Het leven van Jacobus Moleschott, 1822-1854

Jeugdjaren van Jacobus Moleschott

Jacobus Albertus Willebrordus Moleschott, roepnaam Jacques (Koos voor intimi), wordt op 9 augustus 1822 in ’s Hertogenbosch geboren. Hij is de zoon van Johannes Franciscus Gabriel Moleschott (1793-1857) en Elisabeth Antonia van der Monde (1795-1854). Hij is de oudste van het gezin, maar is niet de eerstgeborene want twee eerder geboren kinderen zijn jong gestorven.

Johannes Franciscus Gabriël Moleschott (Bron: J.Ch.V. ter Laage, *Jacques Moleschott*, 1980, p. 11)
Vader Moleschott

Johannes Franciscus Gabriël Moleschott (Bron: J.Ch.V. ter Laage, Jacques Moleschott, 1980, p. 11)

Elisabeth Antonetta Moleschott-Van der Monde (Bron:  J.Ch.V. ter Laage, *Jacques Moleschott*, 1980, p. 11)
Moeder Moleschott

Elisabeth Antonetta Moleschott-Van der Monde (Bron: J.Ch.V. ter Laage, Jacques Moleschott, 1980, p. 11)

Na hem worden nog twee jongens en een meisje geboren. Moleschott wordt opgevoed in een humanistisch milieu: zijn vader is arts en overtuigd vrijdenker en meent dat het geloof geen rol mag spelen in opvoeding en onderwijs. Door zijn moeder, die overtuigd katholiek was, komt Moleschott wel in aanraking met het geloof, maar zijn vader ‘trachtte in het werk der opvoeding het “geloof” zoo weinig mogelijk mee te laten spreken, om aan de aankweeking van het zedelijk gevoel daarentegen de grootst mogelijke zorg te besteden’ (Moleschott, 1895, p. 10) en moedigt hem aan de gedichtjes van Hieronymus van Alphen (1746-1803) te lezen en het Franse boekje La Morale de l’Enfance ou Collection de quatrains Moraux(1790) dat hij als zevenjarige uit zijn hoofd kent. ‘Het boekje doet het geloof aan een persoonlijken God sterk uitkomen, maar weet nochtans met bewonderenswaardig beleid de ware vroomheid geheel onafhankelijk te maken van het “geloof”. Het kind wordt er in voorbereid op de wisselvalligheden des levens, en geleerd zijn troost niet te zoeken in uitwendige belooningen, maar in een krachtig vertrouwen op eigen persoonlijk bewustzijn’ (Moleschott, 1895, p. 11).

Moleschott heeft veel aan zijn ouders te danken. Zijn vader brengt hem de liefde bij van studie, onderzoek en de letteren, want de rijk voorziene bibliotheek van zijn vader brengt hem al op jonge leeftijd in aanraking met de Franse literatuur met name Corneille en Racine, Duitstalige klassieken zoals Goethe, Lessing en Schiller, en de Nederlandse dichters Tollens, Poot, Bellamy en Borger. In de jaren vóór zijn studie gelden de schone letteren als zijn favoriete tijdverdrijf. Aan zijn moeder dankt Moleschott zijn aanleg tot schrijven en zij brengt hem liefde bij voor muziek. In zijn autobiografie schrijft Moleschott met veel liefde over zijn moeder. ‘Alle wetenschap is ijdel, wanneer ook het gemoed niet wordt ontwikkeld, en de allereerste voorwaarde voor de opvoeding des gemoeds is de omgang met vrouwen. Mijne moeder, voor wie ik mijn geheele hart mocht uitstorten, aan wie ik zoo vol vertrouwen al mijne vrees, al mijne hoop, mijn gelukken en mislukken durfde openbaren, zou mij alléén genoeg geweest zijn’ (Moleschott, 1895, p. 26). Door een logeetje van de familie wordt de jonge Moleschott beschreven als een leergierige, maar vooral ook levendige, hartelijke en fijngevoelige jongen die graag zijn moeder en zusje met allerlei attenties verraste (De Haan, 1883, p. 240).

Jac. Moleschott, *Voor mijne vrienden : herinneringen uit mijn leven* (1895)
Herinneringen

Jac. Moleschott, Voor mijne vrienden : herinneringen uit mijn leven (1895)

Portret Jac. Moleschott in *Für meine Freunde* (1894)
Moleschott

Portret Jac. Moleschott in Für meine Freunde (1894)

Titelblad van *Für meine Freunde* (1894)
Herinneringen (Duits)

Titelblad van Für meine Freunde (1894)

De lagere school, 1827-1837

Op vijfjarige leeftijd gaat Moleschott naar de school van Hulskamp en na een jaar naar de zogenaamde Franse school van Van Bühl, beide in ’s Hertogenbosch. Enkele jaren later gaat hij met zijn twee jaar jongere broer Frits naar Duinendael, een internaat voor jongens uit gegoede kringen in Boxel. Het verblijf daar is van korte duur aangezien beide broers de mazelen krijgen en door hun ouders onmiddellijk naar huis gehaald worden om daar verpleegd te worden. Na hun herstel gaan ze weer naar een Franse school in ’s Hertogenbosch waar het laisser-aller-systeem gehanteerd werd: ieder kind werd als het ware gedwongen op eigen kracht te steunen, zelfstandig te werken en te leren. Aangezien de jonge Moleschott thuis wordt aangespoord om vlijtig en zelfstandig te werken heeft deze aanpak een goede uitwerking op hem. Hij krijgt ook privélessen in Latijn en Grieks van een Luthers predikant, dominee J.J. ter Laag.

Het gymnasium in Kleef, 1837-1842

Moleschott zou naar de Utrechtse Latijnse school gaan, maar het beoogde gastgezin in Utrecht schrijft met veel excuses af omdat het een aantal jongens van protestantse families in huis heeft en er daarom geen katholieke leerling bij kan nemen. Zijn vader besluit nu om Moleschott en zijn broer Frits het humanistische gymnasium in Kleef (Duitsland) te laten volgen, waar ook andere Nederlandse leerlingen verblijven. De directeur Ferdinand Helmke biedt hen verblijf en logies. Hier raakt de jonge Moleschott in de greep van schrijvers als Hugo, Milton, Dante, Shakespeare, Pope, Byron, Lessing en Goethe die levenslang zijn lievelingsdichter zal blijven. Moritz Fleischer (1809-1876) ‘die van al mijn leermeesters den grootsten en weldadigsten invloed op mij heeft uitgeoefend’ (Moleschott, 1895, p. 38) prikkelt zijn belangstelling voor wijsbegeerte en leidt hem, als overtuigd Hegeliaan, in in de toen nog actuele leer van Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831), met name in Hegels geschiedenis der wijsbegeerte en zijn esthetiek. Dit resulteert in een grote liefde voor het idealisme dat hij zijn hele leven zal vasthouden, er van overtuigd dat wetenschap en wijsbegeerte niet zonder elkaar kunnen. Tegen het eind van zijn gymnasiumtijd raakt Moleschott in een geloofscrisis en breekt na een zware en pijnlijke strijd met het geloof.

Uit Moleschotts nabeschouwing over zijn gymnasiumtijd blijkt grote waardering voor de school en de leraren, maar de wiskunde- en biologielessen stelden niet veel voor en de geschiedenislessen waren allesbehalve objectief. ‘De geest der school moest ons drillen tot aanbidders van Pruisen en diens koning, daar het onomstotelijk vast stond, dat de ware wetenschap en de hoogste vorming alleen in Pruisen te vinden waren’ (Moleschott, 1895, p. 52).

Freiherr vom Stein-Gymnasium in Kleef, Nordrhein-Westfalen, Duitsland (Bron: Wikimedia Commons)
Freiherr vom Stein-Gymnasium

Freiherr vom Stein-Gymnasium in Kleef, Nordrhein-Westfalen, Duitsland (Bron: Wikimedia Commons)

Portret van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, geschilderd in 1831 door Jakob Schlesinger (Bron: Wikimedia Commons)
Hegel

Portret van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, geschilderd in 1831 door Jakob Schlesinger (Bron: Wikimedia Commons)

Studietijd in Heidelberg, 1842-1845

In het voetspoor van zijn vader begint Moleschott in 1842 aan de studie geneeskunde aan de universiteit van Heidelberg. De kern van de medische wetenschap is voor hem de natuurwetenschappelijke fysiologie. Deze, door zijn vader geïnspireerde opvatting, zal zijn hele wetenschappelijke loopbaan bepalen. Geneeskunde dient bovendien bestudeert te worden als een positivistische wetenschap, met een strikt onderscheid tussen feit en interpretatie. Behalve medicijnen wil hij ook wijsbegeerte studeren. ‘Het werd mij duidelijk, dat elk uur, dat ik aan de filosofie wijdde, mijne kennis der geneeskunde zou moeten vermeerderen, en dat elke dag, dien ik aan de natuurwetenschappen besteedde, het gebied der wijsbegeerte moest uitzetten’ (Moleschott, 1895, p. 57).

Universiteit van Heidelberg ca. 1900 (Bron: Wikimedia Commons)
Universiteit Heidelberg

Universiteit van Heidelberg ca. 1900 (Bron: Wikimedia Commons)

Universiteitsbibliotheek Heidelberg (Bron: Wikimedia Commons)
Universiteitsbibliotheek Heidelberg

Universiteitsbibliotheek Heidelberg (Bron: Wikimedia Commons)

De opleiding valt hem aanvankelijk tegen. Heidelberg trekt veel studenten aan en daardoor is er weinig ruimte voor klinisch onderwijs, terwijl toch observatie en experiment van groot belang zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Hij heeft het geluk dat hij in de vakanties met zijn vader visites kan rijden en zo de fijne kneepjes van de praktijk kan leren kennen. Bovendien vindt hij het onderwijs in de natuurwetenschappen te fragmentarisch, hij mist een visie van waaruit onderwijs en onderzoek kan worden beoordeeld. Gelukkig zijn er een aantal hoogleraren die de kunst verstaan hem in de wetenschap in te leiden en zijn belangstelling te prikkelen voor diepgaander studie.

Het onderwijs aan de medische faculteit

Zo blijkt de Duitse chemicus Wilhelm Delffs (1812-1894) een uitstekend docent en inspirerende onderzoeker. ‘Zoo verliet men de lessen van Delffs nimmer zonder iets bruikbaar geleerd te hebben’ (Moleschott, 1895, p. 60). De Duitse anatoom-fysioloog Theodor von Bischoff (1807-1882) is ook een goed docent, vooral als hij over de ontwikkelingsgeschiedenis van zoogdieren spreekt, waarin hij veel onderzoek doet en microscopische demonstraties geeft van plantenweefsels en van lagere planten. In 1843 vertrekt Bischoff naar Gießen. Hij wordt opgevolgd door de Duitse anatoom-fysioloog Jacob Henle (1809-1885) die de studenten betovert zowel door zijn woord als door zijn gedachten en daden. ‘Terwijl men zich moest inspannen om zijn gedachtengang te volgen, leerde men zelf denken, en wanneer men, niet te zeer met feiten overladen, van het college naar huis ging, dan had men leeren inzien, hoeveel er te denken viel’ (Moleschott, 1895, p. 69). De Duitse gynaecoloog Franz Naegele (1778-1851) verlevendigt zijn lessen met microscopische demonstraties van bekkenafwijkingen. De Duitse anatoom-fysioloog Friedrich Tiedemann (1781-1861) en de Duitse chemicus Leopold Gmelin (1788-1853), beide voortrekkers op wetenschappelijk gebied, daarentegen zijn vrij slechte docenten, evenals de clinicus en patholoog F.A.B. Puchtelt (1784-1856) en de Duitse oogarts en chirurg Maximilian Joseph von Chelius (1794-1876).

Theodor Ludwig Wilhelm von Bischoff, ca. 1870 (Bron: Wikimedia Commons)
Von Bischoff

Theodor Ludwig Wilhelm von Bischoff, ca. 1870 (Bron: Wikimedia Commons)

Jakob Henle, lithografie door Rudolf Hoffmann, 1857 (Bron: Wikimedia Commons)
Henle

Jakob Henle, lithografie door Rudolf Hoffmann, 1857 (Bron: Wikimedia Commons)

Franz Naegele (Bron: Wikimedia Commons)
Naegele

Franz Naegele (Bron: Wikimedia Commons)

Contacten met pioniers van het 19de-eeuwse materialisme

In de avonduren neemt hij vaak zijn toevlucht tot Hegels Phänomenologie des Geistes (1807) onder leiding van een zekere Dr. Berg. Vooral Hegels dynamische geschiedopvatting – de geschiedenis van het denken als een doorlopend proces - spreekt hem zeer aan. Om deze moeilijke filosofie beter te begrijpen leest hij ook het hegeliaanse tijdschrift Hallesche Jahrbücher (1838-1843). Via deze jaarboeken komt hij in contact met de atheïstische jonghegelianen David Strauß (1808-1874) en Friedrich Vischer (1807-1887). Door hun denkbeelden komt hij voor het eerst in aanraking met het materialisme.

In de zomer van 1842 gaat hij op vakantie naar Würtemberg, waar hij persoonlijk kennismaakt met beide onderzoekers. Hij is razend enthousiast over Strauß en vertaalt zijn Friedliche Blätter en Vischers Doktor Strauß und die Würtemberger in het Nederlands, maar kan geen uitgever vinden die bereid is de vertalingen uit te geven. De (christelijke) Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels blijkt een “zwarte lijst” te hebben ingesteld voor werken met radicale theologische implicaties; bovenaan de lijst prijkt Strauß. Vrijdenkers en democraten zijn in die tijd verdacht en moeten op hun tellen passen. Deze verstikkende atmosfeer doet zijn waardering voor Nederland niet toenemen. Zijn vertaling van Philosophische Betrachtungen der Natur van de Duitse wiskundige en natuurfilosoof Karl Snell (1806-1886) wordt wel gepubliceerd.

Portret van David Friedrich Strauß (Bron: Wikimedia Commons)
Strauß

Portret van David Friedrich Strauß (Bron: Wikimedia Commons)

Portret van Friedrich Theodor Vischer (Bron: Wikimedia Commons)
Vischer

Portret van Friedrich Theodor Vischer (Bron: Wikimedia Commons)

Portretfoto van Karl Snell, gemaakt door Carl Schenk, omstreeks 1858 (Bron: Wikimedia Commons)
Karl Snell

Portretfoto van Karl Snell, gemaakt door Carl Schenk, omstreeks 1858 (Bron: Wikimedia Commons)

Ontspanning: Moleschotts liefde voor literatuur en muziek

In 1843 raakt Moleschott bevriend met de Duitse jurist Heinrich Bernhard Oppenheim (1819-1880) waardoor hij in aanraking komt met de Duitse romantische literatuur. Oppenheim dweept met Bettina van Arnim (1785-1859) en op zijn aansporing leest Moleschott enkele werken van haar. In de herfst van 1843 maken beide vrienden een voettocht door Zwitserland. In Bern ontmoeten ze de Duitse arts en fysioloog Gabriel Gustav Valentin (1810-1883) en de Zwitserse radikaal liberale staatsman Wilhelm Snell (1789-1851). In Zurich ontmoeten zij Jacob Henle, die dat jaar hoogleraar in Heidelberg wordt.

Portret van Bettina von Arnim, ca. 1890
Bettina von Arnim

Portret van Bettina von Arnim, ca. 1890 geschilderd (bron: Wikimedia Commons)

Gabriel Gustav Valentin (Bron: Wikimedia Commons)
Valentin

Gabriel Gustav Valentin (Bron: Wikimedia Commons)

Wilhelm Snell (Bron: Wikimedia Commons)
Wilhelm Snell

Wilhelm Snell (Bron: Wikimedia Commons)

Behalve deze wat zwaarwichtige vriendschappen genoot Moleschott ook van huiselijke bezoeken aan verschillende Heidelbergse families. Hij leert de Duitse historicus Friedrich Schlosser (1776-1861) kennen, ‘wiens troost en raad ik nimmer te vergeefs zou inroepen, die mij zou voeden met zijn verheven wijsheid en mij met voorkomende vertrouwelijkheid zelfs deel zou doen nemen aan zijn arbeid’ (Moleschott, 1895, p. 71). Hij komt veel aan huis bij de Duitse letterkundige en filosoof Christian Kapp (1790-1874) die hem prikkelt om veel te lezen op het gebied van de wijsbegeerte en belletrie. Hij leest graag schrijvers zoals Goethe, Dante, Shakespeare, maar ook Lessing, Spinoza en Giordano Bruno van wie hij zijn hele leven een groot bewonderaar zal blijven. In navolging van Bruno en Spinoza meent hij dat de hele werkelijkheid, God en de wereld, in wezen één is.

Bij Tiedemann en Bischoff wordt hij vaak te eten gevraagd. Von Chelius en Puchtelt geven bals en soirees waaraan hij een winter lang hartstochtelijk deelneemt. Ook andere docenten zoals Delffs en Henle geven avondjes, soms met de serieuze gesprekken, maar meestal heeft gezelligheid de overhand. Hij komt ook graag bij Nederlandse families o.a. bij de Amsterdamse familie Luden die hij door zijn broer Frits heeft leren kennen. Er wordt veel gemusiceerd, over literatuur gesproken en gewandeld. ‘s Winters heeft hij eens per week een bijeenkomst met een aantal vrijzinnige docenten en studenten in de kelder van het Heidelberger slot. Daar smeden zij ‘geestdriftvolle plannen ter verbetering der wereld en ter vervolmaking van eigen studie’ (Moleschott, 1895, p. 77).

Friedrich Schlosser (Bron: Wikimedia Commons)
Schlosser

Friedrich Schlosser (Bron: Wikimedia Commons)

Maximilian Joseph von Chelius (Bron: Wikimedia Commons)
Von Chelius

Maximilian Joseph von Chelius (Bron: Wikimedia Commons)

Heidelberger slot. Foto juli 1995 (Bron: Wikimedia Commons)
Heidelberger slot

Heidelberger slot. Foto juli 1995 (Bron: Wikimedia Commons)

Moleschotts eerste wetenschappelijk onderzoek en promotie, 1845

In zijn laatste studiejaar wil Moleschott zelfstandig wetenschappelijk onderzoek gaan doen. Het Teyler Genootschap te Haarlem heeft een prijsvraag uitgeschreven voor een kritische studie over de theorie van de voeding van de plant van de Duitse chemicus Justus von Liebig (1803-1873). Op aanraden van Delffs stuurt hij zijn verhandeling in. Voordat de uitslag bekend wordt, die wellicht Liebigs ergernis zou opwekken, wil hij graag Liebig persoonlijk leren kennen. Hij reist in oktober 1844 naar Gießen en bezoekt Liebig die hem zijn laboratorium laat zien.

Justus von Liebig
Von Liebig

Justus von Liebig

Schilderij van Justus von Liebigs laboratorium in Gießen, ca. 1841 (huidige Liebig-Museum) (Bron: Wikimedia Commons)
Von Liebigs laboratorium

Schilderij van Justus von Liebigs laboratorium in Gießen, ca. 1841 (huidige Liebig-Museum) (Bron: Wikimedia Commons)

In december 1844 ontvangt hij het bericht dat zijn inzending met goud bekroond is en in december 1845 is de verhandeling opgenomen in de Verhandelingen van het Genootschap onder de titel Kritische Betrachtung von Liebig's Theorie der Planzenernährung. Deze stuurt hij naar Liebig die hem allervriendelijkst bedankt met de woorden: ‘Verre van mij beleedigd te gevoelen door Uwe tegenwerpingen, juich ik deze zeer toe, daar zij almede kunnen dienen om het kaf van het koren te scheiden, en wanneer zulks gentlemanlike geschiedt, gelijk gij hebt gedaan, dan heb ik reden genoeg om tevreden te zijn’ (Moleschott, 1895, p. 80). Van de beloning voor de prijsvraag, 400 gulden, schaft hij zijn eerste microscoop aan.

In het najaar besluit Moleschott aan zijn proefschrift te gaan werken. In overleg met Henle kiest hij voor een microscopisch onderzoek van de longen als onderwerp voor zijn dissertatie. Hij onderzoekt de anatomie van de longen en toont aan dat de wand van de longblaasjes uit gladde spiervezels bestaat. Op 22 januari 1845 promoveert hij op De Malpighianis pulmonum vesiculis. Dissertatio anatomico-physiologica. De promotiekosten betaalt hij met het geld dat hij heeft verdiend met de vertaling in het Hoogduits van de eerste uitgave van de Physiologische Chemie van de chemicus Gerrit Jan Mulder (1802-1880), hoogleraar scheikunde te Utrecht. Zo gauw hij kan, neemt hij het eerste schip dat de Rijn afvaart naar Nederland. Zijn studententijd is voorbij en thuis wordt hij als een held ontvangen.

Moleschotts verblijf in Utrecht, 1845-1847

Terug in Nederland blijft Moleschott enige tijd bij zijn ouders in ’s Hertogenbosch om de drukproeven van zijn Teylerverhandeling te corrigeren en zich voor te bereiden op het colloquium doctum om het recht te krijgen zich in Nederland als arts te mogen vestigen. In Leiden wordt hij toegelaten tot het examen en hij legt dit zonder moeilijkheden af. In zijn laatste studiejaar heeft hij de chemicus Gerrit Jan Mulder (1809-1880) en de fysioloog Frans Donders (1818-1889) in Utrecht bezocht en het feit dat zij daar werken, doet hem besluiten zich als arts in Utrecht te vestigen. Zijn praktijk begint met enkele patiënten uit de universitaire kring en het aantal breidt zich geleidelijk uit. Hij vindt ook werk als onderzoeker in Mulders nieuwe laboratorium. Hier leert hij de methoden van natuurwetenschappelijk onderzoek en het belang van objectieve waarneming kennen. Hij werkt veel samen met Donders die dierlijke weefsels systematisch op hun histochemische eigenschappen onderzoekt.

Gerrit Jan Mulder
Mulder

Gerrit Jan Mulder (Bron: Wikimedia Commons)

Frans Donders
Donders

Frans Donders (Bron: Wikimedia Commons)

Moleschotts onderzoek gerelateerd aan sociale vraagstukken

Hij doet ook zelfstandig onderzoek dat vaak een sociaal motief heeft: ten gevolge van de industriële revolutie is bijna 20% van de Nederlandse bevolking verpauperd. Vooral de allerarmsten worden getroffen door de misoogsten van 1845-1847, die honger en veel sociale ellende veroorzaken. De berusting van de paupers in hun situatie komt volgens Moleschott voort uit de eenzijdigheid van hun voedsel. Daarom acht hij een radicale verandering van het paupermenu een eerste vereiste, anders komen ze nooit in opstand. Net als zijn werkgever zoekt hij naar de samenhang tussen voeding en de menselijke geest. De relatie met Mulder bekoelt na enige tijd, maar tussen hem en Donders ontstaat een hechte vriendschap. Ook met Ernestine Zimmerman met wie Donders in 1845 trouwt, kan hij het uitstekend vinden; hij leert door haar de romans van Jacob van Lennep kennen en begeleidt haar op de piano bij het zingen van de ballades van Carl Löwe.

Kort na zijn vestiging in Utrecht ontmoet Moleschott de arts en wetenschapper Izaac van Deen (1805-1869), die een vriend voor het leven wordt. Hoewel Van Deen een drukke huisartsenpraktijk heeft in Zwolle, doet hij ook neuro-fysiologisch onderzoek. Moleschott begint samen met Van Deen en Donders met het tijdschrift Holländische Beiträge zu den anatomischen und physiologischen Wissenschaften, dat het drie jaargangen volhoudt (1846-1848). Behalve hun eigen onderzoek publiceren ze ook artikelen van hun leermeester Mulder en andere vooraanstaande Nederlandse onderzoekers. Verder verschijnen er gedurende zijn verblijf in Utrecht een twaalftal korte publicaties, overwegend van histochemische en fysiologische aard, en schrijft hij o.a. voor het Nederlandsch Lancet boekbesprekingen. Daarnaast doet hij veel vertaalwerk.

In 1846 komt zijn oude leermeester uit Kleef, Moritz Fleischer (1809-1876), hem opzoeken en raadt hem dringend aan het boek Das Wesen des Christentums (1841) van de Duitse filosoof en antropoloog Ludwig Feuerbach (1804-1872) te lezen. Het werk van Feuerbach oefent grote invloed uit op Moleschott en inspireert hem tot het wijsgerig stelsel het materialisme. Door het lezen van Feuerbach komt hij tot de overtuiging dat alle godgeleerdheid opgelost dient te worden in antropologische kennis: niet God maar de mens en zijn kennis zijn de maatstaf van alle dingen en de stofwisseling is de scharnier waar de materialistische wijsbegeerte om draait.

Izaac van Deen
Van Deen

Izaac van Deen, omstreeks 1870 (Bron: Wikimedia Commons)

Ludwig Feuerbach
Feuerbach

Ludwig Feuerbach (Bron: Wikimedia Commons)

Afkeer van Nederlandse mentaliteit en verering van Duitsland

Nederland begint Moleschott steeds meer te benauwen. Het aantal patiënten neemt gestaag toe en hij vreest dat hij steeds minder tijd zal overhouden voor fysiologisch onderzoek. Voor het doen van wetenschappelijk onderzoek is in de negentiende eeuw een post aan de universiteit de aangewezen weg. In Leiden zal er een leerstoel voor anatomie en fysiologie vrijkomen als hoogleraar G. Sandifort (1779-1848) met emeritaat gaat. Moleschott ziet dit als dé kans om onderzoek te kunnen doen en twijfelt er niet aan dat Donders, Van Deen of hijzelf daarvoor in aanmerking komen, maar geen van hen wordt benoemd. Hij begint zich te ergeren aan het universitaire aanstellingsbeleid waarbij z.i. het nepotisme niet zelden een rol zou spelen.

Die ergernis culmineert op 8 juli 1848 in een artikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Maar zijn artikel “Die medicinische Lehranstalten an den Hochschulen Niederlands” in Roser und Wunderlich’s Archiv für physiologische Heilkunde (VII, p. 472-479) maken hem in de wetenschappelijke wereld in Nederland onmogelijk, zodat zijn werk pas tegen het eind van zijn leven en na zijn dood de erkenning gevonden heeft die het verdiende. Hij beperkt namelijk zijn kritiek niet tot het benoemingsbeleid, maar laat zich door zijn emoties meeslepen – hij verkeert in een vrijheidsroes van Duitsland ten gevolge van de Maartrevolutie - en schrijft: ‘geen Pruisen, geen Oostenrijk, geen Sleeswijk, geen Holland voortaan meer, maar een Duitsland alleen! – Daarin bestaat de eenige oplossing, waarin Nederland zijn heil kan vinden’ (Moleschott, 1895, p. 100). Deze politieke dwaling – de revolutie wordt op 23 juli 1849 met militair geweld beëindigd en de Duitse macht gaat gepaard met verloochening van vrijheid en onafhankelijkheid - heeft hij pas in 1883 in Hermann Hettner's Morgenroth openlijk herroepen.

Maartrevolutie 1848
Maartrevolutie 1848

Schilderij van de Maartrevolutie, 18/19 maart 1848 in Berlijn (Bron: Wikimedia Commons)

Hermann Hettner's Morgenrot
Hermann Hettner's Morgenroth

Jac. Moleschot, Hermann Hettner's Morgenroth (1883)

Het ontbreekt hem niet aan boeiend werk en vriendschap, maar Moleschott voelt zich soms diep ongelukkig. Niet alleen door zijn verlangen om zich overwegend aan de fysiologie te wijden, maar ook door zijn heimwee naar de Duitse cultuur. Om uit Utrecht weg te komen solliciteert hij naar de functie van algemeen arts in de psychiatrische inrichting te Deventer. De benoeming gaat echter naar iemand anders. Dit brengt hem ertoe zijn leven radicaal om te gooien: hij besluit zich uitsluitend te gaan wijden aan de studie van en het onderwijs in de fysiologie en zich als privaatdocent aan de universiteit te Heidelberg te vestigen. Via bemiddeling van Jacob Henle (1809-1885) krijgt hij hiervoor toestemming. Hij kan zijn geluk niet op, want nu kan hij zich helemaal aan zijn geliefde studie gaan wijden. Eind maart 1847 keert hij vol hooggespannen verwachtingen terug naar Heidelberg.

Als zijn plannen bekend worden in Utrecht, biedt men hem een lectoraat aan in de gerechtelijke geneeskunde in Utrecht, maar hij weigert. ‘Voor mij was het in Holland toen noch de rechte tijd, noch de rechte plaats, en dankbaar erken ik het, dat men mij, toen ik deze plaats natuurlijk elders zocht, gaarne in het vaderland had gehouden. Ontwikkeling, neiging, streven – alles dreef mij de wijde wereld in’ (Moleschott, 1895, p. 111).

Privaatdocent in Heidelberg, 1847-1854

Na een proefcollege over de rol die ademhaling in de stofwisseling vervult, kan hij zich als privaatdocent vestigen. Hij besluit met de fysiologische chemie te beginnen en geleidelijk zijn lessen uit te breiden tot de hele fysiologie. Er komen slechts een paar toehoorders en een kleine keuken is zijn laboratorium. Gelukkig kan hij nog iets bijverdienen als schrijver en als arts met zo nu en dan een patiënt. Deze penibele situatie qua inkomen is van korte duur; zijn leermeester Friedrich Tiedemann (1781-1861) vraagt hem het derde deel van zijn Physiologie des Menschen, dat over voedingsmiddelen gaat, te bewerken en er de nieuwste fysiologisch-chemische gegevens in op te nemen. Moleschott voelt zich zeer vereerd. Dit resulteert in 1850 in Physiologie der Nahrungsmittel. Ein Handbuch der Diätetik, een volledig omgewerkte uitgave van Tiedemanns voedingsfysiologie. In hetzelfde jaar nog verschijnt zijn vertaling in het Nederlands.

Friedrich Tiedemann
Tiedemann

Friedrich Tiedemann (Bron: Wikimedia Commons)

Jacques Moleschott
Moleschott, 1947

Jacobus Moleschott, 1847 (Bron: R.J.Ch.V. ter Laage, Jacques Moleschott (1980, p. 42)

Voedingsleer voor het volk

Hij gaat nu behalve fysiologische chemie ook dieetleer geven en maakt tijdens zijn lessen veel gebruik van experimenten en demonstraties. Hierdoor trekt hij steeds meer studenten aan. Moleschott ziet in de dieetleer het zwaartepunt van de geneeskunde en zijn Physiologie der Nahrungsmittel dient de arts tot handleiding voor een rationele gezondheidsleer. Het verdient echter in ruimer kring verspreid en gelezen te worden. Daarom stelt hij nog hetzelfde jaar een voedingsleer voor het volk samen, Lehre der Nahrungsmittel. Für das Volk, waarin hij de betekenis van voedingsmiddelen voor de geestelijke ontwikkeling van het individu, van bepaalde beroepen en van bevolkingsgroepen benadrukt. In dit boek komen zijn materialistische opvattingen duidelijk naar voren: de materie/voeding bepaalt hoe de mens zich zal ontwikkelen. Kracht, vitaliteit en spiritualiteit zijn afhankelijk van de materie en de onderlinge verhoudingen van diverse voedingsstoffen. Hij legt verbanden tussen voedingsgewoonten en gedrag, vanuit het standpunt dat het denken afhankelijk is van wat er wordt gegeten en wijst op het grote belang van de fosforhoudende lipiden voor de hersenactiviteit: ‘Ohne Phosphor kein Gedanke’ (Moleschott, 1850b, p. 116). Voor hem is dit een empirisch feit, waar niemand omheen kan. Deze ‘materialistische’ stelling wordt echter tot in de huidige tijd als een soort etiket op Moleschott geplakt, maar doet tekort aan Moleschotts veelzijdigheid en diepgang van zijn wijsgerig gedachtegoed.

Lehre der Nahrungsmittel
Lehre der Nahrungsmittel

Jac. Moleschott, Lehre der Nahrungsmittel (1853)

Ohne Phosphor kein Gedanke
'Ohne Phosphor kein Gedanke'

'Ohne Phosphor kein Gedanke' (Bron: Jacobus Molesnchott, Lehre der Nahrungsmittel (tweede uitgave, 1853, p. 120)

Dit boek vestigt zijn naam als populair schrijver en wekt de bewondering van de beroemde Duitse natuurkundige Alexander von Humboldt (1769-1859). Ook Feuerbach spreekt zich lovend uit over zijn boek in zijn essay Die Naturwissenschaft und die Revolution (1850). Hij noemt het ‘een indringend en actueel bewijs van de universele revolutionaire betekenis van de natuurwetenschap … dat de ware “beginselen van de filosofie van de toekomst” en het heden bevat. … We zien tevens van welke belangrijke ethische als politieke betekenis de leer van de voedingsmiddelen voor het volk is. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, tot gedachten en denkbeelden. Menselijke spijs is de basis van menselijke vorming en gezindheid. Wil je het volk verbeteren, geeft hen dan in plaats van declamaties tegen de zonden beter voedsel. Der Mensch ist, was er ißt’.

Alexander von Humboldt
Von Humboldt

Alexander von Humboldt, portret door Joseph Karl Stieler, 1843 (Bron: Wikimedia Commons)

Feuerbach
Feuerbach

Ludwig Feuerbach (Bron: Wikimedia Commons)

In korte tijd wordt zijn boek bijzonder populair. Er verschijnen vertalingen in het Engels, Frans, Italiaans, Spaans, Russisch en in het Nederlands en twee herdrukken. Uit Moleschotts boek blijkt ook zijn maatschappelijk engagement. Op de constatering van een samenhang tussen armoede en slechte voeding volgt een moreel oordeel, namelijk dat honger de voedingsbodem is voor terechte eisen – zoals recht op een voedzaam dieet en recht op arbeid - om ongelijkheid op te heffen. ‘Iemand die zwaren lichamelijken arbeid verricht, heeft recht op een voedzaam dieet’ (Moleschott, 1850b, p. 229). Vanuit deze socialistische stellingname veroordeelt hij de conservatieve maatschappij die deze ongelijkheid in stand houdt.

Molenschotts vriendschap met Hettner

Op 17 april 1847 maakt hij kennis met de Duitse literatuur- en kunsthistoricus Hermann Hettner (1821-1882). Deze is juist terug van een Italiaanse reis en vestigt zich als privaatdocent voor literatuur- en kunstgeschiedenis te Heidelberg. Deze kennismaking loopt uit op een levenslange vriendschap. Beide zijn fervente navolgers van Feuerbach. Hettner leert hem kunst te waarderen en brengt hem in contact met vertegenwoordigers van de kunst en politiek. Via Hettner leert hij de Zwitserse dichter en politicus Gottfried Keller (1819-1890), de Duitse landschapschilder Bernhard Fries (1820-1879), de Duitse schrijver Berthold Auerbach (1812-1882) kennen en enkele Duitse auteurs die over Italië geschreven hebben. ‘Uit deze liefde tot de kunst ontsproot allengs een verlangen naar Italië, dat later mijne schoonste idealen verwezenlijkt heeft’ (Moleschott, 1895, p. 115).

Gottfried Keller
Keller

Gottfried Keller (Bron: Wikimedia Commons)

Berthold Auerbach
Auerbach

Berthold Auerbach

Ze komen veel aan huis bij professoren en docenten waar Moleschott in zijn studententijd al contact mee had. Zo zijn ze altijd welkom bij de Duitse historicus Friedrich Schlosser (1776-1861) en de Duitse filosoof en politicus Christian Kapp (1790-1874). Iedereen met vrijzinnig politieke of wijsgerige ideeën kon je bij Kapp thuis aantreffen. Hier maakt hij ook persoonlijk kennis met Ludwig Feuerbach, wiens gedachtegoed van lieverlede zijn hele denkwijze bepaalt. De vrienden wonen vier jaar lang in het zelfde huis totdat Hettner in 1851 een professoraat in Jena aangeboden krijgt. In 1883 schrijft Moleschott ter nagedachtenis van zijn boezemvriend die 29 mei 1882 is overleden Hermann Hettners Morgenroth. ‘Wij leeren in Hettner’s Morgenroth Moleschott kennen als een man, bezield met eene enthousiastische liefde voor de kunst, in al hare uitingen. Tot de ontwikkeling van dat kunstgevoel heeft de dagelijksche omgang met Hettner zeker niet weinig bijgedragen’ (Haan, 1883, p. 247-248). Uit dit boek blijkt dat hij kunst hoog aanslaat: “Kunst ist Religion”. Religie niet als geloofsbekentenis, maar als een Iets dat hem heilig is.

Hermann Hettner
Hettner

Hermann Hettner (Bron: Wikimedia Commons)

Friedrich Schlosser
Schlosser

Friedrich Schlosser (Bron: Wikimedia Commons)

Zijn huwelijk en uitbreiding van zijn privaatlessen

In de pinkstervakantie 1848 brengt Moleschott een bezoek aan Dr. George Strecker in Mainz en ziet hij Sophie Strecker terug, die hij al eerder bij Kapp en Auerbach ontmoet heeft. Sophie is heel belezen, ook op het gebied van de wijsbegeerte. Bovendien is zij kunstzinnig, gevoelig en vrijzinnig in haar opvattingen. Moleschott is op slag verliefd en vraagt haar ten huwelijk. Ze verloven zich op 18 juni en trouwen op 14 maart 1849, ten tijde van het Frankfurter Parlement dat een nieuwe Duitse eenheidsstaat met steun van het volk tracht te bewerkstelligen waar Moleschott, als linksliberaal, zijn hoop op heeft gevestigd. Dit liberale streven mislukt en de Duitse Bond wordt na de onderdrukking van een opstand in Baden op 23 juli kort daarop weer ingesteld.

Frankfurter Parlement in de Paulskirche
Paulskirche

Frankfurter Parlement in de Paulskirche, gravure 1848, naar een tekening van Ludwig von Elliot (Bron: Wikimedia Commons)

Duitse Bond 1815-1866
Duitse Bond

Kaart van de Duitse Bond van 1815-1866 (Bron: Wikimedia Commons)

Na de zomer van 1849 vraagt Henle hem lessen in vergelijkende anatomie te gaan geven. Met oog op zijn colleges verdiept hij zich hierin en ten behoeve van demonstraties stroopt hij met Sophie en haar jongere zusje Lina sloten af op zoek naar ongewervelde dieren en kikkers. Hij doet namelijk veel kikkerproeven om de invloed van het licht op de dierlijke stofwisseling na te gaan. Sophie helpt hem ook bij het laboratoriumwerk en als zij in 1851 een kleine erfenis krijgt, wordt deze aangewend voor de aankoop van de benodigde instrumenten. Zo weten zij in enkele jaren een fysiologisch laboratorium in te richten. Hierdoor kan Moleschott zijn studenten goed opleiden en hen betrekken in het wetenschappelijk werk door hen mee te laten werken aan allerlei onderzoek.

In de zomer van 1851 gaat Moleschott ook experimentele fysiologie doceren. Dankzij zijn experimenten, waar hij nu het instrumentarium voor heeft, trekt hij meer studenten aan dan Henle, omdat Henle niet experimenteert. Uit brieven aan Hettner en Van Deen eind 1853 blijkt dat hij dringend op zoek moet naar een laboratorium, omdat zijn benedenbuurman zo geklaagd heeft over zijn menagerie van kikkers, konijnen en honden, dat zij het huis uit moeten. Begin januari 1854 gaan zij weer terug naar hun vroegere woning en vindt hij drie college- en laboratoriumruimtes waardoor hij nu over zestig college- en dertig practicumplaatsen beschikt.

Behalve genoemde vakken studeert en doceert hij ook antropologie. Moleschott ziet de antropologie, in navolging van Feuerbach, als zijn levenstaak. Hij omschrijft haar als ‘menschkunde naar alle zijden, zonder theologie of teleologie, zonder godsdienstwaanzin en doelmatigheidsleer – maar met godsdienst en wel met dien godsdienst, die den mensch leert beschouwen als een afhankelijk, door de natuur bepaald wezen, die het als zijn plicht beschouwt zijne afhankelijkheid van de natuur meer en meer om te zetten in afhankelijkheid van de kultuur, en die hem behalve met eerbied voor de natuur ook bezielt met de begeerte en het vermogen om de natuur te beheerschen’ (Moleschott, 1895, p. 176).

Het gaat Moleschott in het begin van de vijftiger jaren financieel vrij goed. Voor een deel is dit te danken aan zijn colleges die goed worden bezocht, maar ook aan Moleschotts grotere werken die goed verkocht worden.

Moleschotts belangrijkste werken

Tussen 1850 en 1852 schrijft Moleschott zijn belangrijkste werken, waarin hij zijn materialistische stellingname uiteenzet, zonder afscheid te nemen van zijn liefde voor het idealisme en de romantiek. Zijn boeken worden even welwillend geprezen als fel bestreden. Voor de gevestigde orde doen zijn denkbeelden - onder andere de afwijzing van de vrije wil, van de ziel, van de openbaring en van de mens als kroon der schepping - afbreuk aan de menselijke waardigheid.

Zijn eerste wetenschappelijke boek is Physiologie der Nahrungsmittel. Ein Handbuch der Diätetik dat in 1850 verschijnt. Om een breder publiek te bereiken schrijft hij nog datzelfde jaar zijn Lehre der Nahrungsmittel. Für das Volk. Ongeveer een jaar later schrijft hij zijn Physiologie des Stoffwechsels in Pflanzen und Thieren. Ein Handbuch für Naturforscher, Landwirthe und Arzte. Zoals de ondertitel aangeeft, heeft hij dit geschreven voor vakmensen. Uit dit zuiver fysiologisch werk, dat gebaseerd is op het idee van de kringloop van de materie in de levende natuur, blijkt welke rol hij aan de materie toebedeelt en hoezeer zijn materialistische opvattingen en zijn fysiologie verweven zijn. De Duitse chemicus en fysioloog Karl Lehmann (1812-1863), de Duitse fysioloog Carl Ludwig (1816-1895), Feuerbach en Von Humboldt reageren enthousiast op dit boek. In tegenstelling tot zijn andere boeken, is dit boek nooit heruitgegeven

Physiologie des Stoffwechsels in Pflanzen und Thieren
Physiologie des Stoffwechsels in Pflanzen und Thieren

Jac. Moleschott, Physiologie des Stoffwechsels in Pflanzen und Thieren (1851)

Portret van Carl Ludwig, litho door Adolf Dauthage, 1859 (Bron: Wikimedia Commons)
Ludwig

Portret van Carl Ludwig, litho door Adolf Dauthage, 1859 (Bron: Wikimedia Commons)

In 1852 verschijnt Der Kreislauf des Lebens. Physiologische Antworten auf Liebig’s Chemische Briefe (hierna Der Kreislauf). Dit boek is bestemd voor het grote publiek, dat hij de kringloop van de materie in mens, plant en dier wil duidelijk maken. ‘Ik wilde in populairen stijl het woelen der elementen in de dieren- en plantenwereld schilderen, welke laatste niet ophoudt de bestanddeelen der aarde en van den dampkring in zich vast te leggen’ (Moleschott, 1895, p. 151). Dit boek, geschreven in briefvorm, heeft een polemisch karakter: hij keurt Liebigs levensopvatting in verband met diens gevolgtrekkingen uit wetenschappelijk onderzoek af – zoals het bestaan van de menselijke ziel en een alles doordringende levenskracht - en legt openlijk zijn eigen inzichten bloot, die gegrond zijn op wetenschappelijke waarnemingen en filosofische beschouwingen. Deze zijn voor een belangrijk deel te danken aan de invloed van Feuerbach’s materialisme, dat verder is ontwikkeld door de Duits-Zwitserse natuurwetenschapper Carl Vogt (1817-1895), de Duitse arts en natuurwetenschapper Ludwig Büchner (1824-1899) en door Moleschott. Het is weer een bestseller, gezien de vier heruitgaven en de vertalingen in het Engels, Frans, Italiaans en Russisch.

Der Kreislauf des Lebens 1852
Der Kreislauf des Lebens

Jac. Moleschott, Der Kreislauf des Lebens (1852)

Carl Vogt
Vogt

Carl Vogt (Bron: Wikimedia Commons)

Ludwig Büchner (Bron: Wikimedia Commons)
Büchner

Ludwig Büchner (Bron: Wikimedia Commons)

In Der Kreislauf rekent Moleschott af met geloof en kerk. Dit maakt op de volgelingen van David Strauß (1808-1874) en Feuerbach een diepe indruk. Zij voelen zich gesterkt in hun afwijzing van het geloof en hun grenzeloos vertrouwen in de natuurwetenschappen. Zijn idee van materie of ‘stof’ die eeuwig in beweging is dankzij haar eeuwige eigenschap ‘kracht’ en de zich hieruit steeds weer vernieuwende, ontwikkelende mensheid is een nieuw type eeuwigheidsgedachte, die aan zijn materialisme een diepere, metafysische betekenis geeft. Hij heeft de materie tot een al-organisme verheven: hij kent geen ongeestelijke materie, evenmin een onstoffelijke geest. Zijn idee om de doden te verbranden en de as weer in de aarde te brengen, geeft veel aanstoot bij de conservatieven: ‘Die verbranding zou de lucht verrijken met koolzuur en ammoniak, terwijl de asch, waarin de organen voor nieuwe granen, dieren en menschen vervat zijn, onze heidevelden in vruchtbare velden zou doen veranderen’ (Moleschott, 1895, p. 156). Dit idee wordt als een bijzonder onchristelijk idee aangegrepen om tegen hem te ageren. De Pruisische regering, die steeds meer invloed op de universiteit van Heidelberg gaat uitoefenen, vindt het een gevaarlijk boek.