Dwalen in het antropoceen

We leven in het antropoceen. Dat is het geologische tijdperk waarin, voor het eerst in de geschiedenis, de mens zijn invloed op de aarde laat gelden – met catastrofale gevolgen. René ten Bos publiceerde daarover in 2017 zijn boek 'Dwalen in het antropoceen'.

De hedendaagse mens dwaalt door dit tijdperk zonder te weten waarheen of hoe er te komen. Wie is die ‘antropos’ die in dat antropoceen ronddoolt? Wat betekent het om mens te zijn? Ten Bos heeft het over ‘pliocene wanhoop’. Het antropoceen is een moeilijk tijdperk, maar geen tijdperk om bij de pakken neer te zitten. Het vraagt om heroriëntatie: wat vermag denken in een wereld die absurd is?

De naam 'antropoceen'

De Nederlandse klimaatwetenschapper Paul Crutzen (geb. 1933) geldt als bedenker van het woord ‘antropoceen’. De Schotse geoloog en jurist Charles Lyell (1797-1875) is de naamgever van de jongere tijdvakken zoals holoceen, pleistoceen en oligoceen. De meeste namen in de geologie verwijzen naar periodes in het verleden. Dit is bij het antropoceen, dat een einde zou maken aan het holoceen, niet het geval. De naamgeving houdt geen rekening met geologische taalconventies; dit is een blijk van 'wetenschappelijke ongedisciplineerdheid'.

Desondanks is de term populair. De voordelen blijken groter dan de nadelen. De naam brengt een 'cascade van catastrofes' onder één noemer. Te denken valt aan: de verzuring van de oceaan, de CO2-emissies, de zeespiegelstijging, het uitsterven van soorten, de klimaatverandering, het mestoverschot, de opkomst van ziektes die van dier op mens overgaan, het feit dat de mens voor al deze ellende zelf verantwoordelijk lijkt te zijn.

Paul Crutzen
Paul Crutzen

Portretfoto van Paul Crutzen, 20 mei 2010 (Bron: Wikimedia Commons)

Charles Lyell
Charles Lyell

Portret van Charles Lyell, gemaakt door George J. Stodart (1784-1884) (Bron: Wikimedia Commons)

Volgens Ten Bos is de rol van naamgeving van groot belang voor de wetenschap. Mensen geven namen uit angst voor het onbekende. In de context van het antropoceen zijn niet zozeer de verschijnselen onbekend, maar wel de gevolgen en hoe een en ander moet worden aangepakt. De Duitse filosoof Hans Blumenberg (1920-1996) denkt dat alle onzekerheid het best kan worden aangepakt door aan onbekende dingen namen te geven.

Vier wetenschapsgebieden houden zich uitvoerig bezig met het antropoceen: klimaatwetenschappen, biologie/ecologie, menswetenschappen en geschiedwetenschappen:

Klimaatwetenschappen

Volgens de klimaatwetenschapper Crutzen begint het antropoceen met de uitvinding van de stoommachine in 1784. Hij onderscheidt verschillende perioden. Het antropoceen zou langzaam begonnen zijn met de neolithische revolutie, kreeg momentum met de industriële revolutie rond 1800 en is vanaf 1945 in zijn derde fase gekomen. Er zou een vierde periode aan toegevoegd kunnen worden, het reflexieve antropoceen, waarin men begint na te denken over wat er aan gedaan kan worden. Geo-engineering of ‘klimaatengineering’ zou daarbij een grote rol kunnen spelen. Ongeacht de 'reflecties' over mogelijke oplossingen zijn klimatologische discussies eerder 'diagnosticerend' dan historiserend. Het positieve aan klimatologie is dat er een acute gevoeligheid wordt ontwikkeld voor interacties, netwerken, dynamische systemen, 'feedback loops' of drempelzones. Dit vereist volgens Ten Bos een nieuw soort denken.

Biologie en ecologie

Het leven op aarde speelt zich aan de oppervlakte af en de mens laat zijn invloed op die oppervlakte gelden. Volgens de Amerikaanse journaliste en auteur Elizabeth Kolbert (geb. 1961) is de mens een beslissende factor geweest bij het uitsterven van de grote soorten, zo’n tienduizend jaar geleden. Maar de diprotodon, het grootste buideldier ooit, stierf zo’n veertigduizend jaar geleden en ook hier wordt de mens als de belangrijkste oorzaak gezien. Een reden te meer om het antropoceen nog eerder dan het neolithicum te laten beginnen. Tal van onderzoeken laten zien dat onder normale omstandigheden het aantal soorten dat erbij komt groter is, dan het aantal soorten dat verdwijnt. Wat zijn ‘normale omstandigheden’?

Volgens de Amerikaanse bioloog Edward Wilson (1929) zijn de enige niet-normale omstandigheden de periodes van massa-extincties. De laatste massa-extinctie was 65,5 miljoen jaar geleden, veroorzaakt door de meteorietinslag in Mexico. Dit maakte een einde aan het Krijttijdperk. Sinds tienduizend jaar is 'een geheel nieuwe era in de turbulente geschiedenis van het leven op aarde’ ingegaan. Het uitsterven gaat ‘tienduizend keer’ zo snel als onder normale omstandigheden. De huidige extinctie is rampzalig en de primaire oorzaak hiervan is de mens. Wilson pleit voor een einde aan het antropoceen (‘Is Humanity Suicidal?’, 1993).

Elizabeth Kolbert, 2014
Elizabeth Kolbert

Portretfoto van Elizabeth Kolbert, gemaakt op 25 februari 2014 (Bron: Wikimedia Commons)

Edward O. Wilson
Edward O. Wilson

Portretfoto van Edward O. Wilson, gemaakt in februari 2003 (Bron: Wikimedia Commons)

Volgens de Australische bioloog Thom van Dooren sterven in het tijdperk van het antropoceen soorten niet zozeer helemaal uit, maar is er eerder sprake van ‘ecologisch uitsterven’, dat wil zeggen dat de soort wel zal blijven bestaan, maar niet langer zijn ecologische functie kan vervullen in het geheel van - vaak symbiotische - relaties.

Bruno Latour, 31 mei 2005
Bruno Latour

Bruno Latour tijdens een college aan de Universiteit van Göteborg op 31 mei 2005 (Bron: Wikimedia Commons)

Noel Castree, 2014
Noel Castree

Noel Castree tijdens Happiness Day 2014 (Bron: Youtube.com)

De Duitse filosoof Odo Marquard (1928-2015) ziet de menswetenschappen als een noodzakelijke 'compensatie' voor de natuurwetenschappen. Allereerst bestrijdt hij het vooroordeel dat de natuurwetenschappen met hun experimenten de menswetenschappen overbodig gemaakt zouden hebben. De menswetenschappen zijn een compensatie voor het tekort van de natuurwetenschappen - neutraliteit en objectivering van mensen - waardoor de verzakelijking en ‘ontmythologisering’ van de wereld enigszins draaglijk wordt gemaakt. De menswetenschappen bieden een opening naar meerduidigheid. We hebben een scepsis nodig, die in staat is een einde te maken aan het ‘razend geworden gelijk willen hebben van de eenduidigheid’. Daarom zijn filosofen bijzonder geschikt om anderen een richting te wijzen, die geen richting wil zijn. ‘De filosoof is niet de expert, maar de stuntman van de expert: zijn stand-in voor het gevaarlijke werk.’

Ondanks zijn accent op meerduidigheid heeft Marquard een volstrekt antropocentrisch en humanistisch uitgangspunt. Hij schenkt geen enkele aandacht aan het niet-menselijke. Uiteindelijk blijkt zijn pleidooi voor meerduidigheid vooral een pleidooi voor verlichte westerse burgers, die om kunnen gaan met de eisen van een nieuwe tijd en zich zorgen maken over hun ecologische voetafdruk.

Voor de Sloveense filosoof Slavoj Zižek (geb. 1949) is het hele idee van het antropoceen pure perversiteit. We plaatsen de mens op een voetstuk: we constateren dat we allemaal in de rotzooi zitten en vervolgens constateren we dat we hier allemaal schuld aan hebben. Zijn cynisme komt vooral voort uit die door en door christelijke erkenning van schuld. Ten Bos stelt tegenover dit cynisme pliocene wanhoop als een vorm van zelfscepsis – we weten niet wie we zijn of wie we worden - en als een afdoend middel tegen het altijd dreigende narcisme.

Odo Marquard
Odo Marquard

Portretfoto van Odo Marquard (Bron: Avinus Netzwerk)

Slavoj Zižek
Slavoj Zižek

Slavoj Zižek in Liverpool op 17 maart 2008 (Bron: Wikimedia Commons)

Geschiedwetenschappen

De Canadese antropologe Zoe Todd wantrouwt de naam ‘antropoceen’. Deze heeft zo’n sterk holistisch effect dat verschillen niet langer worden waargenomen. Een moreel appel werkt niet als we niet erkennen dat sommigen meer schuld hebben aan de huidige crisis dan anderen. Ook de gevolgen van de crisis zijn gedifferentieerd. De rijken zullen er in ’t algemeen aanzienlijk minder last van hebben dan de armen. Volgens Amerikaanse jurist Jedediah Purdy (geb. 1974) bedreigt niets ons zozeer als de neiging om ongelijkheid de normaalste zaak van de wereld te vinden. Dwars tegen alle holistische of totaliserende tendensen in moeten we zowel naar het verleden als naar de toekomst weten te differentiëren.

Purdy vindt het verantwoordelijkheidsdebat dat in het kader van het antropoceen gevoerd wordt – we dienen als collectief verantwoordelijkheid te nemen voor de wereld - bedrieglijk en ontoereikend. Verantwoordelijkheid is een gevoel en de wereld of planeet is veel te groot om er een gevoel voor te hebben, schreef de Duitse filosoof Hans Jonas (1903-1993) in 1979 in zijn boek Das Prinzip Verantwortung. Wat staat ons dan te doen, vraagt Ten Bos zich af? Wellicht het advies van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy (geb. 1940) overnemen: ‘stelt u zich maar bloot aan die catastrofe, onderga haar, laat ze tot u doordringen, hoop dat dit met meer mensen gebeurt, dat de onverschilligheid minder wordt en dat er vroeg of laat vanzelf met een andere soort reis wordt begonnen’ (p. 72).

Jedediah Purdy
Jedediah Purdy

Foto van Jedediah Purdy (Bron: Duke University)

Jean-Luc Nancy
Jean-Luc Nancy

Foto van Jean-Luc Nancy (Bron: Wikimedia Commons)

Het debat over het antropoceen is fundamenteel 'apolitiek'. Het antropoceen kan pas een waardevol concept zijn, als we er een politieke lading aan geven. Ten Bos betoogt: politici lijken tegenwoordig een hekel aan de politiek te hebben. Ze denken liever in termen van oplossingen dan in termen van ongelijkheid, geweld of onrechtvaardigheid. Voorgestelde oplossingen zijn echter nooit gebaseerd op politieke keuzes, maar zijn managerieel of ingenieursachtig, met gevaar van geo-engineering. Er moet een harde politieke discussie komen over het kapitalisme, het huidige economische systeem.

Volgens de Britse neomarxist en socioloog Jason Moore (1970) moeten we niet spreken van het antropoceen, maar van het 'capitaloceen'. Hij maakt zich niet alleen zorgen over het kapitalisme, maar ook en vooral over het 'gebrekkige historische besef' dat deelnemers aan de discussie over het antropoceen steeds weer etaleren. Moore stelt dat het antropoceendebat het kapitalisme versluiert. Het kapitalisme schaalt de waarde van de natuur zo laag in dat je nog amper van natuur kunt spreken.

De geschiedenis van het kapitalisme begint niet met de industriële revolutie, maar met wat Peter Sloterdijk de periode van de ‘terrestische globalisering’ noemt: de zeemansverhalen die vanaf de vijftiende eeuw verteld worden, creëren een nieuwe moraal. Deze kapitalistische moraal is essentieel 'desoriënterend': de ontdekkingsreizen over de planeet gingen niet meer naar het oosten, maar naar het westen. Hierdoor ontstond een nieuwe ecologie: 'een ecologie van geweld'. Volgens Moore zijn we allemaal qua mentaliteit in 1492 blijven hangen, het jaar dat het capitaloceen ontstond. Het verhaal dat verteld moet worden gaat over geweld, uitbuiting en misbruik die door de geweldsecologie mogelijk wordt gemaakt.

Jason Moore
Jason Moore

Jason Moore (Bron: @oikeios)

Anthropocene or Capitalocene?
Anthropocene or Capitalocene?

Cover van Anthropocene or Capitalocene? Nature, History, and the Crisis of Capitalism, geredigeerd door Jason W. Moore, 2016 (Bron: PM Press)

Peter Sloterdijk, 17 juli 2009
Peter Sloterdijk

Peter Sloterdijk, 17 juli 2009 (Bron: Wikimedia Commons)

De Duitse historicus Joachim Radkau (geb. 1943) stelt, evenals Moore, dat het er niet om gaat de natuur te historiseren, maar om te begrijpen dat de natuur altijd al een geschiedenis had, die ten diepste met macht samenhangt. Een geschiedenis van de ecologie of het milieu dient te erkennen dat de natuur een historische 'actor' is. Het is onzin, zegt hij, te beweren dat alleen het kapitalisme kommer en kwel gebracht heeft, ook in voorkapitalistische tijden gebeurden er geregeld rampen.

Michel Serres
Michel Serres

Michel Serres, 2011 (Bron: Wikimedia Commons)

Michel Serres, Temps des crises (2009)
Michel Serres, Temps des crises (2009)

Michel Serres, Temps des crises (2009)

Ten Bos haalt vier samenhangende ideeën uit het meer ecologische en antropoceen gerelateerde werk van Serres naar voren: het sociale contract versus natuurcontract, toe-eigening versus terughoudendheid, objectiverend denken versus omdenken en lineariteit versus meervoudigheid.

Het sociale contract versus natuurcontract

Het boek Le contrat naturel (1990) is een rechtsfilosofisch gedachte-experiment met de Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679). Hobbes beweerde dat de mensen in een situatie leven van een oorlog van allen tegen allen en dit vervult hen met angst voor elkaar. De staat, die grotere angst inboezemt, beschermt de mensen in geval van onderlinge conflicten, maar dan moeten ze wel afspreken dat ze afzien van geweld. De staat krijgt hierdoor het geweldsmonopolie. Deze afspraak is het maatschappelijke contract dat mensen onderling sluiten.

Dany-Robert Dufour
Dany-Robert Dufour

Dany-Robert Dufour, 2012 (Bron: Youtube.com)

Stephen Jay Gould
Stephen Jay Gould

Stephen Jay Gould (Bron: Wikimedia Commons)

Voor de oude Grieken bestond er maar één taboe: pleonexia, de wens om steeds meer te willen hebben, maar ook de wens om meer te willen hebben dan je toekomt. De hele morele filosofie is lange tijd een gevecht tegen pleonexia. Zo benadrukte Aristoteles (384-322 v.Chr.) in zijn Ethica Nicomachea dat alle onrechtvaardige handelingen gemotiveerd zijn door pleonexia. Dit mateloze verlangen moet ingetoomd worden, want kan leiden tot zelfdestructie.

Ergens is de mens dit wantrouwen in zichzelf kwijtgeraakt en dat moment van verlies van zelfcontrole is het ontstaansmoment van het liberaal-kapitalisme als een 'au fond' libidineuze samenlevingsvorm. De Franse aristocraat en schrijver Markies de Sade (1740-1814) begreep de nieuwe tijdgeest als geen ander met zijn pleidooi voor het soevereine genieten: niet 'ik' kan slachtoffer zijn, hooguit een ander. Pornografie is dé industrietak in het kapitalisme geworden en is nog nooit zo gewoon geweest. In Dufours La cité perverse (De perverse stad, 2009) staat de gedachte centraal dat de geldende moraal in de liberaal-kapitalistische wereld sadistisch is. Dufour stelt een 'pornologie' voor: om onze samenleving te begrijpen moet er een studie komen van alles wat obsceen is. Eigendom en obsceniteit gaan hand in hand. Het obscene leeft uitsluitend van eigendom, dat een kwestie is geworden van zelfverwerkelijking. Mensen worden aangemoedigd eerder in zichzelf geïnteresseerd te zijn dan in de wereld.

Buste van Aristoteles
Aristoteles

Marmeren buste van Aristoteles, kopie van een bronzen origineel, gemaakt door Lysippos ca. 330 v.Chr.

Markies de Sade
Markies de Sade

Markies de Sade (portret door Charles-Amédée-Philippe van Loo), 1760 (Bron: Wikimedia Commons)

Blaise Pascal
Balise Pascal

Blaise Pascal (Bron: Wikimedia Commons)

De Franse wis- en natuurkundige en filosoof Blaise Pascal (1623-1662) speelt als eerste met de gedachte in zijn Pensées (Gedachten) dat uit de drie vormen van wellust - exces, ongecontroleerdheid en chaos - een orde kan ontstaan. Het nieuwe (volgens Dufour catastrofale) idee is dat wellust en imperfectie op individueel niveau niet per se tot een ontaarde samenleving hoeven te leiden, maar wel dat de mens een perverseling wordt, die alleen zijn eigen genot najaagt. Dufour wijst op de psychologische catastrofe die het antropoceen mogelijkerwijs in een versnelling heeft gebracht.

In het kapitalisme nemen eigenbelang en wellust de plaats in van liefdadigheid en zelfdiscipline. Als rationeel wezen wordt de mens in staat geacht de eigenliefde zo nodig te corrigeren. Dufour zegt: we leven in een puriteins bordeel. De hedendaagse mens is een compensatiewezen: overvloedig eten wordt afgewisseld met ascetisch diëten. In het puriteinse bordeel weet niemand nog precies waarheen te gaan en is alle oriëntatie weg. Het puriteinse bordeel is de wereld van Dufour, maar ook van Blanchot, Serres en Timothy Morton.

Timothy Morton

De Amerikaanse filosoof Timothy Morton (geb. 1968) heeft in de filosofie het hele concept ‘natuur’ naar de prullenmand verwezen. Hij spreekt in zijn boek Dark ecology (2016) van een ‘donkere ecologie’ die twijfel, onzekerheid, ironie en bedachtzaamheid terug plaatst in het ecologisch denken. Het hart van de donkere ecologie is de 'ecognosis'. Dit gaat niet om denken maar om ontvankelijkheid die hij nadrukkelijk verbindt met (erotisch) plezier. Ecognosis is vooral ook ecoseksualiteit.

De Duitse bioloog en filosoof Andreas Weber (geb. 1967) heeft ook geprobeerd een erotische ecologie te ontwikkelen. Zowel Morton als Weber perverteren het verlangen: de mens wil verleid worden. Hoe donker de donkere ecologie ook is, het gaat allemaal ook om heerlijke dingen, zegt Ten Bos: de schuld, de schaamte voor het obscene, de melancholie over onze pliocene wanhoop, de verschrikking als we door de zone wandelen, de droefheid over het uitsterven van soorten. Uiteraard begint alle ecologische onrust met onbehagen, maar catastrofes hebben tegelijkertijd iets aantrekkelijks. Sloterdijk constateerde eind jaren tachtig dat de mensen in Europa 'catastrofiel' waren: ze werden geil van de gedachte aan een kernramp, omdat ze hoopten dat deze eens zou gebeuren zodat er lering uit getrokken kon worden ter voorkoming van een nog ergere ramp.

Timothy Morton
Timothy Morton

Timothy Morton (Bron: Alchetron.com)

Andreas Weber
Andreas Weber

Andreas Weber (2009) (Bron: Wikimedia Commons)

Voor Morton is het antropoceen een fundamenteel 'anti-antropocentrisch' concept. De donkere ecologie moet bewerkstelligen dat de mens uit het centrum van de belangstelling verdwijnt. De wortel van al het kwaad is de ‘agrilogistiek’, een planmatige en perfect logische manier van omgaan met de aarde die allerlei voordelen opleverde. Deze denkwijze hebben we te danken aan de Mesopotamiërs. De boeren zijn de boosdoeners, zij hebben de bossen gekapt en zijn landbouw gaan bedrijven. Maar ook de stadbewoners zijn geïnfecteerd door de agriculturele logica.