Geschiedenis en theorie van emoties

Voor Heleen Pott is Aristoteles van groot belang voor het emotie-onderzoek. Een stroming binnen de emotiefilosofie en -psychologie, het cognitivisme, is er alles aan gelegen om Aristoteles als het ware ‘in te lijven’ in het rationele denkraam. Heleen Pott denkt er genuanceerder over.

Heleen Pott probeert aan te tonen dat Aristoteles de lichamelijke én gevoelsmatige kant van emoties ziet als een essentiële verbinding tussen emotie en verstand. Bovendien bevestigt Aristoteles het bestaan van emoties bij dieren.

De tegenstelling rede-emotie

Al vanaf midden jaren ‘80 houdt Heleen Pott zich bezig met filosofische emotietheorieën. Dit resulteerde in 1992 in haar proefschrift De liefde van Alcibiades. Over de rationaliteit van emoties. Dat zij dit thema nooit heeft los gelaten, blijkt uit haar CV met uitgebreide literatuurlijst en haar lezingen, workshops en symposia.

Portretkop van Aristoteles (kopie naar Lysippos, ca. 390 - ca. 300 v.Chr.) (Bron: Wikimedia Commons)
Aristoteles

Portretkop van Aristoteles (kopie naar Lysippos, ca. 390 - ca. 300 v.Chr.) (Bron: Wikimedia Commons)

William Lyons (tijdens lezing University College Dublin (Bron: Trinity College Dublin)
William Lyons

William Lyons (tijdens lezing University College Dublin (Bron: Trinity College Dublin)

Plato (Romeinse kopie naar Silanion) (Bron: Wikimedia Commons)
Plato

Plato (Romeinse kopie naar Silanion) (Bron: Wikimedia Commons)

Zo stelde de Iers-Australische filosoof William Lyons (geb. 1939) dat Aristoteles de eerste filosoof in de Westerse traditie was, die de emoties serieus nam. Anders dan Plato (ca. 427-347 v.Chr.), die ze wantrouwde als redeloze uitingen, was Aristoteles de emoties positief gezind. Hij benadrukte hun cognitieve functie en hun rol in ethiek en politiek, aldus Lyons. Orthodoxe cognitivisten zoals de Amerikaanse filoloog en filosoof William Fortenbaugh (geb. 1936), de Amerikaanse filosofen Martha Nussbaum (geb. 1947) en Robert Solomon (1942-2007) en Lyons zien Aristoteles als grondlegger van de hedendaagse cognitieve emotietheorie.

Martha Nussbaum, 2008
Martha Nussbaum (foto: Robin Holland)

Portretfoto van Martha Nussbaum, gemaakt door Robin Holland in 2008 (Bron: Wikimedia Commons)

Portretfoto van Robert C. Solomon (Bron: Wikimedia Commons)
Robert C. Solomon

Portretfoto van Robert C. Solomon (Bron: Wikimedia Commons)

Heleen Pott gaat hiertegen in het verweer door aan te tonen ‘dat zijn visie complexer is dan in emotiefilosofische kring gedacht wordt en dat hij zeker geen orthodoxe cognitivist mag worden genoemd’ (Pott, 2008, p. 89). De laatste jaren ontwikkelt zich een tegenbeweging tegen het cognitivisme dat echter belangrijke uitgangspunten blijft delen met de cognitivisten. Heleen Pott stelt dat Aristoteles’ visie op de emoties maar moeilijk te verenigen is met deze uitgangspunten.

Aristoteles over emoties in Retorica II

Aristoteles beroemdste beschouwing over de emoties is te vinden in deel II van zijn Rhetorica, waar hij veel aandacht besteedt aan vijftien emoties: woede en zachtmoedigheid, liefde/vriendschap en haat, angst en vertrouwen, schaamte en onverschilligheid, dankbaarheid en ondankbaarheid, medelijden en verontwaardiging, afgunst en minachting. Het is echter opmerkelijk dat van de vijftien definities er slechts ‘één enkele definitie voorkomt met een expliciet cognitieve term die naar een talig gearticuleerde mening of gedachte verwijst’ (Pott, 2008, p. 95). Dit is de definitie van de liefde: "liefde is voor de ander wensen wat je denkt dat voor die persoon goed is en niet voor jezelf" (1380b35-6). De overige emoties worden gedefinieerd in termen van phantasia (voorstellingen) en het werkwoord phainesthai.

Aristoteles karakteriseert emoties in het algemeen als “alle dingen waardoor mensen zo veranderen dat ze hun oordelen (kriseis) bijstellen, en die gepaard gaan met een onaangenaam of aangenaam gevoel, zoals woede, medelijden, vrees en andere emoties en hun tegenpolen” (1378a19-22). Deze band tussen emotie en oordeel zou volgens Fortenbaugh het uitgangspunt geweest zijn voor Aristoteles’ verdeling van de ziel in een rationeel deel en een niet rationeel deel, dat ontvankelijk is voor het rationele. ‘Aristoteles zag de passies als het resultaat van een subtiel samenspel van beide zieledelen’ (Pott, 2010, p. 72).

Martha C. Nussbaum, *Upheavals of thought* (2001)

Martha C. Nussbaum, Upheavals of thought (2001)

‘Maar tegelijk interpreteert ze de emotionele phantasia op zo’n manier dat daar het belief-aspect automatisch bij inbegrepen is – ook als het om phantasia bij dieren of babies gaat. Belief en phantasia […] blijken beide te verwijzen naar een primaire, pre-conceptuele mentale activiteit, een zintuiglijke gewaarwording bijna’ (Pott, 2008, p. 97). Ook Solomon neemt expliciet afstand van het cognitie-versus-feeling dualisme en spreekt zelfs van ‘bodily judgements’. De eerste stap om het intellectualisme in de theorievorming ongedaan te maken is hiermee gezet en er is sprake van een begin van herstel van de relatie van emoties met een zintuiglijke prikkel.

Emoties als gematerialiseerde ideeën

Heleen Pott constateert dat nog niet alle problemen de wereld uit zijn, want een tweede verschil met de cognitieve emotietheoriën is dat Aristoteles veel aandacht besteed aan de fysiologie van de emoties in De Anima (Over de ziel).

Aristoteli Ethica Eudemia, 1991
Aristotelis Ethica Eudemia (1991)

Aristotelis Ethica Eudemia (1991)

Aristoteles, *Ethica* (2019)
Aristoteles, Ethica (2019)

Aristoteles, Ethica (2019)

‘Dat hij in zijn meest uitvoerige studie, de Rhetorica, zoveel aandacht gaf aan de cognitieve aspecten van de passies, is geen bewijs voor een proto-cognitieve of proto-functionalistische kijk op mentale toestanden, maar is een uitvloeisel van zijn filosofische preoccupaties’ (Pott, 2010, p. 78). Zijn verhandeling heeft een retorische context want is bedoeld voor aspirant redenaars. Aristoteles’ introductie van de passies in tegenstellingsparen hangt samen met de retorische context. Zo kan zachtmoedigheid plotseling omslaan in woede bij de gedachte aan een belediging.

Filosofie als contextgebonden onderzoek

Heleen Pott concludeert dat Aristoteles twee belangrijke inzichten deelt met de hedendaagse cognitivisten. Het eerste is dat emoties intentionele toestanden zijn, die een cognitieve structuur hebben. Het tweede is dat de verschillende typen emoties (woede, angst, verdriet, liefde, haat, etc.) worden geïndividueerd op grond van een cognitief criterium. De cognitivisten hebben echter over het hoofd gezien dat niet alleen de betekenis van verzamelbegrippen als passie en emotie, maar ook de vragen die over die passies en emoties gesteld worden, in de tijd verschuiven.

Deze vaststelling leidde niet tot het einde van de cognitieve Aristotelesinterpretatie, maar heeft geleid tot een belangrijke nuancering van de cognitieve positie. Het is een phantasia en niet een doxa die telkens terugkeert als doorslaggevende cognitieve component. ‘Met de uitbreiding van de cognitieve structuur in de richting van een zintuiglijke phantasia, een ‘zien als’, is in elk geval de aansluiting op een voor de emotie cruciale, motivationele dimensie […] gered’ (Pott, 2008, p. 101).

Antonio Damasio, 2013
Antonio Damasio

Antonio Damasio tijdens de "Fronteiras do Pensamento" conferentie in Porto Alegre, Brazilië, 2013. (Bron: Wikimedia Commons)

Paul Ekman,  2016
Paul Ekman

Portretfoto van Paul Ekman, december 2016 (Bron: Wikimedia Commons)

De enactivistische emotiefilosofie

De laatste jaren schaart Heleen Pott zich aan de zijde van de ‘enactivistische’ emotiefilosofie van de 21e eeuw. Het enactivisme is een filosofie die uitgaat van de intrinsieke samenhang van biologie en betekenis, lichaam en geest, persoon en omgeving, ‘feeling’ en cognitie en biedt een alternatief voor het lichaam-geest dualisme. Heleen Pott onderzoekt hoe de enactivistische benadering van affectiviteit zich onderscheidt van eenzijdige cognitivistische en niet-cognitivistische emotietheorieën. Zij vraagt zich ook af wat de waarde van het enactivisme is voor het huidige emotieonderzoek: biedt het een uitweg uit de impasse – het lichaam-geest dualisme - en kan het gezien worden als een nieuwe, integrerende theorie van emoties en affectiviteit?

Het waren de Chileense filosoof en neurowetenschapper Francisco Varela (1946-2001), de Canadese filosoof Evan Thompson (geb. 1962) en de Amerikaanse psycholoog Eleanor Rosch (geb. 1938) die de term ‘enaction’ introduceerden in het boek The Embodied Mind (1991). Zij definieerden enaction als 'de manier waarop een waarnemend subject op een creatieve manier zijn handelingen afstemt op de vereisten van zijn situatie'. Het enactivisme stelt dat cognitie en perceptie begrepen moeten worden als een belichaamde interactie met de buitenwereld.

Portretfoto van Francisco Varela (1994) (Bron: Wikimedia Commons)
Francisco Varela (1994)

Portretfoto van Francisco Varela (1994) (Bron: Wikimedia Commons)

Portretfoto van Eleanor Rosch (Bron: Wikimedia Commons)
Eleanor Rosch

Portretfoto van Eleanor Rosch (Bron: Wikimedia Commons)

Francisco J. Varela, Evan Thompson, Eleanor Rosch, The embodied mind (1991)
Francisco J. Varela, Evan Thompson, Eleanor Rosch, The embodied mind (1991)

Francisco J. Varela, Evan Thompson, Eleanor Rosch, The embodied mind (1991)

Belichaamde cognitie (embodied cognition) ontstaat door een dynamische interactie tussen een handelend organisme en zijn omgeving, die zich samen met dat organisme ontwikkelt dankzij diens vermogen tot interactie met de wereld. De structurele koppeling van lichaam-geest-omgeving vormt de kern van het enactivistische programma van belichaamde cognitie. Dit bouwt voort op het klassieke fenomenologische idee dat cognitieve actoren een wereld voortbrengen door middel van de interactie van hun gesitueerde levende lichamen met hun omgeving.

Een belangrijke inspiratiebron voor de studie van ‘embodied cognition’ was de studie van Merleau-Ponty over de Phe´nome´nologie de la perception (Fenomenologie van de waarneming) (1945/1997) met het ‘beleefde lichaam’ als uitgangspunt voor zijn fenomenologie. Ook de emotietheorie van Amerikaanse psycholoog en filosoof William James (1842-1910) werkt door in het hedendaagse ‘enactivisme’. Zelfs de filosofie van Benedictus de Spinoza (1632-1677) – hij schreef onder andere over ‘het voelende brein’ – wordt gezien als een bron van inspiratie.

Maurice Merlaeu-Ponty, *Fenomenologie van de waarneming* (1997)
Maurice Merlaeu-Ponty, Fenomenologie van de waarneming (1997)

Maurice Merlaeu-Ponty, Fenomenologie van de waarneming (1997)

William James
William James (1903)

Portretfoto van William James, gemaakt in 1903 (Bron: MS Am 1092 (1185), Houghton Library, Harvard University)

Baruch Spinoza, ca. 1665
Spinoza

Het Haagse portret van Baruch Spinoza, ca. 1665 (Bron: Wikimedia Commons)

Vertegenwoordigers enactivistische emotiefilosofie

Vertegenwoordigers van de enactivistische emotiefilosofie zijn Engelse filosoof Matthew Ratcliffe (geb. 1973), de Italiaans-Britse filosoof Giovanna Colombetti en de Duitse filosoof Jan Slaby (geb. 1976). De enactivistische benadering werd de afgelopen twintig jaar ontwikkeld in de cognitiewetenschap en in de filosofie van de geest.

Matthew Ratcliffe
Matthew Ratcliffe

Portretfoto van Matthew Ratcliffe (Bron: Academia.edu)

Giovanna Colombetti
Giovanna Colombetti

Portretfoto van Giovanna Colombetti (Bron: University of Exeter)

Er zijn verschillende vormen van enactivisme, in het bijzonder autopoetisch enactivisme, sensomotorisch enactivisme en radicaal enactivisme. Enactivisme is nauw gerelateerd aan situated cognition en embodied cognition, en wordt gezien als een alternatief voor cognitivisme, computationalism en het Cartesiaanse dualisme.

Literatuurverwijzingen

  • Heleen Pott, De liefde van Alcibiades. Over de rationaliteit van emoties. -Amsterdam: Boom, 1992.
  • Heleen Pott, ‘Was Aristoteles een Cognitivist? Emoties in Aristoteles’ Rhetorica’. In: Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 100 (2008) 2, p. 89-103.
  • Heleen Pott, 'Emotions, Phantasia and Feeling in Aristotle's Rhetoric'. In: E. Close, G. Couvalis, M. Palaktsoglou & M. Tsianikas (Eds.), Greek Research in Australia. Adelaide : Flinders University Press, 2010, p. 71-81.