De mens en de natuur

Bas Haring vraagt zich af of het logisch is dat we soorten willen behoeden voor het uitsterven. Van de reuzenpanda leven nog maar duizend exemplaren in het wild. Met fokprogramma’s proberen we de diersoort te redden. Is het wel zo erg als planten- of diersoorten uitsterven? En heeft de mens een verantwoordelijkheid om de natuur te behouden?
Amazoneregenwoud (Bron: Wikimedia Commons)
Amazoneregenwoud

Amazoneregenwoud (Bron: Wikimedia Commons)

Het oordeel van biologen

Oproepen van ecologen en biologen om alle soorten te behouden zijn volgens Haring niet per se betrouwbaar. Dat is het derde punt waarop hij het behoud van soorten in twijfel trekt. Ecologen en biologen hechten volgens Haring te veel emotionele waarde aan dier- en plantensoorten. Daardoor is hun oordeel wellicht te veel vertroebeld.

Bovendien spreken diverse wetenschappers elkaar tegen wanneer het gaat om biodiversiteit, zegt Haring. Om dat te verduidelijken haalt hij het verband tussen stabiliteit en diversiteit aan: ‘Een […] samenvatting van de stand van zaken is de volgende: “Er kan een relatie bestaan tussen stabiliteit en diversiteit. Er zijn voorbeelden van iets dergelijks gevonden.” Dat klinkt niet heel overtuigend. Een evidente, in het oog springende relatie lijkt er niet te zijn.’ (Plastic panda’s, 2011, p. 120)

Haring gebruikt het debat rondom diversiteit om ter discussie te stellen of we op grond van wetenschappelijke bevindingen zouden mogen concluderen dat meer biodiversiteit – en dus meer soorten - beter zouden zijn omdat het voor meer stabiliteit zou zorgen. Dat laatste is maar de vraag, meent Haring, en dus moeten we ook voorzichtig zijn om dit soort wetenschappelijke inzichten aan te grijpen om te beargumenteren dat het beter is voor de natuur om meer soorten te hebben.

Jane Goodall, *Hoop voor dier en wereld* (2009)
Jane Goodall, Hoop voor dier en wereld (2009)

Jane Goodall, Hoop voor dier en wereld (2009)

Andrea Mills, *Bedreigde dieren* (2005)
Andrea Mills, Bedreigde dieren (2005)

Andrea Mills, Bedreigde dieren (2005)

Naamkaartjes

Een vierde belangrijke reden waarom Haring het uitsterven van soorten niet erg vindt, is dat ‘soort’ volgens Haring een arbitrair begrip is, een etiket dat mensen gebruiken om een groep dieren aan te duiden. ‘Soorten zijn niet vanzelfsprekend waardevol, vind ik. Ze bestaan deels “echt” en ze zijn deels een menselijke vinding. Een door ons verzonnen categorie om de wereld te ordenen.’ (Plastic panda’s, 2011, p. 89) Wanneer door de mens verzonnen categorieën verdwijnen zit Haring daar niet zo mee, tenzij dit gepaard gaat met lijden van individuele dieren.

Lijden minimaliseren?

Haring betoogt dat we de natuur op een andere manier moeten beoordelen dan om het al dan niet verdwijnen van soorten, namelijk door naar het lijden van dieren te kijken. Of het nu een legkip is die sterft of de laatste overgebleven reuzenpanda doet volgens Haring niet ter zake. Relevanter is volgens hem het lijden van het betrokken dier. Wanneer hij zich afvraagt of het verdwijnen van leefgebieden van dieren erg is, schrijft hij bijvoorbeeld:

‘Het [is] de vraag of het verdwijnen van leefgebied gepaard gaat met lijden – met méér lijden dan normaal het geval is. De natuur is al een doffe ellende voor de beesten die er wonen, en ik weet niet of het verdwijnen van leefgebied het er zo veel slechter op maakt. Maar áls het verdwijnen van leefgebied gepaard gaat met lijden dan zou dat een goede reden zijn er iets tegen te doen.’ (Plastic panda’s, 2011, p. 66)

Jeremy Bentham (Bron: Wikimedia Commons)
Jeremy Bentham

Jeremy Bentham (Bron: Wikimedia Commons)

John Stuart Mill
John Stuart Mill

John Stuart Mill (Bron: Wikimedia Commons)

Er zijn andere manieren om het utilitarisme te benaderen dan rekenmatig. John Stuart Mill benaderde utilitarisme juist kwalitatief. In plaats van een onderscheid te maken naar de duur en intensiteit van een handeling, zoals Bentham deed, benadrukt Mill het verschil tussen ‘hoger’ intellectueel genot en ‘lager’ fysiek genot. Het intellectuele genot is volgens Mill waardevoller dan puur fysiek genot.

Verschillen met utilitaristen

Haring heeft net als Bentham en Mill de overtuiging dat we het lijden moeten minimaliseren, niet alleen van mensen maar ook van dieren. Verlies van biodiversiteit betekent volgens Haring niet dat de hoeveelheid lijden groter wordt. Alleen als verlies van leefgebied van een bepaalde diersoort gepaard gaat met lijden is het onze taak om dit lijden te voorkomen. Overwegingen die ervanuit gaan dat we de soort moeten behouden zijn volgens Haring echter niet belangrijk.

Haring maakt echter, anders dan Bentham en Mill, nergens expliciet hoe het utilitarisme volgens hem eruit zou moeten zien. Hij presenteert geen concrete theorie, want het doel van het boek Plastic panda’s is niet om een filosofische theorie uiteen te zetten, maar om een filosofisch onderwerp te presenteren aan een breed publiek.

Een kwalitatief utilitarisme?

Haring lijkt zich bovendien af te zetten tegen een ‘kwantitatieve’ (rekenmatige) opvatting van utilitarisme zoals die door Bentham werd gehanteerd. Dat wil echter niet zeggen dat Haring een kwalitatief utilitarist is. Over de keuze tussen het redden van twee koeien of één panda schrijft hij:

Tabel van het dierenrijk uit Linnaeus' *Systema Naturae* (1735) (Bron: Wikimedia Commons)

Tabel van het dierenrijk uit Linnaeus' Systema Naturae (1735) (Bron: Wikimedia Commons)

Publieksfilosofie

Haring benadrukt in Plastic panda’s: ‘Dit boek [is] meer een zoektocht dan mijn eerdere boeken. Een zoektocht omdat ik zelf toch nieuwsgierig was: hoe zit het nou echt?’ (Plastic panda’s, 2011, p. 11) Hij pretendeert niet de algemeen geldige antwoorden te hebben gevonden, maar hij wijst er nadrukkelijk op dat hij zélf op zoek gaat naar antwoorden, door zijn gezonde verstand te gebruiken en boeken te lezen over het onderwerp waar hij zich mee bezig houdt.

Deze werkwijze heeft behalve kritiek ook lof uitgelokt. Hans Achterhuis bijvoorbeeld prijst deze manier van denken: ‘Jij moet je eigen vragen stellen, en dat doe je ook. En trek je in godsnaam niets aan van mensen die nu zeggen dat jij de klimaatsceptici en de natuurhaters helpt. […] Dat mag jou er niet van weerhouden om te redeneren.’ (Van Dijk, 2012, p. 34-35)