De gedichten van Hester Knibbe, vanaf 2010

Het hebben van schaduw (2011)

Het hebben van schaduw bestaat uit drie afdelingen: ‘Het hebben van tijd’, ‘Het hebben van plaats’ en ‘Het hebben van schaduw’. In deze bundel is ook het gedicht ‘Waterstraat’ opgenomen. Knibbe schreef dit gedicht voor de bundel Met eigen stem (2010), waarvoor vijf Rotterdamse dichters een gedicht schreven ter ere van het 150-jarig bestaan van het oudste schrijversstandbeeld van Nederland: het beeld van Hendrik Tollens in Rotterdam.

Standbeeld Tollens, Rotterdam (1860)

Standbeeld Tollens. In: Het Park, Rotterdam (1860) (Bron: Wikimedia)

De eerste afdeling heet ‘Het hebben van tijd’. Hierbij kan je denken aan een alledaagse uitdrukking als 'heb je even tijd?' Tijd is echter relatief, het is voortdurend in beweging en niet iets wat je kunt vasthouden of bezitten. Knibbe speelt hiermee in de eerste afdeling, bijvoorbeeld in het gedicht ‘De kunst van het liggen’:

Men herkent een geest aan zijn voeten,
zei Baba, en groef een graf voor zichzelf
pal naast zijn liefste die daar al lag.

Van overal kwamen ze kijken hoe Baba
elke middag over de rand wipte, ging liggen
om dichter bij haar en daar met open ogen
naar het vliegen van vogels
(p. 15)

Wanneer iemand sterft, betekent dat een definitief einde van een leven, maar het leven in het algemeen blijft doorgaan. In het gedicht klimt een levend iemand iedere middag in zijn eigen graf om dichter bij zijn overleden geliefde te zijn. Knibbe combineert zo het definitieve einde van de dood met de voortgang van het leven nadat iemand is overleden.

De tweede afdeling heet ‘Het hebben van plaats’. In de eerste afdeling liet Knibbe zien dat tijd relatief kan zijn en hier beschrijft ze hoe ook een plaats relatief kan zijn. Hoe iemand een ruimte ziet en beleeft, bepaalt namelijk hoe die ruimte er in zijn ogen uitziet. Dit verschilt per waarnemer. Dit komt naar voren in de cyclus ‘Zintuiglijk’:

Zeg wat je ziet, zei de blinde.

Ik zie ik zie het gewone: verstrooiing
die blauw heet, wolken en vogels ertegen, dus
ook wat drijven, vliegen en wendbaarheid is.

(p. 36)

De ziende beschrijft de lucht, en noemt die ‘het gewone’. Dit lijkt een vreemde woordkeuze om iets te beschrijven aan een blinde, want alles wat mensen zien, is voor een blinde ongewoon. In het tweede gedicht zijn de rollen omgedraaid:

En jij? vroeg de ziende.

Kleur kun je niet zien met je vingers ook al heb je
de namen geleerd, zelfs schaduw blijft een koele
abstractie.

(p. 37)

De ziende vertelde over het blauw van de lucht, maar de blinde kijkt met zijn vingers in plaats van met zijn ogen. Hierdoor zal hij nooit weten hoe dit blauw er precies uitziet. Dit hoeft echter niet te betekenen dat hij niet weet wat de lucht is. De ziende en de blinde kijken op hun eigen manier naar dezelfde plaats en hebben er hun eigen voorstelling van.

Leeftocht (2015)

De bundel Leeftocht is deel elf in de reeks Dialogen, verschenen bij Atalanta Pers. In de bundel worden gedichten van Hester Knibbe afgewisseld met die van de Vlaamse dichteres Miriam Van hee. Zij gaan dus in de bundel met elkaar in dialoog. Het onderwerp van gesprek is reizen:

We waren zomernomaden, namen
de kinderen mee die uitbundig zongen en
vochten terwijl we de grens overtrokken

(HK, p. 7)

De zomer is voor velen het moment om op reis te gaan. In dit gedicht omschrijft Knibbe de reizigers dan ook als ‘zomernomaden’. Door te schrijven over kinderen die zingen en vechten, roept Knibbe een beeld op van een gezin in de auto op vakantie, met de luidruchtige kinderen op de achterbank. Als nomaden die met hun hele hebben en houwen rondtrekken. Het reizen en het onderweg zijn, staan hier centraal. In een ander gedicht uit de bundel maakt Knibbe een vergelijking tussen de reis en de bestemming:

Je schreef eens: ‘Misschien betreffen de jouwe
het reizen, de mijne bestemming’. Dacht: is het
dát, versta jij de vrede van verblijf, ik de onrustige

trek in het lijf? Of blijkt het tenslotte hetzelfde, gaan
wij beiden op pad om voor even onthecht
aan gewoonte en afspraak het kleine
verlies aan vastheid te kennen?

(HK, p. 11)

In dit gedicht gaat het om de vraag: waarom reizen mensen? Wat is het dat reizen aantrekkelijk maakt? Voor de een kan het reizen zelf een reden zijn om op pad te gaan, terwijl het voor een ander voornamelijk om de uiteindelijke bestemming draait. Het schrijven van een gedicht kan vergeleken worden met het maken van een reis. Dichters kunnen ook verschillende redenen hebben om te dichten. De bestemming is in dat geval het uiteindelijke gedicht en de reis is het schrijfproces.

Requiem voor een stad (2015)

Hester Knibbe, 'Requiem voor een stad' (2015)

Oogsteen (2016)

In 2016 vierde Knibbe 35 jaar dichterschap. Voor deze gelegenheid verscheen een heruitgave van de verzamelbundel Oogsteen (2009). In de heruitgave zijn alle gedichten uit Het hebben van schaduw en Archaïsch de dieren toegevoegd.

Hester Knibbe, Oogsteen (2016)
Hester Knibbe, Oogsteen (2016)

Hester Knibbe, Oogsteen (2016)