Filosofie van het landschap

Loop je door de polder om te ontspannen, of ben je in je hoofd alweer onderweg naar de volgende plaats? De verhouding tussen jou en het landschap is afhankelijk van de cultuur waarin je je bevindt, zegt filosoof Ton Lemaire.

Ton Lemaire bestudeert het landschap als uiting van onze verhouding tot de natuur. Deze verhouding is sinds de Renaissance grondig veranderd: onze reislust, het toerisme en het feit dat we niet meer zo regionaal gebonden zijn, zijn gevolgen van die verandering.

De ontdekking van het landschap

Wat bedoelt Lemaire precies met landschap? Het idee ‘landschap’ is relatief nieuw en ontstaan in de Renaissance. Middeleeuwers kenden het idee van een landschap nog niet. Hun wereld was gericht op de ziel en het innerlijk: de wijde wereld verkennen leidde maar af. Hun ruimte was lokaal, en gericht op belangrijke centra. Zo had men de wereld van het dorp, rond een kerk; daarbuiten was de wereld ingedeeld volgens religieuze plaatsen.

Dat de ‘grote wereld’ of ‘de verte’ op zichzelf geen rol spelen voor de Middeleeuwer, is te zien aan hun schilderijen, waarin een horizon ontbreekt. Het gaat hen om de (meestal religieuze) voorstelling. De wereld waarin die zich afspeelt, is minder belangrijk. De mensen zijn niet ‘geplaatst’ in een ruimte, maar staan op hetzelfde niveau, in een plat vlak. Zij verkeren in een traditionele ruimte, waarmee ze een eenheid vormen.

In de Renaissance verandert dit: de mens gaat zichzelf zien als autonoom subject, als individu. Zo komt hij tegenover de natuur te staan. De natuur wordt object. Op schilderijen is dit terug te zien. Mensen worden voor een landschap geplaatst: mens en wereld zijn twee losse zaken, en worden allebei op zichzelf belangrijk.

G. Schott, Experiment met vacuum (1657)

G. Schott, Experiment met vacuum (1657) (Bron: Wikimedia)

Deze objectiverende houding zorgt ervoor dat de mens vanaf de Renaissance steeds verder af komt te staan van de natuur. De mens staat als vertegenwoordiger van de ‘cultuur’ tegenover de ‘natuur’. Dat leidt tot een dubbele houding ten opzichte van de natuur. Er ontstaat namelijk niet alleen afstand tot de natuur, maar ook een groeiende bewondering voor de macht en schoonheid van de natuur. In de tweedeling tussen ‘cultuur’ en ‘natuur’ worden God en de natuur steeds vaker vereenzelvigd: de natuur wordt vergoddelijkt en God wordt ‘vernatuurlijkt’ (Lemaire, 2010a, p. 39).

Er zijn dus twee manieren van omgaan met natuur ontstaan: objectiverend onderzoeken tegenover bewonderend bekijken. Dat is tegenstrijdig. Daarom wordt de natuur gesplitst in een fysische natuur en ‘schone natuur’. Het fysische natuurbegrip is dat van de natuurwetenschappen en benadert de natuur als mechanisme. De ‘schone natuur’ slaat op de natuur waar we van kunnen genieten, waar we bijvoorbeeld heengaan om te wandelen, of die we bedoelen als we zeggen dat we ‘houden van het bos’. Afhankelijk van waar je naar op zoek bent: ontspanning of verdieping, of hulpbronnen en experimenten, verhoud je je tot de een of de ander.

Opvallend is dat de mens meer behoefte heeft aan de schone natuur als recreatie naarmate hij de natuur meer gaat zien als iets fysisch, beheersbaars en bruikbaars. De natuur als landschap en als mechanisme nemen met dezelfde snelheid toe in belang.

Knooppunt Ridderkerk.

Knooppunt Ridderkerk. (Bron: Wikimedia)

Nu zijn we zelf het enige centrum geworden: het individu is alleen komen te staan in een oneindige ruimte die zich naar alle kanten uitstrekt.

Het wegennet is een goede illustratie van deze verandering. De meeste wegen zijn doorgangswegen: een snelweg leidt niet naar een bepaald punt of centrum, maar geeft toegang tot andere wegen. Vroeger was dit minder het geval. Wegen waren veel sterker ingebed in hun omgeving, vaak ook meer gericht op hun bestemming. Dat is bijvoorbeeld terug te zien in de vele straatnamen die afgeleid zijn van hun omgeving: een Kerkstraat, Groenevelt of Varkensmarkt zijn in veel dorpen en steden te vinden. De wegen zelf gaven een reiziger daardoor mogelijkheden om zich te oriënteren. Het moderne wegennet daarentegen is niet lokaal gericht: Het maakt de verte bereikbaar. In plaats van lokaal gericht te zijn, en naar een nabijgelegen punt te voeren, is het onafhankelijk van de omgeving geworden.

De moderne verhouding tot het landschap

Dankzij technologische en wetenschappelijke vooruitgang is het uiterlijk van het landschap veranderd: grote steden, industrieterreinen en wegen domineren. De mensen die er wonen, gedragen zich ook anders: ze zijn vaak onderweg, minder honkvast, en besteden minder tijd in hun woonplaats. Deze veranderingen blijven niet zonder gevolgen.

De veranderingen in het landschap betekenen dat onze verhouding ertoe anders is geworden. Er is weinig binding aan een speciale plaats en landschappen zijn minder vertrouwd. Het landschap en de bewoners ervan zijn onverschilliger voor elkaar geworden. De band met je eigen lokale omgeving is minder sterk. Niets aan een landschap verwijst naar jouw leven, je laat weinig sporen na. Hooguit kan je nog nostalgisch worden van een plaats waar je gewoond hebt als kind, toen je nog veel buiten speelde.

Stadsprofiel van Venetië (Bron: Atlas Van der Hagen (1704)

Stadsprofiel van Venetië (Bron: Atlas Van der Hagen (1704)

De opkomst van de reiziger en de toerist

De opkomst van de reiziger is een uitvloeisel van de overgang van de traditionele ruimte naar de moderne ruimte. De Middeleeuwse reiziger was vooral pelgrim, en oriënteerde zich primair op religieuze centra. Er was nauwelijks interesse in andere volkeren of gewoonten: het ging voornamelijk om het religieuze doel. De reis zelf werd vooral gezien als een hindernis of beproeving. Vanaf de Renaissance ging het in toenemende mate om de reis en de reiziger zelf. De reiziger werd geacht zich te ontwikkelen door het ontmoeten van andere culturen en door het doorstaan van de beproeving van de nieuwe ruimtes die hij tegenkwam.

Deze vorm van reizen werd mettertijd steeds populairder, georganiseerder en toegankelijker, en ontwikkelde zich tot toerisme. De opkomst van de toerist is eveneens het gevolg van het verdwijnen van de oriëntatie op een middelpunt: alle plaatsen zijn gelijkwaardig geworden en evenzeer bezienswaardig. 'Toerisme veronderstelt de beschikbaarheid van de wereld als geheel van bezoek- en bezienswaardigheden'. (Lemaire, 2014, p. 154) De toerist is daarom continu onderweg en op bezoek, bewegelijk en haastig. Lemaire karakteriseert hem als ‘de professionele voorbijganger’. (Lemaire, 2014, p. 154)

Dat betekent ook dat zijn omgang met de ruimte snel en vluchtig is, zijn kennis van hetgeen hij bezoekt oppervlakkig. Hij is uitsluitend onderweg en bevindt zich dus vooral op ‘niet-plaatsen’. Zijn nadruk is verschoven van woonruimte naar tussenruimte (Lemaire, 1999, p. 22). Tussenruimte staat in deze zin voor vluchtigheid en voorbijgaan. Hier stelt Marli Huijer een ander, meer sociaal gerichte, invulling van ‘tussenruimte’ tegenover: namelijk als de ruimte waar men de ander kan ontmoeten. De ‘tussenruimte’ is, juist omdat hij niet eigen is, de plaats waar mensen samenleven.

Robert Ladbrooke, Wooded Landscape with Woman and Child Walking Down a Road, c. 1820

Robert Ladbrooke, Wooded Landscape with Woman and Child Walking Down a Road, c. 1820 (Bron: Wikimedia)

Nu de wereld niet meer beperkt is tot de eigen regio, maar de uitgestrektheid van de verte heeft gekregen, kan de moderne mens in de eigen woonomgeving rondwandelen als een toerist: er is immers die afstand tot het lokale land. De eigen omgeving is namelijk deel geworden van de grote wereld, in plaats van dat ‘jouw wereldje’ de hele wereld uitmaakt. Tegenwoordig wandelt de mens dan ook vaak als een soort toerist: recreatief en gericht op mooie indrukken, al kennen we de omgeving al. De binding met het lokale landschap is minder, maar het oog voor mooie landschappen is tegelijk scherper geworden.

De bewoner wandelt op een andere manier door zijn eigen omgeving dan een toerist. De wandelende bewoner probeert een band te onderhouden met zijn omgeving. Daarin zijn de vaste oriëntatiepunten weggevallen. Steden zijn veranderlijk, en de betekenis van belangrijke gebouwen is minder, gereduceerd tot hun schoonheid of monumentale waarde. Vroeger gaf bijvoorbeeld een kathedraal betekenis aan de horizon van alle bewoners, door het belang van religie. De kathedraal vervulde daar een belangrijke functie in. Datzelfde kan gezegd worden van bijvoorbeeld ceremoniële plaatsen zoals een prieel of een heilige boom. Die betekenis als oriëntatiepunt is er nu niet meer.