De gedichten van Hester Knibbe, 2000-2009

M'n onverwisselbare kop (2001)

In 2001 ontving Hester Knibbe de Anna Blamanprijs voor haar hele oeuvre. Ter gelegenheid hiervan verscheen de bundel M’n onverwisselbare kop, met vijf gedichten die Knibbe schreef bij zelfportretten van Rembrandt. Deze werd later opgenomen in de verzamelbundel Oogsteen (2009).

Hier profileert zich de exoot
in mij. Een poedel aan mijn voeten, nee
geen vrouw: ik ben de sultan van

de hondentrouw. Maar toch, terwijl
mijn borst zich breed maakt onder dik
fluweel en zijde glanzend plooit rond
buik en kont, een tulband op m’n kop mij
wat meer lengte geeft, hoor ik
het giechelende ruisen van
de rokken.

(p. 7)

Rembrandt, ‘Zelfportret in oosterse kledij met poedel’ (1631-1633)
Rembrandt, ‘Zelfportret in oosterse kledij met poedel’ (1631-1633)

Rembrandt, ‘Zelfportret in oosterse kledij met poedel’ (1631-1633) (Bron: Wikimedia)

Hester Knibbe, M'n onverwisselbare kop (2001)
Hester Knibbe, M'n onverwisselbare kop (2001)

Hester Knibbe, M'n onverwisselbare kop (2001)

Hester Knibbe, Verstoorde grond (2002)
Hester Knibbe, Verstoorde grond (2002)

Hester Knibbe, Verstoorde grond (2002)

Verstoorde grond (2002)

In 2002 publiceerde Hester Knibbe een nieuwe reguliere bundel: Verstoorde grond. Deze sluit aan bij de reeks ‘Antidood’ in Een dunne duurzaamheid. Ook deze gedichten gaan over rouw en verlies. Op subtiele wijze mengt Knibbe haar persoonlijk leven in haar werk, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Psalm 4631’:

In mijn nood roep ik
niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel
zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen

verleerd. Laat de eik maar kreunen
en klagen om blad dat voortijdig
te grond, de tak van zijn stam

afgerukt, laat mij woordeloos
staan in zijn schaduw. Laat

mijn zwijgen niet klein en gebukt
zijn maar waardig en hoog
en breed als de kroon van de boom

nu zijn wortels en stilte zich
hechten aan hem en alle gebed
wordt gesmoord in de aarde.

(p. 39)

Je hoeft niets te weten van Knibbes persoonlijke leven om dit gedicht te kunnen begrijpen en het gaat ook niet expliciet over persoonlijk verdriet. Maar in een interview met Marjoleine de Vos (NRC Handelsblad, 2 augustus 2002) wees Knibbe er wel op dat het nummer 4631 niet willekeurig gekozen is, maar voor haar een bijzondere betekenis heeft. Dit is namelijk het grafnummer van haar zoon, die op negenentwintigjarige leeftijd stierf aan de gevolgen van een hersentumor. Het persoonlijke wordt toegelaten in de gedichten in de bundel, maar zelden zo expliciet als hier. De ouder-kindrelatie is een terugkerend thema. Zo schrijft Knibbe over klassieke duo’s zoals Persephone en Demeter of Icarus en Daedalus, maar ook een stenen beeld van moeder-en-kind kan de aanleiding zijn tot een gedicht. Of, zoals in ‘Het boek’, een schilderij van moeder Maria met het kindje Jezus:

Zwerfmotief (2006)

Zwerfmotief verscheen in de Slibreeks, een uitgave van Centrum Beeldende kunst Zeeland. Vaak worden enkele of alle gedichten uit een bibliofiele uitgave opgenomen in een latere reguliere bundel, maar bij Zwerfmotief is dit niet het geval. Geen van de gedichten komt voor in een andere bundel.

In Zwerfmotief staat een foto die afkomstig is uit het familiealbum van Hester Knibbe, waarop haar grootmoeder en oudste zus te zien zijn. Hierover gaat het tweedelige gedicht ‘Portret in klederdracht’:

1
De trekken heb ik van de vrouw, maar niet
de kap die ze heeft afgezet, het jak niet, niet
de rok die tot haar hakken reikt.

Haar mond streept in mijn mond, m’n ogen
passen in haar kassen, jukbeen en kaaklijn
vallen samen met de mijne en ook

haar handen sluiten om mijn handen. En ik
haar beeld en positief, neem zelfs
het zwarte van haar dracht voor lief

in broek en trui. Onder haar uiterlijk
dat past bij plaats en tijd, vermoed ik
streken van mijn lijf: dat ondanks

alle lagen om de huid er iets doorheen
kruipt dat maar niet te rijmen valt
met ademen, het eigen.
(p. 14)

In het gedicht kijkt de ‘ik’ naar het portret van de vrouw met het kind en herkent zichzelf in de vrouw. Ze ziet in de trekken van haar gezicht haar eigen gezicht terug. Heden en verleden lijken hierdoor samen te vallen. Naast de overeenkomsten, zijn er ook verschillen, met name in de kleding. De klederdracht met jak en lange rok op de foto lijkt niet op een broek met trui. Hiermee wordt een verschil in tijd uitgedrukt, het uiterlijk van de vrouw ‘past bij plaats en tijd’ toen, maar niet meer bij de tegenwoordige tijd. Zo komen heden en verleden toch niet helemaal overeen.

Portret, in: Hester Knibbe, Zwerfmotief (2006)
Portret, in: Hester Knibbe, Zwerfmotief (2006)

Portet, in: Hester Knibbe, Zwerfmotief (2006)

Hester Knibbe, Zwerfmotief (2006)
Hester Knibbe, Zwerfmotief (2006)

Hester Knibbe, Zwerfmotief (2006)

Bedrieglijke dagen (2008)

In 2008 voegde Knibbe Bedrieglijke dagen toe aan haar oeuvre. Het gedicht ‘Het begon die dag met zoveel’ en het eerste deel van het gedicht ‘Buon giorno’ verschenen in 2007 samen als de bibliofiele uitgave Caran d’Ache (Mercator Press, Zandvoort). Bedrieglijke dagen bestaat uit vijf afdelingen, daarnaast opent en eindigt de bundel met een op zichzelf staand gedicht.

Knibbe is opgegroeid in een christelijk milieu en sporen hiervan zijn terug te vinden in haar gedichten. In eerdere bundels was dit vaak in de vorm van subtiele verwijzingen naar Bijbelverhalen of door het schrijven over een kunstwerk van een Bijbels figuur. In Bedrieglijke dagen gaat het voor het eerst veel explicieter over het geloof, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Visser op zondag’:

De platte pet voor het gelaat boog hij
het hoofd en bad. En iedereen die ogen had
kon zien dat hij deemoedig was en bijbel-
vast: een man op zee wanneer zwaar weer
het voor het zeggen heeft. Visser

maar zonder net zoals hij daar gevangen
zat, verweerde nek in krappe boord
geperst: zijn God en Kerk, zijn Ark, de rest
slechts werelds, vol verderf, zwart water dat je
meesleurt naar een hellegraf. Het orgel gaf

in langzame cadans de treurmars aan waarop
elk leven eindwaarts snelt. Gekweld vrat hij
de tale Kanaäns en gooide alle trossen los
bij ’t woeden van de psalmen: geloofd zij
God, Gebed en Tegenslag! Kind voor zijn
Aangezicht, de dag des Heeren alweer bijna zat.

(p. 27)

In het gedicht wordt geschreven over een visser, een zwaar gelovig man, en hoe hij op zondag in de kerk zit. ‘Die vissers ken ik uit mijn jeugd’, zegt Knibbe in een interview, ‘Ik bracht liever mijn zondag door als bader.’ (Poëziekrant, september 2008). De bader zien we in het volgende gedicht uit de bundel ‘Bader op zondag’:

Er was een zee, daarin stond een man
en hij las. Hij knakte het boek bijna open, letters
richting zon en ogen. Water

likte zijn kruis, buik erboven sprak
boekdelen welvaart: veelvraat die vrat
van twee wallen, schraapte zijn bord
leeg en ook het onderste nog

uit de pannen en net zo verslond hij
bladzij na bladzij, maalde daarvan
achter zijn baard en onder het assig
restant van zijn hoofdhaar een nieuwe

gedachte of een kleine
geschiedenis. Terwijl hij stap
voor stap de zee wat opzij schoof.

(p. 28)

Door de vergelijkbare titels staan ‘Visser op zondag’ en ‘Bader op zondag’ met elkaar in verband. Bovendien speelt water in beide gedichten een rol. De twee mannen lijken sterk van elkaar te verschillen: de visser zit op zondag in de kerk en bidt, terwijl de bader op zondag naar zee gaat en leest. Over de visser wordt geschreven dat hij Bijbelvast is. Dat contrasteert met de bader die zijn boek open knakt en bladzijden verslindt. Ook in de beschrijvingen van het water komt verschil naar voren: de visser associeert water met ‘zwaar weer’ en ‘zwart water dat je meesleurt naar een hellegraf’, terwijl de bader rustig in de zee staat en het water opzij schuift.

Hester Knibbe, Bedrieglijke dagen (2008)

Hester Knibbe, Bedrieglijke dagen (2008)

De laatste afdeling van de bundel heet ‘Memento’ en is opgedragen aan Knibbes moeder, die bijna honderd jaar is geworden. ‘Memento’ bestaat uit zeven gedichten, die geschreven zijn vanuit het perspectief van de moeder in haar laatste dagen:

5
Waar blijft de tijd, er is iets
niet in orde want de klok die slaat maar
één en één en één en eject stop en toch
ze zeggen dat het avond is de koffie
koud wordt, drink uw thee op of
dat het ontbijt er is. Er is iets

mis, de middag is een groot
verlies, hij was van mij, een soort
valies met mijn bagage. En nu
ik zie hem niet, de klok die slaat maar één
en één en één en eject stop ik hoor
het niet. Ze stelen botweg al mijn tijd.
Ik doe de deur op slot.

(p. 61)

De moeder is blind en heeft een klok met een stem die de tijd vertelt wanneer je erop tikt. In het gedicht is de moeder in de veronderstelling dat ze op de klok tikt, maar in werkelijkheid drukt ze op de knoppen van de cd-speler. De herhaling in het gedicht doet vermoeden dat de fout niet alleen het gevolg is van slecht zicht, maar ook van verwarring. De moeder begrijpt niet dat dit geluiden zijn die horen bij de cd-speler en blijft op het apparaat drukken. De woorden ‘eject en stop’ kunnen ook symbolisch gelezen worden voor het punt waarop de moeder zich bevindt, het naderende einde van haar leven.