Evolutie van soorten en ideeën

Waarom zorgen mensen voor hun familie? Hoe zijn onze normen en waarden ontstaan? Bas Haring onderzoekt dit soort vragen vanuit het perspectief van de evolutietheorie. Hij beargumenteert dat niet alleen plant- en diersoorten een evolutieproces doormaken, maar dat ook ideeën onderhevig zijn aan het evolutieproces.

Eerste pagina's van Charles Darwin, On the origin of species
Charles Darwin, On the origin of species (1859)

Charles Darwin, On the origin of species (1859) (Bron: Wikimedia Commons)

Voorkant van Darwin, Over het onstaan der soorten
Charles Darwin, Over het ontstaan van soorten (2000)

Charles Darwin, Over het ontstaan van soorten (2000)

Titelpagina van Darwin, Over het ontstaan der soorten
Charles Darwin, Over het ontstaan der soorten (2000)

Titelpagina van Charles Darwin, Over het ontstaan der soorten (2000)

Voorkant van Darwin, De afstamming van de mens
Charles Darwin, De afstamming van de mens (2002)

Voorkant van Charles Darwin, De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse (2002)

Binnenzijde van Darwin, De afstamming van de mens
Charles Darwin, De afstamming van de mens (2002)

Binnenzijde van Charles Darwin, De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse (2002), p. i15-i17 (oorspronkelijke paginering)

Pagina's uit Darwin, De afstamming van de mensch
Charles Darwin, De afstamming van den mensch (1871)

Illustratie uit Charles Darwin, De afstamming van den mensch, en de seksueele teeltkeus (1871) (p. 332-333)

Walvissen en de evolutietheorie

Om te illustreren hoe een soort langzaam kan veranderen beschrijft Haring aan de hand van de drie ingrediënten van de evolutietheorie hoe de plaats van de neus bij walvissen is veranderd. Bij een walvis zit de neus bovenop de kop, maar dat was niet altijd het geval. Ooit hadden sommige walvissen een neus die iets meer boven op de kop zat. Dit is het eerste ingrediënt van evolutie: variatie binnen een soort.

De zware concurrentie in de natuur is het tweede ingrediënt van het evolutieproces en die zorgt ervoor dat de kleinste variatie een grotere kans op overleven kan geven. Zo hadden walvissen met een hogere neus een grotere kans op overleven. Daardoor konden zij zorgen voor het voortbestaan van de soort door het krijgen van nakomelingen.

Noordse vinvis met kalf
Noordse vinvis en kalf

Noordse vinvis met kalf (Bron: Wikimedia Commons)

Het laatste ingrediënt van de evolutie is overerving: nakomelingen erven de hogere neus van de overlevende walvissen, die op hun beurt ook weer een grotere kans op overleven zullen hebben. Op den duur ontstonden zo langzaam maar zeker walvissen met neuzen aan de bovenzijde van hun kop.

The modern theory of the descent of man
G. Avery, The modern theory of the descent of man

G. Avery, The modern theory of the descent of man, in E. Haeckel, The evolution of man (1874) (Bron: Wikimedia Commons)

Het verspreiden van ideeën

Sommige ideeën blijven bestaan omdat ze geschikter zijn om over te dragen dan andere ideeën, schrijft Haring in zijn boek Voor een echt succesvol leven (2007). Een idee zoals ‘je moet ideeën niet verspreiden’ is niet geschikt om overgedragen te worden, en zal verdwijnen in de ‘economie van denkbeelden’ (Haring, Voor een echt succesvol leven, 2007, p. 79). Met de term ‘economie van denkbeelden’ doelt Haring op de concurrentie tussen ideeën, waarin sommige het langer volhouden dan andere.

Deze wedijver van ideeën is ook terug te vinden in het werk van de Amerikaanse filosoof Daniel C. Dennett (geboren 1942). Haring bedankt Dennett zelfs in Voor een echt succesvol leven en schrijft dat hij veel aan zijn ideeën te danken heeft. (Voor een echt succesvol leven, p. 8) Dennett spreekt in zijn boek Darwin’s dangerous idea (1995) (in het Nederlands vertaald als Darwins gevaarlijke idee, 1995) over een ‘wedijver’ tussen ideeën en benadrukt tevens dat de ideeën een norm of ideaal in stand houden. Hij noemt zulke ideeën ‘memen’.

Portret van Daniel Dennett
Portret van Daniel Dennett

Daniel C. Dennett (Bron: Wikimedia Commons)

Voorkant van Dennett, Darwins gevaarlijke idee
Daniel C. Dennett, Darwins gevaarlijke idee (1995)

Daniel C. Dennett, Darwins gevaarlijke idee (1995)

Ideeën als genen

Dennett ontleent het begip ‘meme’ aan bioloog Richard Dawkins (geboren 1941). Dawkins definieerde het begrip voor het eerst in zijn boek The selfish gene (1978, vertaald in het Nederlands als De zelfzuchtige genen, 1986). Hij omschreef in dat boek een ‘meme’ als een idee dat zich kan verspreiden onder informatiedragers, zoals mensen. Memen kunnen daarom gezien worden als het equivalent van een gen, zegt Dawkins, maar ze spelen een rol in de culturele evolutie in plaats van de biologische evolutie. Net als een gen kan een meme verspreid worden onder informatiedragers, veranderen en uitsterven.

Portret van Richard Dawkins
Portret van Richard Dawkins

Richard Dawkins (foto: Mike Cornwell) (Bron: Wikimedia Commons)

Voorkant van Dawkins, De zelfzuchtige genen
Richard Dawkins, De zelfzuchtige genen (1986)

Richard Dawkins, De zelfzuchtige genen (1986)

Dawkins noemt religies als voorbeeld van een meme. Religies zijn ideeën die worden overgedragen op generaties en veranderen door de tijd heen. Een ander voorbeeld van een meme is een taal. Sommige talen worden overgedragen en blijven in min of meer dezelfde vorm bestaan. Andere talen, zoals het Gotisch of het Oudgrieks, sterven uit.

Een sociaal contract

Waar Haring stelt dat moraal ontstaat door een evolutionair proces, gelooft de Britse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) dat wij de moraal collectief vormgegeven hebben uit zelfbehoud.

In zijn befaamde boek Leviathan (1651) beschrijft Hobbes hoe er in het verleden een tijd was waarin de mens in een gewelddadige, ongecultiveerde staat leefde: de ‘natuurstaat’. In deze natuurstaat bezat de mens geen wet of moraal en geen besef van goed of slecht. Aan deze natuurstaat kwam een eind met het sociaal contract: de mens kwam tot het inzicht dat de gemeenschap zich beter in stand kan houden als men afspreekt dat men afziet van geweld. Door het opstellen van het sociaal contract ontstaat ook de notie van goede en slechte handelingen.

Portret van Thomas Hobbes
Portret van Thomas Hobbes

J. M. Wright, Thomas Hobbes (ca. 1669) (detail) (Bron: Wikimedia Commons)

Titelpagina van Hobbes, Leviathan
Thomas Hobbes, Leviathan (1667)

Thomas Hobbes, Leviathan (Amsterdam, 1667)

Bij zowel Hobbes als Haring ontstaat de moraal uit overwegingen die te maken hebben met het voortbestaan van de soort of gemeenschap, maar Haring neemt afstand van het idee dat de moraal vanuit het niets door de mens bedacht is. Wel merkt hij op dat wij de moraal tot op zekere hoogte zelf kunnen vormgeven. Morele normen bestaan volgens Haring, in tegenstelling tot Hobbes, vooral bij de gratie van hun vermogen te concurreren met andere ideeën.

Relativistische moraal

Bas Haring maakt een onderscheid tussen ideeën die van zichzelf goed zijn en ideeën die goed zijn in overleven. De ideeën die we hebben zijn niet altijd ideeën die voor ons het beste zijn, maar die het makkelijkst en vaakst worden overgedragen, zoals het idee dat het goed is om succes na te streven.

Deze ‘relativistische’ opvatting van ideeën komt ook terug in Harings zienswijze op de moraal: ‘Het is niet van tevoren en voor de eeuwigheid bepaald dat mensen niet van elkaar moeten stelen: het is een moraal die langzamerhand is ontstaan en die door een soort van evolutieproces boven is komen drijven, omdat het een moraal was die bleek te werken.’ (Kaas en de evolutietheorie, 2001, p. 129) Onze moraal is kortom niet universeel, maar net zo afhankelijk van de cultuur en omstandigheden als een biologische soort afhankelijk is van zijn natuurlijke omgeving.

Voorkant van Haring, Darwin y la invención del queso
Bas Haring, Darwin y la invención del queso, Spaanse vertaling (2008)

Bas Haring, Darwin y la invención del queso (2008)

Voorkant van Haring, Warum ist der Eisbär weiss
Bas Haring, Warum ist der Eisbär weiß? Duitse vertaling (2003)

Bas Haring, Warum ist der Eisbär weiß? (2003)

Evolutie als metafoor voor de moraal

Ook filosoof Herman Philipse (geboren 1951) gelooft niet dat er een onwrikbare moraal is die wij moeten ontdekken: net als bij natuurlijke soorten past de moraal zich aan zijn omgeving en onze cultuur aan. In zijn Atheïstisch manifest (1995) schrijft hij: ‘We selecteren normen niet in termen van “waar” of “onwaar”, “waarschijnlijk” of “onwaarschijnlijk”, maar in termen van “beter”, “slechter”, “meer bevredigend” en “minder bevredigend.”’ (p. 107)

Portret van Herman Philipse
Portret van Herman Philipse

Portret Herman Philipse door Vera Kok, 27 februari 2012

Voorkant van Philipse, Atheïstisch Manifest
Herman Philipse, Atheïstisch Manifest (1995)

Herman Philipse, Atheïstisch Manifest (1995)

Daarbij benadrukt Philipse wel dat de analogie tussen moraal en evolutie niet helemaal opgaat: ‘De evolutietheorie [fungeert] als metafoor of model, want de selectie van theorieën wordt volgens bepaalde regels voltrokken door een wetenschappelijk forum. Het is geen natuurlijk proces maar een bewust gereguleerde en geïnstitutionaliseerde procedure.’ (Atheïstisch manifest, 1995, p. 101)

Zorgt evolutie voor de beste ideeën?

Haring zegt dat het voortbestaan van een idee net als bij dier- en plantensoorten alleen bepaald wordt door de mate waarin het in staat is zich te verspreiden en vermenigvuldigen dus niet door de intrinsieke waarde van een idee. Haring gaat echter nog een stap verder: hij meent dat juist de onsuccesvolle normen en ideeën te benijden zijn. Haring probeert in zijn boek Voor een echt succesvol leven ‘een lans te breken voor de uitzonderlijke mensen die geen succesvol leven hoeven te leiden’. (Voor een echt succesvol leven, 2007, p. 14) Die benadering sluit echter niet uit dat succes goed kan zijn, zegt Haring:

‘“Ach,” zult u wellicht zeggen, “ik voel me gewoon lekker bij mijn succes. Wat zeurt u nou: voor mij zijn succes en geluk ongeveer hetzelfde.” Prima, gaat u dan vooral zo door. Op zoek naar meer succes. Maar mocht u de vreemde uitzondering zijn die zich fijn kan voelen zonder succes, tel dan uw zegeningen: misschien bent u het meest te benijden.’ (Voor een echt succesvol leven, 2007 p. 124)

Voorkant van de eerste druk van Haring, Voor een echt succesvol leven
Bas Haring, Voor een echt succesvol leven (2007)

Bas Haring, Voor een echt succesvol leven, eerste druk (2007)

Voorkant van de achtste druk van Haring, Voor een echt succesvol leven
Bas Haring, Voor een echt succesvol leven, achtste druk (2008)

Bas Haring, Voor een echt succesvol leven, achtste druk (2008)