De gedichten des Vaderlands van Ester Naomi Perquin

De vijfde Dichter des Vaderlands, Ester Naomi Perquin, schrijft op gezette tijden een Gedicht des Vaderlands voor NRC Handelsblad. Met toestemming van de auteur zijn de gedichten ook op de KB-website over Nederlandse poëzie te lezen.

© Ester Naomi Perquin

Leefwijze

(Naar aanleiding van de Nashville verklaring, NRC Handelsblad, 8 januari 2019)

Ooit was Zijn naam misschien een vredig gefluister aan de rand
van je bed, aan de rand van de nacht, een warm besef
dat in het straffeloze slapen achterbleef.

Wie lispelde je toe dat Hij vervangen moest? Wie leerde jou Hem
gaandeweg te willen zijn? Hij groeide groter in je borst.
Langzaam. Steeds breder, verder opgezwollen.

Hij kreeg je overtuigde blik, je kamervullende gelijk. Je gaf Hem
afkeer waar de liefde zat, verving Zijn humor door chagrijn.
Vormde kruisbeeld om tot zwaard van God.

Maar Hij laat zijn woord niet vangen in jouw omgekeerd gebed.
Hij kruipt niet in je harde hand, niet in je brood, je wijn.
Jouw schrift is losgezongen van Zijn wet.

Schrijf Zijn naam en zie de jouwe staan. Je eigen vrije wil.
Je uitverkoren staat. Wie god tot wapen maakt
verliest zijn schild.

Nieuw

Bij de jaarwisseling 2018-2019 (NRC Handelsblad, 2 januari 2019)

Het gaat haast altijd zo: er arriveert een glanzend jaar, bij wonder
nog onaangeraakt, als door de hand des tijds luchtdicht verpakt,
waarop geen smetje zit. Geen stip.

Je overziet het weggesleepte; leeggehaald, bekrast, over de kop gegaan.
Er kleeft vooral verlies aan, lijkt het, nutteloze doden.
Snelheidsovertredingen, kapotte onderdelen.

Als je vanaf dat wrak de rij afkijkt: de geschiedenis een stille tocht
van onmiskenbaar ferme deuken, van krakende moraal
en onverwachte breuken – een file van verhalen
over wie er voorrang had. Of nam.

De beste wensen slaan straks op de bumper stuk. De eerste kras,
de eerste deuk. Veel vliegt zich al te pletter op de voorkant
van het jaar. En kijk, daar volgt het keerpunt weer.
Glimlach. Groet. Een menselijk gebaar.

Het werd tijd

Bij het einde van de zomertijd (NRC Handelsblad, 27 oktober 2018)

Als dit de laatste keer is: doe het dan nog eenmaal goed.
Draai de klokken, stuur de uren. Vraag nog één keer
hoe het moet. Blijf lichtelijk verward. Het gaat niet
om de goede kant, maar om de stand
waarin je zelf blijft staan.

Goed, de tijd verandert, de wijzers draaien in het rood,
de wetten van het avondland tikken onze grenzen aan.
We werden slimmer met de jaren, vervingen kaars
door klik. Maar maak de dagen nog eens
lang, stapel nachtelijke uren.

Herschik. Verzet. Rek op en gooi de glazen vol. Haal de maan
en spreid de hemel uit. Laat het draaien duren. Benut elk
pril gefluit, het middagmaal, de avondkrant.

Duld een ochtendmens. Werp wekkers aan de kant en toets
je eigen tijden in. Verdrijf, vervorm, verstrijk naar
eigen wens. Draai het licht de rug toe,
slaap in schemer, waak bij gloed.

Kies je mooiste ogenblik en wacht niet tot de nacht wegtikt.
Als dit de laatste keer is; doe het dan
nog eenmaal goed.

Verklarende woordenlijst

Ter gelegenheid van Prinsjesdag 2018 (NRC Handelsblad, 18 september 2018)

Overschot: dat wat veel lijkt omdat het jarenlang te weinig was, dan wel
onterecht over is gebleven. Categorie waarbij achter ieder bedrag
een vraagteken dient geschreven.

Houdbaarheid: zicht op weidevogels, kus op straathoek, versleten theedoek
die je moeder blijft bewaren, ademhaling, pensionering vóór de dood,
geur van pasgeboren baby. Erwtensoep. Genadebrood.

Koopkracht: De kracht om niet te kopen wat zich opdringt en aanprijst,
dwars door een scherm tegen je oprijdt, de sluikreclame op je kleren,
het bordkartonnen paradijs manhaftig negeren.

Staatsschuld: Het schuldgevoel omtrent de openlijke onrechtvaardigheid
die het gevolg is van bepaald beleid. Beseffen van gedane zaken.
Soms inclusief de wens dat goed te maken.

Bodem van de schatkist: zorgvuldig uit het zicht gehouden oppervlakte
waar ons gezamenlijke goud op ligt. Eronder, waardevast,
de schittering van wat niet tastbaar is.

Methode

(Bij de verschijning van de Nederlandse vertaling van Mein Kampf) (NRC Handelsblad, 5 september 2018)

Vraag: Hoe kan een leugenaar de waarheid spreken? Antwoord: Door te zwijgen.
Door grondig te zwijgen, in alle talen te zwijgen, door dagen, weken,
jaren te zwijgen, kan een leugenaar de waarheid spreken.

Nog beter is het te sterven. Door te sterven kan het zwijgen van de leugenaar
zo lang duren dat men vergeet wat er is gezegd. Men aarzelt, stelt vragen.
Men wordt voorzichtig met de etiketten ‘goed’ en ‘slecht’.

Men vindt hem, achteraf bezien, best een beetje, men bedoelt maar.
Hij had toch ook, ieder mens tenslotte, daar kun je van leren.
Trouwens; men vertelt wat men het liefste hoort
en noemt dat dan geschiedenis.

Een leugenaar die lang zwijgt komt opnieuw ter wereld.
Verklaart, erewoord, dat hij een ander is.

Nattigheid

(Bij de aanhoudende droogte in Nederland) (NRC Handelsblad, 19 juli 2018)

Wat moeten we nu van ons landschap maken? Een akker moet van bovenaf
toch zichtbaar zijn maar alles is al lang vergeeld, vervaagd. Het veld,
de zoom, het gras, de bomen – bij de losplaats van de supermarkt
zullen de wagens komen. Kisten vol stofvormig fruit,
verpulverde slierten, draden, knollen.

Aardappels koken in de aarde droog. Vlees blijft stollen. De tijd wordt kaal.
De zon een bloeddoorlopen, starend oog dat onkruid brandt over
de godverlaten wegen. Een hark buigt langzaam krom.
Een hondentong plakt piepend vast
aan heet metaal.

De sloot spuugt gaargekookte eenden uit. Onzichtbaar leven stinkt en
woekert aan de kant. En vannacht staan de boeren op, sjouwen
langs akkers, houden de zonsopkomst tegen - bidden
tegen statistieken in. Grote weerman, aarde die
ons kostbaar is, geef ons heden regen

Wet

(Bij de Dodenherdenking, 4 mei) (NRC Handelsblad), 4 mei 2018)

Nu men over stilte bijna niets meer heeft te zeggen, het onderzoek
is afgerond, wereldwijd filosofen, psychologen, geologen
en de gewone man twijfelen aan het bestaan ervan

nu alles klinkt en piept, raast en knaagt, men naar buitenlandse
bergen moet of nachtelijke hei, naar binnenmeren,
buitenwijken, we nooit meer raken uitgepraat,
nooit meer tot bedaren komen -

Nu wat ons rest te klein wordt om onze doden in te passen,
kan men hooguit géén antwoord geven. Komma’s sparen.
Witregels verzamelen. Stillevens. Pauzes. Hapering.

Eén wet blijft altijd ongeschonden. Ter bescherming.
Vóór de stilte valt kan men iets zeggen. Of er na.
Maar nooit er midden in.

Staat

(Bij de gemeenteraadsverkiezingen) (NRC Handelsblad), 21 maart 2018)

Verlos ons van de hooligans, het brullen in de straten. Van treinen die niet rijden
en van de themaweek. Van volledig automatisch doorgeladen haten,
de liegende politicus. De koffie en de cake.

Verlos ons van vergunningen en van ons welvaartsvet. Pyjamadag. Bejaardenflat.
Van het burgerbijstandsteam en vaste inlooptijden. Van hoofddoekvrees,
van religieus besnijden. Van lange rijen op Schiphol,

de aanklampmails van goede doelen. Van posterhoofden, viltstifttrekkers,
peervormigheid en sta-op-stoelen. Van aftapping en pseudovraag.
Van mensen die mijn land zeggen en hun buurt bedoelen.

Van dertig soorten pindakaas en zestig soorten brood. Van sushibar,
vuurwerkshow en dansen na de dood. Verlos ons van de bontkraag
en van de kansenwijken. Van kaas met plastic randen

en van speelgoed voor de rijken. Van voorlichting met aardbeismaak.
Digitaliseren. Van witgewassen auto’s die je nergens kunt parkeren.
Van optimisme, beeldschermliefde, hypnotherapie.

Van de Hitler-vergelijking en de rok over de knie. Van Facebookrel,
begrotingsfout, van dreigen met de hel. Van de weekheid
der nuance en de domheid van het geld.

Van vegasnack en suikertaks. Van metrolijn en brekend steen.
Van ingevlogen superfruit. Van hoogbegaafdheid in groep 1.
Van kleuren voor volwassenen en kinderen die roken.

Van mantelzorg en schuldgevoel. Van balancerend koken. Van cowboys,
indianen, van speelgoedactivisme en studerende vandalen.
Van steeds gekwetste zielen. Van stropdaspolemiek.

Van alle holle vragen op de labels aan de thee. Van twitterpolitiek
en ijsbeertjes op zee. Van vragenuur. Van kast, van muur,
van doeners die niets blijvends meer bedenken.

Van denkers die wel weten maar niet doen. Van alle rare woorden
en hun nutteloze schrijvers. Van standbeeldangst en valse roem.
Verlos ons van de goddelozen en de predikanten.

Van thuiscompost en CO2. Van lekker tegen-alles, lekker voor-me-eigen.
Van kankerroepers, tegelfluimers. Sissers, graaiers, hijgers. Verlos ons
van parkeerbeleid, de taart met genderkleur,

de wachtmuziek, het supermarkthumeur. Van fietsendief, van festivals
en van reclameborden. Van dichte mist. Van verre pijn. Middenweg
en polderleed. Quinoasnorren. Sportschoolzweet.

Van jezelf te moeten zijn. Verlos ons van de hypotheek. Verlos ons
van de huur. Van jonge boerendochters, comazuipend
in een schuur. Verlos ons van de meerderheid.

De eenzaamheid. Het zaad. De varkenskop, de knuffelploeg, de knieval
voor de haat. Verlos ons van de meningen en van het stemlokaal.
Van privacy. Van ironie. Verlos ons allemaal.

Bloem

(Bij de opnening van de Boekenweek op het thema 'natuur') (NRC Handelsblad, 9 maart 2018)

Natuur is voor tevredenen of legen.
Uitzicht waarbij geen uitleg nodig is.
Een aaibaar lapje vlees noch vis
waarlangs we ons gewapend voortbewegen.

Haast alle herten zijn van pluche gemaakt,
de goudvis zwemt de kinderkamer rond
en zelfs de stijf bevroren wintergrond
blijkt roomijs, met bastognesmaak.

Zelf vielen we tevoorschijn uit een boek,
bedachten de grenzen en tekenden kaarten,
kweekten rokerslongen, paardenstaarten,
de ongeslachtelijke onderbroek.

De evolutie is ons goed gezind geweest,
God heeft ons ingeënt tegen verdwalen.
Achter de hekken van onze verhalen
zijn wij het gezegendste beest.

Stemming

(Bij de behandeling van de Donorwet door de Eerste Kamer) (NRC Handelsblad, 13 februari 2018)

Stel dat je ergens wacht. Je ligt, trekt taaie slierten van de dag.
Bewoont een onbewoonbaar eiland van lakens en lysol.
Een lichaam dat nog ademhaalt.

En steeds wanneer men je gordijnen openschuift hetzelfde zicht
op jonge bomen, een drukbezocht parkeerterrein,
de loden wolken voor het raam.

Je blik loopt vol. Je kunt geen daglicht meer verstaan. Dat ruisen
is de wind niet, dat is een apparaat.

Juist wie stilligt weet dat alles kraakt. Je naam een touwbrug
over het ravijn, je hart een oude opwindaap
die moeizaam op de trommel slaat.

Stel, de redding is een stem. Een klinkend voor of tegen.
Toeval regeert met onverschilligheid. Of je nu blijft
of gaat, ons is het om het even.

In deze benen leerde niemand anders lopen, met deze ogen
niemand anders zien. Dit hart, deze nieren. Deze
schitterende longen, lever. Deze zee van tijd. Van mij, van mij.

Over het effect van poëzie

(Gedichtendag 2018) (NRC Handelsblad, 25 januari 2018)

Mijn zoon leert taal voor over zee. Hij worstelt met een t die klinkt
alsof hij er niet is. ‘Ik slis,’ zegt hij, ‘maar dat is niet zo erg
in het begin.’

Omdat ik van hem hou krijg ik hem zo te zien, vers gedolven taal,
moeizaam slalommend om zijn grotemensentanden,
een jongen uit een ander land.

Als ik huil, huil ik niet om hem. Niet om zijn uitspraak, de restjes
verwarring in zijn hoofd over Engeland en engelen,
niet eens om zijn onzekerheid.

Als ik huil is het omdat hij vraagt, aan zijn volwassen, iets te dikke
en weinig elegante moeder, terwijl hij er de meest oprechte
belangstelling in legt: ‘Do you want to be a ballet dancer?

En mam? Weet je wat ik heb gezegd?’

Schaderapport

(Bij de westerstorm die op 18 januari 2018 over Nederland trok) (NRC Handelsblad, 19 januari 2018)

Er is een eendagsgod ontwaakt. Hij kent misschien
zijn eindigheid, zijn eigen haast. Men geeft
elkaar advies en zet zich schrap.
Dit is zijn dag. Zijn kans. De kleine chaos trilt al
in zijn hand, de zweep die suist en straft.
Hij blaast kolossen van de weg, licht daken op,
slaat bomen om. Hij spot met zwaartekracht
en werkdag – geen muur, geen ruit,
geen fietser houdt hem tegen.
Er nadert evenveel rotzooi als kaalslag, leegte.
Soms kijkt men op en schreeuwt
tegen het razen in.
Het heeft, goddank, geen zin. Niets is van ons.
We knielen neer en vegen onze straten
tot de plek waar, uren later,
alles tot bedaren komt

Een of andere hoek

(Aan de vooravond van Sinterklaasavond 2017) (NRC Handelsblad, 2/3 december 2017)

De wereld was één huis, wat straten en de buren. De dagen
gingen traag. Je telde af. Kruiste wensen in de folders aan
alsof je invloed had. Wie de koek krijgt, wie de gard.

Soms zocht je naar een hint, naar pakjes in de voorraadkast.
Je trof er nooit iets aan. Je moeder maakte
chocolademelk uit lege dozen.

Je grote broer gebruikte woorden die niet mochten, noemde dat
gedichten. Er liep een spoor van plakband door het huis.
Briefjes met ‘verboden hier te komen’.

Je zag je moeder, in de keuken, rekeningen tellen. Huur, gas.
Te kleine winterjas, broek met lapjes. Een chocolade Piet,
afgeprijsd, omdat ’ie al gebroken was.

Straks, dacht je, staat de rijkdom op ons dak. Een vriend
waarin je bleef geloven. Een sterk verhaal dat zelfs
je grote broer niet had verpest.

De geur van jute. Alles begon. De maan scheen ook bij jullie
door de bomen, net zo groot als bij de rest.
Je zong zo hard je kon.

Ik kreeg een kind te leen

(Over de week van de Pleegzorg) (NRC Handelsblad en Twitter, 1 november 2017)

Ik kreeg een kind te leen en wilde ervoor zorgen. Maar het kind
smeet met bestek, met gore woorden. Het had geen lichaam
dat aan armen was gewend. Ik smeerde brood dat het
niet wilde eten, het huilde 's nachts.

Ik kreeg een kind te leen. Het was nog niets vergeten. Soms schoot een visje van een glimlach langs, een flard bestaan dat het
nooit had gekend. Niet echt. Het raakte voorzichtig
gewend, groeide in mijn vreemde kamers.
Zong een liedje. Liep niet weg.

Ik kreeg een kind te leen en wilde ervoor zorgen. Soms mocht ik
kusjes geven als het pijn had. Meestal niet. Dan zweeg het lang,
alsof het weg was. Soms vroeg het kind waar het zou blijven.
Het schopte ergens tegen, gooide glazen in
of maakte speelgoed stuk.

Ik kreeg een kind te leen. Het zou me zoveel geven
dat ik bijna omviel. En ik noemde dat: geluk.

[Over Anne Faber]

(Bij de moord op Anne Faber) (NRC Handelsblad, 12 oktober 2017)

Haar gezicht hebben we gezien. Haar gezicht in het vergelende zwartwit van de krant, op koele schermen waarop straks weer een autorace, een hond die kunstjes doet, iemand die insecten eet.

Haar naam hebben we gehoord. Hoe iemand het zonlicht de hemel uit liet vallen, de tijd wegsneed. Hoe dagen werden weggestreept uit een lange lijst van dagen.

Ook een vreemde breekt, een vreemde snakt naar adem, een land vol onvermoede vreemden zit verbeten naar het nieuws te staren.

Toon gezichten die zomaar gezichten waren, noem de namen die zomaar namen waren, vertel de levens die vreemde levens zijn geweest. Er valt niets los te laten.

Nu ze bestaan, bestaan ze steeds en hun hartslag klinkt diep in onze kamers, huizen, straten. Zo klinkt onze tijd. Het machteloze bonzen van wat achterblijft.

Lowlands

(Ter gelegenheid van 25 jaar Lowlands, 4 oktober 2017)

In het begin was er dit: een zee van groeiend gras, een horizon
te lang om te vertellen, een onbetrouwbare lucht. Vogels,
zeggen ze, vlogen hier soms plotseling op
alsof er op ze werd geschoten –

Er was een feest dat niemand had om het te vieren. Er was muziek
op zoek naar oren, een massa naar volledigheid. Er was
nat gras en zwarte, omgewoelde aarde die
niemand nog naar boven haalde.

Elke grote schepping is begonnen met een misverstand. Je trekt
je polsband om op het papier en noemt het: een wereld
in je hand. En dan? De Lowlander vermenigvuldigt
wat hij vindt: het dreunen van een bas, armen
in de lucht, een stem die zingt.

Er komt een tijdperk voort uit een begin. Je plant een haring
en je oogst er negen. Je rolt een slaapzak uit en treft er
anderen in aan. Je deelt zonder vragen je biertje,
je liefde, je zaklamp, je naam.

Dit is nu de hemel, zeggen ze. Er is geen dak. Zonlicht valt er
door het tentdoek heen en zelfs ’s nachts hoor je niet
hoe leeg het was: de horizon, het gras, de lucht.

Het blijft hier licht terwijl het feest zich viert en kijk:
wie er geweest is blijft er deel van, wie hier
ooit wegging komt weer terug.

[Voor alle geweldige leraren die we hebben in dit land. (En ook een beetje voor alle geweldige kinderen).]

(Bij de aangekondigde lerarenstaking) (NRC Handelsblad, 3 oktober 2017)

Op televisie zegt een meneer dat er niet zoveel geld is
voor meesters en juffen. En ik weet niet of hij liegt
maar hij kijkt wel een beetje vies, alsof hij
een bord vol beestjes leeg moet eten.

Er zijn veel mensen bij, met camera’s. Ze willen dingen weten.
Ze praten over investeren, over de toekomst van het leren
en ze vragen of hij weet wat domheid kost.
De meeste klinken nogal boos.

En die meneer krijgt rode wangen, zijn stem raakt langzaam
in de knoop, ze vragen steeds maar dingen waar hij
geen antwoorden op heeft. Ze zeggen dat hij geld
in mooie woorden heeft gestopt. Slecht heeft opgelet.
Dat zijn rekensom niet klopt.

Hij zegt iets en stopt en zegt iets en stopt.
Zijn zinnen vallen steeds kapot. En ik weet hoe dat is:
als je iets graag wil zeggen maar je hoofd het vertikt.
Dan komt er niets meer. Ik vind het
wel zielig voor die meneer.

Daarom mag hij morgen best mijn meester lenen.
Want die kan hem leren hoe dat moet:
eerst goed denken, dan goed delen.

Een bos

(Bij de herdenking van MH17, 17 juli 2017)

Wat je kunt: een boom planten in omgewoelde aarde, zien hoe de takken
naar de hemel reiken. Zon. Maan. De hemel die je zelf ooit hebt
vervloekt. Een zomerdag begraven. Door de tijd heen kijken.

Onder de boom staan als het waait, weten waarvoor te weinig woorden zijn.
Te weinig handen. Denken. Water geven. Zien hoe de stammen
langzaam dikker worden, het leven zich een uitweg bloeit.

Hoe ieder voorjaar weer het blad, ieder najaar weer het vallen. Hoe weinig
blijft staan. Hoeveel. Onder die bast de cirkeling van zonderjaren,
ring na ring woedend opgeruimde of intact gelaten kamers,
onthouden gedachten, de lach, de verhalen.

Wat je weet: onder de grond groeit een wirwar van lopers en draden,
vormen een netwerk van minieme signalen, tasten over en weer –
men hecht onzichtbaar aan elkaar, vloeit samen.
Er is niets meer. Er is alles. In de takken hangt de zon, de maan.
Alle bomen dragen namen. En ze groeien. Ze groeien.
Van kruin tot wortels trillend van bestaan.

Latere mensen

(Bij de Dodenherdenking en voor Bevrijdingsdag) (NRC Handelsblad, 4 mei 2017)

Ze waren er niet toen de grenzen vielen, toen het vuur ‘s nachts,
toen kinderen soldaten werden en je in hun ogen zag
hoeveel marcheren op begraven leek.

Toen de ontploffing haast iedereen omhelsde, verduisterende as,
de armen om elkaar geslagen, bezig aan een droom waarin
elk kind nog vleugels had. Niet toen de halve stad
neerkwam en steeds dezelfde namen klonken,
sleets al van vergeefse moeite.

Toen de ratelende tanks met de vierkante mannen, toen de wind niet meer ging liggen en elke boom, alsof hij weg wilde lopen, zijn wortels naar boven bewoog. Toen de bliksem kwam, de kanteling die alles verschoof, het stampen van laarzen, sprinkhanend geknaag.

Ze kwamen toen alles al was opgeruimd, bijgelegd en
ingekleurd. Toen alles was gemaakt en iedereen
begraven. Er was niemand om te vragen
wat er was gebeurd.

Ze kwamen na de helft. In gouden tijden.
Er was niemand om hen te benijden.
Behalve, af en toe, zijzelf.

Onze geschiedenis

(Ter gelegenheid van de Boekenweek met het thema 'Verboden vruchten', voorgelezen in 'VPRO Boeken', 26 maart 2017) (NRC Handelsblad, 28 maart 2017)

Je kunt je de dagen niet voorstellen, in zo’n hof. De dagen.
De gang van trage kuddedieren, de leeuw altijd kalm
naast het lam. Dof getok, schor gekakel.

Geritsel dat maar voort bleef duren, als het stromen
van een volkomen droge rivier. Steeds die gapende,
eindeloze uren. Het verlangen naar elders
beving ons, nam zienderogen toe.

Latere mensen spraken graag over God, zijn hof
als snijvlak van ruimte en onbegrensde tijd.
Maar voor ons was hij vooral begrenzing,
gebodsbord, overheid.

Wij staarden almaar voor ons uit, wij hadden geen verhaal.
Voor welke zonde was dat onze straf? Wij vroegen beleefd
om verlichting, verbeelding. Gedichten desnoods;
we oogstten gelach.

Er moest een uitgang zijn. Wij lagen wakker ’s nachts en
streepten opties weg. Een gat in de grond, een muur,
een hek. Maar uit wat volkomen lijkt
kom je niet meer weg.

Uiteindelijk begrepen we het allebei: het antwoord was
ons óók door God gewezen. We klommen omhoog,
betaalden de slang. Een vooraf vastgestelde prijs.

En eenmaal boven plukten we gretig, braken de ruggen
en sloegen toen open: ieder woord dat we lazen
was valluik, uittocht, paradijs.

Ongevraagd advies

(In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017) (NRC Handelsblad, 9 maart 2017)

Geef het land aan wie het weet te liggen: prachtig
onder zeeniveau, midden in het paradijs.

Geef het de manken, de blinden, de stamelaars
en slissers. De zwijgers.

Geef het de oude man die 's ochtends vroeg gaat vissen,
alleen om zijn vrouw te ontlopen – wij zijn ook
die man, die vrouw, wij zijn ook die vissen.

Geef het de vrouw die kinderen leert: neem zebra's te voet,
sla terug als je geslagen wordt, zorg altijd voor je hond.

Geef het wie er weg wil maar het niet kan missen.
Wie blijft. Wie grenzen kent, de scheve gevels
en de aarde. Wie niets van aangepaste prijzen weet
maar wel van actuele waarde. Schrik niet.

Breek het schreeuwen open, kijk: ook daar zitten wij,
schouder aan schouder om het vuur, grommend
en hoopvol. Te wachten. Te staren.

Geef het land aan wie het ternauwernood maar stralend
vast zal houden, geef het wie het amper past.

Kijk verder dan de meest geplakte posters, negeer
de zachtste woorden, de wanen en de lach –
geef je land, je stad, je tijd uit handen.

Maar geef één stem weg.
Nooit de macht.

Dick Bruna (1927-2017)

(Bij de dood van kunstenaar Dick Bruna) (NRC Handelsblad, 19 februari 2017)

er zijn maar weinig hoofden
waarin niet ergens achteraan
een boek ligt opgeslagen
van nijntje met een traan

soms was nijn zelfs het eerste
dat je begreep van een gedicht
twee stippen werden ogen
de taal werd kort en licht

groots is voor klein te maken
een woord, een klare lijn
de hele wereld in een blik:
dag lieve vader nijn

Nurture

(Bij de aankondiging door Staatssecretaris Klaas Dijkhoff (Veiligheid en Justitie, VVD) van een proef om met biologische metingen verklaringen voor criminaliteit bij jongeren te vinden) (NRC Handelsblad, 3 februari 2017)

Wat ons ook heeft bezield, de laatste dertig jaar,
de grote sleutel was het niet. We raakten
gaandeweg het punt voorbij waarop we dachten
goed te zijn. Mits flink geschoold en
opgevoed, mits warm toegesproken.

Elders werd geschooierd en gedoold - wij koesterden
ons nageslacht. En toch; wat moest er met dat
trouweloze roofdier in de borst, dat grommen
in de kop, die hele onvoorspelbare chemie
van hoofd en hart? Er bleef iets hijgen, het porren
van een wolvensnuit – soms leek hij verdwenen,
soms stak ineens een plukje vacht
tussen de onderzoeken uit.

En nu? Weer werden twijfels toegevoegd,
liggen terreinen braak. Daar zit je mooi
met je preventie, je strafmaat
en je muur.

Lege cellen; horror vacui –
hier woekert de natuur.