Het agoramodel als wereldbeschouwing

Het agoramodel is geen metafoor voor een samenleving, maar een gestileerd beeld van een maatschappij die werkelijk heeft bestaan en nog steeds bestaat. In het agoramodel worden de instituties in de Griekse wereld van 700 tot 300 v.Chr. als nulpunt genomen voor een blik op de huidige samenleving. Voor filosoof René Gude staat de agora model voor de wereld. Wie zich op de wereld wil oriënteren, hoeft alleen maar te kijken naar de gebouwen die rond ieder centraal stadsplein te vinden zijn.
Het agoramodel als wereldoriëntatie

Het agoramodel als wereldoriëntatie (Bron: Het agoramodel, p. 60-61)

De agora als model voor de samenleving

In iedere stad en in elk tijdperk vind je privéhuizen, private gebouwen (bedrijven en winkels), publieke gebouwen (zorginstellingen, publieke voorzieningen) en politieke gebouwen. Ook vind je overal tempels en kerken, sportzalen en fitnessruimtes, theaters en musea, en academies en scholen. Elk van deze gebouwen heeft een eigen sfeer, met eigen normen en waarden, gewoonten en wetmatigheden, die onveranderd zijn gebleven door de eeuwen heen. Het idee van sferen ontleent Gude aan zijn vriend Peter Sloterdijk, maar hij ordent ze anders.

Sloterdijk redeneert vanuit een existentialistische positie: de mens ontwikkelt zich pas door naar buiten te treden, de sferen in. Mensen zijn sfeerbouwende wezens en maken van bijna alle elementen in onze natuurlijke omgeving een artefact. Gude daarentegen ordent de sferen geografisch. Het agoramodel laat zien waar de mens zich bevindt, je rol varieert per plaats. Op het werk ben je anders dan thuis, en in de kerk gedraag je je anders dan in de sporthal. Door alle plekken, met hun bijbehorende normen, waarden en gebruiken, in kaart te brengen kun je grip krijgen op de mogelijke scenario’s van je leven.

Het ontstaan van de civilisatietechnieken

Sinds de overgang van nomadisme naar sedentair leven ruim 10.000 jaar geleden is passieve natuuraanschouwing geleidelijk aan vervangen door actieve theorievorming. Men heeft de natuur nooit helemaal losgelaten, maar haar wel met een enorme dimensie aangevuld: de biologische evolutie heeft plaatsgemaakt voor een culturele evolutie. Met de komst van de steden circa 5.000 jaar geleden is de cultuur ontstaan en dit vroeg om een cultuurlijk bestuursmodel.

Vanaf die tijd is er sprake van 'burgers' die zich ontwikkelen via filosofie, religie, sport en kunst. In speciaal daartoe ingerichte gebouwen – academie, tempel, stadion en theater – wordt collectieve zingeving beoefend. Het belang dat aan civilisatie en zingeving wordt gehecht is af te meten aan de enorme kapitalen die tot op heden besteed worden aan academies, tempels, stadions, theaters en musea.

De vier ‘collectiefvormingstechnieken’ of ‘zingevingsprogramma’s’ die er nu nog zijn, zijn vanaf 800 v. Chr. ontstaan, met de komst van de ommuurde steden: De grote wereldgodsdiensten ontstonden in die tijd. In 776 v.Chr. werden voor het eerst de Olympische Spelen georganiseerd. Ook de kunst is in die tijd ontstaan, het begon met de literatuur van Homerus (ca. 800-ca. 750 v.Chr.) en het theater van Sophocles (496-406 v.Chr.). Zo ook de filosofie en de daarbij behorende wetenschap van Thales van Milete (ca. 624-545 v.Chr.) en van Socrates (ca. 469-399 v.Chr.). Alle bekende politieke systemen zijn ook vanaf 800 v.Chr. ontstaan.

Borstbeeld van Homerus
Homerus

Borstbeeld van Homerus, British Museum, Londen (Bron: Wikimedia Commons)

Sophocles
Sophocles

Borstbeeld van Sophocles (Romeinse kopie) (Bron: Wikimedia Commons)

Thales van Milete
Thales van Milete

Thales van Milete (Bron: Wikimedia Commons)

Buste van Socrates
Socrates

Borstbeeld van Socrates, Louvre, Parijs (Romeinse kopie) (Bron: Wikimedia Commons)

Het leven in steden stelt hoge eisen aan de capaciteiten van stedelingen om goed werkende collectieven te vormen. ‘Als een samenleving, […], niet als vanzelf een bestemming vindt, dan dienen zin, betekenis en doel collectief ter hand genomen te worden. Zingeving is voortdurend klussen aan concrete coöperatievormen in ambitieuze veranderlijke samenlevingen’ (Gude, 2016, p. 30). Van begin af aan was zingeving een collectieve inspanning.

Van ‘solidair’ naar ‘solitair’

Religie, sport, kunst en filosofie hebben door de eeuwen heen goed gewerkt, maar halverwege de twintigste eeuw heeft men, volgens Gude, radicaal gebroken met het fenomeen ‘collectiefvorming’. De functie van de zingevingsprogramma’s is verlegd van collectiefvorming naar individuvorming. De aandacht is geleidelijk van ‘solidair’ naar ‘solitair’ opgeschoven, want solidariteit neemt af naarmate sociale misstanden steeds meer als eigen verantwoordelijkheid worden opgevat. Vanaf 1980 kwamen vrijheid en individuele ontplooiing in plaats van de idealen gelijkheid en broederschap. Sindsdien zijn zingeving aan collectieven en collectief zingeven van de baan.

Meer dan de helft van de huidige wereldbewoners woont in grootstedelijke gebieden en dit leidt tot veel problemen waardoor het samenleven moeilijk is. Het belangrijkste probleem is dat er veel gezamenlijke intelligentie nodig is om oplossingen te vinden voor deze problemen. Daar is vertrouwen voor nodig en daaraan lijkt het soms volledig te ontbreken.

Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de vier zingevingsprogramma’s te individualistisch worden ingezet. Ze zijn gereduceerd tot individuele fitnessprogramma’s en daarmee worden onze trainingsprogramma’s tekort gedaan. De nadruk ligt nu op zelfkennis en zelfhulp. ‘Dat leidt tot de wet van Schnabel: met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’ (Gude, 2016, p. 32). (Paul Schnabel was van 1998 tot 2013 directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau.)

De emotie/ratio-huishouding van het individu

De heersende opvatting van een goede samenleving is dat deze niet meer is dan een groep van zoveel mogelijk excellerende individuen. Maatschappelijke problemen worden gereduceerd tot particuliere doelen, belangen en verantwoordelijkheden. Dit leidt tot grote nadruk op het empoweren van individuen in het onderwijs, het stimuleren van competities op alle gebieden en het bevorderen van de prestatiedrang met financiële prikkels. In alle levensgebieden is geld de geaccepteerde taal om doelen in uit te drukken.

Volgens de Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas (geb. 1929) is de eenentwintigste-eeuwse leefwereld gekoloniseerd door liberaal individualisme, marktwerking en het bijpassende beschavingsoffensief sport. Dit zijn de stemmingmakers van deze tijd. Sport is het dominante trainingsprogramma. De sportideologie bepaalt ook de politiek. Levensdoelen worden gekwantificeerd en opgenomen in een sfeer van vergelijking en competitie. Kwaliteit toont zich slechts achteraf in statistieken.

Jürgen Habermas, 2008
Jürgen Habermas (foto: Wolfram Huke)

Jürgen Habermas tijdens een discussie in de Hochschule für Philosophie in München in januari 2008 (Bron: Wikimedia Commons; foto: Wolfram Huke)

Seneca
Seneca

Seneca, gravure door Lucas Vorsterman (Bron: Wikimedia Commons)

Humeurmanagement

Wie het overzicht verliest, zoekt zekerheden in zichzelf. Deze verdedigingsstrategie gaat terug tot het stoicisme van Seneca (ca. 4 v.Chr. - 65 n.Chr.). Seneca hield zich staande door zijn eigen emotie/ratio-huishouding te reguleren. Gude’s humeurmanagement staat ook in deze traditie. Hij definieert humeurmanagement als ‘de weigering van eigenzinnige mensen om zich door humeuren, buien, stemmingen en andere hartstochtelijke uitbarstingen voortdurend uit het lood te laten slaan’ (Gude, 2016, p. 37).

Om als individu zin in het leven te houden, moeten we aan humeurmanagement doen. Dat is dagelijks werk, want zin komt in onze tijd niet meer uit religie of uit een bepaalde ideologie. Zin moeten we zelf maken. Gelukkig hebben we de trainingsprogramma’s sport, religie, filosofie en kunst die ons hierbij kunnen helpen. Gude is er steeds meer van overtuigd geraakt dat je behalve een levensvisie ook een goede wereldbeschouwing nodig hebt, want zingeving is iets wat je met anderen doet. Zingeving moet gedragen worden door een collectief, dat zich inzet voor een bepaald doel.

Van coöperatie naar competitie

De huidige samenleving is het resultaat van particuliere belangenbehartiging en een faciliterende overheid. De overheid faciliteert haar burgers bij zelfontplooiing in de participatiesamenleving. De samenleving wordt achteraf geëvalueerd als het resultaat van de interacties van veel, min of meer excellente individuen. Dit heet consequentialisme in de ethiek en utilitarisme in de politiek. Competitie - en niet langer coöperatie - is inmiddels onze eerste natuur. De individuele winnaar neemt alles en is gelukkig, maar de verliezer heeft niets en wordt treurig. Zelfverwerkelijking en excelleren vraagt om steeds meer farmaceutische ‘stemmingmakers’.

Op 18 december 2013 sprak Gude in het Amsterdamse debatcentrum de Balie met de Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe (geb. 1955) na zijn lezing Mijn idee voor Nederland over depressie.

Epicurus
Epicurus

Epicurus, Nationaal Archaeologisch Museum, Napels (Bron: Wikimedia Commons)

Plato, 370 v.Chr.
Plato

Plato (kopie naar Silanion voor de Academie, Athene) (Bron: Wikimedia Commons)

Aristoteles, 330 v.Chr.
Aristoteles

Aristoteles (Romeinse kopie) (Bron: Wikimedia Commons)

Van stemming naar bestemming

Gude stelt dat we ons socialer moeten opstellen in dit individualistische tijdsgewricht en tegelijk kritisch zijn. We moeten erkennen dat we gevormd zijn door collectieven. ‘Je raakt door collectieven in een stemming, pas daarna kun je je eigen bestemming zoeken en de collectieven bestemmen’ (Gude, 2016, p. 41). Je kunt je niet afkeren van de belangrijkste collectieven. Je zit altijd in een privésituatie, je hebt altijd met de wereld van geld te maken, je hebt altijd met gemeenschappelijke initiatieven te maken en je kunt je niet onttrekken aan het land waarin je woont. Pas als je daarmee instemt, pas dan mag je kritiek hebben en de collectieven naar je hand proberen te zetten.

Door onze plek in de collectieven beter te bepalen, krijgen we ook meer zicht op onszelf. Zo kom je van stemming - de gemoedstoestand die je niet zelf hebt gekozen, maar die je vanuit de collectieven krijgt aangereikt - naar bestemming. ‘We moeten letterlijk aan stemmingmakerij doen’ (Gude, 2016, p. 47). Ter geruststelling zegt Gude dat er niet zo veel te bestemmen is, want we hebben maar vier levens- en vier trainingssferen. Mensen duiken ook graag de natuur in om tot rust te komen, dit noemt Gude in navolging van Sloterdijk, de ecosfeer die om alle sferen heen zit. Zonder de ecosfeer zijn de andere sferen niet mogelijk.

De vier levens- en trainingssferen en de ecosfeer

De vier levens- en trainingssferen en de ecosfeer (Bron: Het agoramodel, p. 64)

Het leven is quadruplex

Het agoramodel is een weergave van de complexiteit van de werkelijkheid. Deze bestaat uit vier lagen. Gude noemt zijn leven ‘quadruplex’, naar een allegorie uit de houtbewerking: de complexiteit van triplex is drie lagen hout. Een ieder neemt deel aan vier soorten levens- of sociale omgangssferen, collectieven, waarin wij ons met anderen organiseren: de privésfeer, de private sfeer, de publieke en de politieke sfeer. Iedere sfeer stelt andere eisen aan ons en daar kunnen we ons in trainen met behulp van de vier trainingssferen: religie, sport, kunst en filosofie/wetenschap.

Schema van de vier sociale omgangssferen (Bron: *Het agoramodel*, p. 49)

Schema van de vier sociale omgangssferen (Bron: Het agoramodel, p. 49)

Hoed je ervoor de gewoontes van de ene sfeer op de andere te plakken. Gude vindt dat hij het aan zijn stand – als Denker des Vaderlands – verplicht is niet in verwarring van sferen te berusten. Het is de kunst om je er steeds van bewust te zijn in welke sfeer je actief bent en welke spelregels daarbinnen gelden. Pas als je de regels kent, kun je stemming maken binnen zo’n sfeer.

De sferen lopen vaak door elkaar - je vriend is ook je zakenpartner - maar je moet blijven beseffen dat dit verschillende rollen zijn. Je moet wel steeds weten in welke rol je zit. Gude noemt dit ‘chemisch uitprepareren’. Je moet de sferen onderscheiden en gescheiden houden. ‘Het leven is een gedoetje. De kunst is om het niet ingewikkelder te maken dan strikt noodzakelijk’ (Gude, 2016, p. 54). Juist daarom hebben we de trainingsprogramma’s nodig.

Specifieke koppeling trainings- en levenssfeer

Gude stelt dat je alle sferen met elkaar in verbinding kunt brengen, maar dat sommige sferen intensiever met elkaar verbonden lijken te zijn dan andere.

Zo koppelt hij sport aan de private sfeer, waarvan contract, prestatie en beloning de leidende beginselen zijn. Met sport leer je sportief samenwerken, sportief concurreren, binnen vaste regels met elkaar doelen bereiken. Het sportaspect van het bedrijfsleven is dat iedereen weet dat er concurrenten zijn en dat er een wedstrijdelement is. Dit kun je oefenen in sport.

Kunst koppelt Gude aan de publieke sfeer. Zowel in de kunst als in de publieke sfeer draait het om het voorstellingsvermogen. Dit vermogen wordt getraind in de kunst, evenals sympathie, je inlevingsvermogen in andere mensen en een verscheidenheid aan emoties.

Peter Sloterdijk bewondert het houten beeld van René Gude, 2014

Peter Sloterdijk bewondert het houten beeld van René Gude, in 2014 gemaakt door Eveline van Duyl, terwijl René Gude toekijkt (Bron: ISVW)

Kunst helpt bij maatschappelijke betrokkenheid en om gezamenlijk initiatief te nemen. ‘Zonder vrije kunst geen publieke fantasie, en dus geen initiatief’ (p. 80). Juist door de vrijheid en de nadruk op het voorstellingsvermogen heeft de publieke sfeer iets kunstzinnigs. Vrije kunst stimuleert beeldmacht.

Religie gaat meestal over handelingen in de privésfeer. De organiserende principes van de privésfeer zijn belangeloosheid, liefde en vriendschap, die niet afdwingbaar zijn. ‘De privésfeer is het levensgebied waar je het meest te halen hebt, maar het minst hebt te zeggen’ (Gude, 2016, p. 68). Volgens Gude blijft de behoefte aan rituelen groot en daarom zal religie niet verdwijnen. Hij vindt ook dat scholen aandacht moeten blijven besteden aan religie, omdat dit het onderlinge begrip tussen scholieren vergroot. Hij vindt het ook nuttig om scholieren te laten zien dat het leven gevierd en berouwd mag worden.

Filosofie hangt samen met de politieke sfeer. Filosofie, de moeder van alle wetenschappen, in Griekenland opgekomen als een geweldloze instructiemethode voor de politieke praktijk. Filosofie is ook de moeder van de overlegcultuur. ‘Filosofie bestaat om al onze gesprekken te helpen verbeteren. Of het nu om een werkoverleg op het werk gaat, of om een debat in de Tweede kamer, of een gesprek met je kinderen over seksualiteit in de privésfeer’ (Gude, 2016, p. 82). Filosofie is ook een belangrijk trainingsprogramma, want met filosofie oefen je alles wat te maken heeft met de manier waarop wij praten en denken.

Integriteitscheck

De inzet van bildung is dat we moeten proberen integere mensen te zijn. Af en toe check je of je alle sferen nog in beeld hebt en of wat je denkt in de ene sfeer te rijmen is met wat je in de andere sfeer denkt. Filosofie kan je hier bij helpen, want ‘filosofie is de natuurlijke behoefte van mensen om de verschillende levensgebieden met elkaar te integreren, er samenhang in te brengen. Filosofie biedt een integrity check’ (Gude, 2016, p. 97).

De moderne mens moet zichzelf altijd zien als deel van een samenleving, een geschiedenis of een religie, want slechts in relatie tot gedeelde, overkoepelende waarden kun je een authentiek bestaan ontwikkelen. Persoonlijke identiteit is altijd gericht op anderen.

Literatuurverwijzingen