieerd door Jean Giono, Wuthering Heights vertaald door Lacretelle of Paul-Louis Courier met een voorwoord van André Maurois. Zo komt het ook dat een Daniel-Rops massaal aanwezig is: een veelzijdig scribent maar, ondanks enige romans, niet in de eerste plaats een literator. Tot het heterogene karakter van de collectie draagt ook bij de aanwezigheid van bijvoorbeeld brochures en losse nummers van tijdschriften waarin een artikel van een van de protagonisten voorkomt; zo'n aflevering wordt dan wel opgeluisterd door een opdracht. Tot slot van deze impressies nog enige losse opmerkingen. Ondanks de gedeeltelijk Belgische wortels van de collectie zijn er weinig sporen van literatuur uit dat land.

Een of twee titels van André Baillon, wat Maeterlinck, geen Verhaeren, verder nogal wat uitgaafjes van Luikse persen als À la Lampe d' Aladdin en Éditions Dynamo, met name de collectie Brimborions. Verder moet worden gezegd dat Koopman niet eenkennig was op het stuk van politiek en religie; katholiek en protestant, links en rechts staan broederlijk naast elkaar. Zo zijn na de oorlog ook Beauvoir, Camus en Sartre aan hun trekken gekomen, evenals diverse figuren als Céline (voor de oorlog al), Roger Vailland en Michel Butor. Van Raymond Queneau is er alleen Exercices de style, Yourcenar ontbreekt, evenals meer experimentele romanciers als Beckett, Blanchot, Klossowski.

Dit is in het kort de collectie Anny Antoine - Louis Koopman tot mei 1973, toen de aanschaf kon worden hervat. Gemakshalve zijn vooral enige opvallende lacunes aangegeven; voor het overige kan men ervan uitgaan dat 'alles' er is.

De vakbeheerder Romaanse taal- en letterkunde viel de taak toe in de voetsporen van Louis Koopman te treden en de collectie aan te vullen. Hij kon hierbij zijn eigen koers varen: de enige beperking die hem werd opgelegd was het bedrag dat jaarlijks beschikbaar kwam. In de periode van 1968 tot 1989 groeide de collectie van 5000 naar 7000 delen.

Het was niet interessant de aanschafpolitiek uit Koopmans laatste levensjaren voort te zetten. Ten eerste kon er geen sprake meer zijn van de gebruikelijke persoonijke opdrachten van de auteurs, ten tweede raakte de gewoonte een nieuwe roman tevens te drukken in een beperkt aantal exemplaren op speciaal papier, bestemd voor bibliofielen, snel in onbruik. Bovendien zou het erop neer komen dat de KB in het vervolg een flink gedeelte van haar aanwinsten op het gebied van de Franse roman in twee exemplaren zou bezitten, of haar normale collectie op dat punt voortaan zou moeten amputeren.

Veel aantrekkelijker was het, in eerste instantie te kiezen uit het ruime aanbod van antiquariaten en veilinghuizen in binnen- en buitenland. Dit is tot op heden de praktijk gebleven, waarbij eventuele aankopen in Nederland eerst in ogenschouw worden genomen. Het gaat hier vrijwel altijd om geïllustreerde boeken in beperkte oplage. Duidelijk is dat het paradoxale gevolg van deze manier van uitbreiding een gaandeweg conservatiever karakter van de collectie zal zijn. Ze wordt steeds meer een verzameling bellettrie in uitgaven uit de eerste helft van de twintigste eeuw; die begrenzende tijdstippen 1900 en 1950 liggen natuurlijk niet vast, zeker het tweede niet. Gebleken is echter dat het bibliofiele boek van de laatste dertig jaar òf zeer duur, òf niet mooi, òf juist zo goedkoop is dat interessante teksten voor de normale collectie van de KB kunnen worden aangeschaft. De terminus a quo 1900 voldoet in de praktijk, al zal natuurlijk een beheerder een aantal edities van Édouard Pelletan van vlak voor de eeuwwisseling niet terzijde schuiven als dat voor een spotprijs wordt aangeboden, zoals een paar jaar geleden gebeurd is. Een andere beperking is het streven alleen Franse uitgaven te kopen.

Anderzijds is er een verruiming van het scala. Er wordt veel meer poëzie en toneel aangeschaft, evenals oudere literatuur, maar dan natuurlijk wel in edities van na 1900. Verder wordt gelet op illustratoren en op uitgevers/drukkers, hoewel dit laatste aspect eigenlijk meer aandacht behoeft. De collectie Antoine - Koopman is op het gebied van typografische vernieuwing niet bijzonder gesorteerd; zonder nu direct te denken aan door verzamelaars zeer duur betaalde extravaganties, zou men wensen dat iemand als bijvoorbeeld de interessante typograaf en dichter François Bernouard beter vertegenwoordigd was. Dit voornemen meer aan typografisch belangwekkende edities uit het verleden te gaan doen hangt samen met een gevoel van onvrede omtrent het heden: er gebeurt behalve in Parijs ook vrij veel in de Franse provincie, maar het is niet eenvoudig er achter te komen of dat van belang is voor de collectie. Verder is er veelal sprake van kleine oplagen en trouwe afnemers. Maar hoe dan ook, het zal beslist de moeite waard zijn in de toekomst het aanschafbeleid gedeeltelijk te verleggen in die richting en zodoende een nieuw element toe te voegen aan de collectie.