René Gude en het humeurmanagement

Gude is door zijn ziekte een boegbeeld van optimisme geworden, maar hij ziet zichzelf geenszins als ‘een blije optimist die de wereld zinvol en verheugend vindt’ (Gude, 2015, p. 4).

Van pessimist naar depressionist

In zijn studententijd is Gude aanhanger van metafysisch pessimisme van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860). Deze zwaarmoedige grondtoon heeft hij nooit helemaal kunnen loslaten. Behalve een depressieve kant, heeft hij ook last van heftige rancunes. Hij hecht geen enkel geloof aan de zin van het bestaan in dit enorme universum en voor hem bestaan er ook geen hemelse zingevers.

Arthur Schopenhauer, foto gemaakt door Jacob Seib in 1852
Arthur Schopenhauer

Arthur Schopenhauer, foto gemaakt in 1852 door Jacob Seib (Bron: Wikimedia Commons)

Hannah Arendt, 1944
Hannah Arendt (foto: Fred Stein)

Hannah Arendt, foto gemaakt door Fred Stein in 1944 (Bron: National Portrait Gallery, Smithsonian Institution; gift of Peter Stein)

In onze geseculariseerde samenleving is zin iets wat je zelf moet aanbrengen, zingeven. 'Ik zoek de zin van mijn leven in het welslagen van de projecten die ik met anderen onderneem', zegt hij bij zijn aantreden als Denker des Vaderland. ‘Zingeving, door onszelf en met elkaar, leidt tot huwelijken, vriendenkringen, verenigingen, stichtingen, bedrijven en politieke organisaties’ (Rek, 2013, p. 146). Het huwelijk ziet hij als prachtig voorbeeld van optimisme. Volgens de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt (1906-1975) is het huwelijk de enige manier om de toekomst te voorspellen: een belofte doen en je er aan houden. Dit maakt mensen interessant voor Gude.

Depressionisme

Gude is een pleitbezorger van het ‘depressionisme’, een niet naïeve, kritische variant van het optimisme en waar je bovendien een goed humeur van krijgt. Hij noemt ‘depressionisme’ zelfs zijn levenshouding. Je bereikt niets met pessimisme. Je moet een depressionist zijn: 'Je moet het beest recht in de bek kijken. Als het klote is dan is het klote en vervolgens moet je je door het leven laten verrassen en probeer je zolang mogelijk pessimist te blijven en op een gegeven moment mislukt dat, dan ben je een "mislukte pessimist"' zegt hij tijdens zijn laatste interview in DWDD op 29 september 2014.

Gude hekelt het doorgeslagen scepticisme, dat hij vooral aantrof bij bekende schrijvers en columnisten, die de neiging hadden ieder initiatief af te kraken en alleen slecht nieuws te brengen. Dit levert hem vooral veel sympathie op. Gude juicht juist leuke initiatieven toe en vindt het zijn taak om constructief mee te denken met initiatiefnemers. Het centrale thema van zijn denker-des-vaderlandsschap is dan ook ‘meedenken’. Natuurlijk moet je niet naïef met iedereen meedenken, maar volgens Gude is de appreciative enquiry noodzakelijk: onderzoek alles en behoud het goede.

Hij is er van overtuigd dat het altijd beter kan met de wereld. Hij noemt dit een ‘verbeterovertuiging’. Optimisme ziet hij als de bewuste illusie – een waardeoordeel, een projectie - dat de wereld niet door en door slecht is. Een optimist noemt hij een ‘optimeerder’, iemand die vindt dat we alle zeilen bij moeten zetten om te verbeteren wat er te verbeteren valt, zonder enige garantie dat het daadwerkelijk goed komt.

De optimistische visie maakt de mens actiever, maar hij kan er ook een potje van maken. Met een beetje gezond verstand en enige inzet kan je een ‘optimum’ bereiken in je privéleven, in je werk, in je publieke en in je politieke leven. Van het optimum bestaat geen blauwdruk, maar het helpt als je te rade gaat bij de klassieke denkers. Je hoeft immers niet alles zelf te bedenken.

Gottfried Wilhelm Leibniz
Wilhelm Leibniz

Portret van Gottfried Wilhelm Leibniz, geschilderd door Christoph Bernhard Francke (ca.1660-1670 – 1729) (Bron: Wikimedia Commons)

 Voltaire, geschilderd ca. 1724-1725 door Nicolas de Largillière.
Voltaire

Portret van Voltaire, geschilderd ca. 1724-1725 door Nicolas de Largillière (1656–1746) (Bron: Wikimedia Commons)

Candide, ou l'Optimisme, 1759
Candide, ou l'Optimisme (1759)

De eerste druk van Candide, ou l'Optimisme, 1759 (Bron: Wikimedia Commons)

Leibniz en zijn ‘optimum’

Het idee dat de huidige wereld de beste is van alle mogelijke werelden werd als eerste geopperd door de veelzijdige Duitse denker Wilhelm Leibniz (1646-1716). Die stelling werd met name door de Franse schrijver Voltaire (1694-1778) volkomen belachelijk gemaakt in zijn boek Candide, ou l'optimisme (1759). Leibniz heeft echter nooit beweerd dat de wereld goed is zoals hij is, maar dat van alle denkbare werelden deze wereld blijkbaar de beste is. Het is een ‘optimum’, een momentopname.

De beste wereld hoeft helemaal niet goed te zijn, het kan altijd beter. Volgens Leibniz moeten we met behulp van filosofie en wetenschap een helder beeld vormen van de wordingsgeschiedenis van het huidige optimum. Vervolgens moeten we alles doen wat in ons bereik ligt om eraan bij te dragen dat het volgende optimum beter wordt dan het huidige.

Strategisch optimisme

Gude is voorstander van een strategisch optimisme. Vooruitgang gaat niet vanzelf, maar vraagt een actieve houding. Het is een strategie, die je in een actieve en vastberaden ‘zijnsmodus’ zet om te streven naar een volgend optimum. ‘Laat ik het ‘kritisch irrationalisme’ noemen. Je weet het allemaal niet precies, maar je werkt eraan en zorgt dat de wereld er intussen niet slechter van wordt. En liefst beter’ (Rek, 2013, p. 146-147).

Het is de rode draad in zijn denken. Wat je niet was, kan je worden. Onderweg naar het zelf gestelde volgende optimum erkent de optimist het negatieve, maar blijft geloven in de kracht van ideeën en idealen. In zijn eigen leven streeft Gude ook naar een optimum.

Seneca, 1638
Seneca

Portret van Seneca naar de antieke 'Pseudo-Seneca' door Lucas Vorsterman (Bron: Wikimedia Commons)

Epictetus
Epictetus

Epictetus, stoïcijns filosoof, leefde van 50 tot ca. 130 n.Chr. (Bron: Wikimedia Commons).

'Je moet dus niet proberen om die emoties het zwijgen op te leggen, maar tegelijkertijd moet je ook geen verhalen fabriceren die allerlei emoties oproepen. Het beste is om geen ideeën over de dood te hebben’ (Gude, 2014, p. 16). De stoïci hebben dus geen kritiek van de passies ontwikkeld, maar een kritiek van het verstand. Het verstand moet leren zichzelf in bedwang te houden. Ook de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) stelde grenzen aan het verstand in zijn Kritiek van de zuivere rede (1781). Dit boek ziet Gude als zijn bijbel en heeft hij dan ook altijd binnen handbereik.

Immanuel Kant, 1790
Immanuel Kant

Portret van Immanuel Kant, ca. 1790 geschilderd (Bron: Wikimedia Commons)

Kritik der reinen Vernunft.uit 1781
Kritik der reinen Vernunft (1781)

Titelblad van de Kritik der reinen Vernunft.uit 1781 (Bron: Wikimedia Commons)

Humeurmanagement

Gude neemt deze wijze lessen ter harte en geconfronteerd met zijn ziekte en de dood daagt hij zichzelf uit om zijn emoties de baas te blijven. Hij noemt dit ‘humeurmanagement’ en ook wel bildung of bestemmingmakerij, of een vorm van 'ambachtelijk zingeven', want om je humeur te kunnen managen is het belangrijk dat je zin hebt in het leven.

Als filosoof lukt het Gude met denken, redeneren en gesprekken voeren, zijn emoties te beteugelen. Hij stelt dat je door goed na te denken en helder te formuleren je vaste grond onder je voeten kunt krijgen en je er voor kunt zorgen dat je je humeur goed houdt.

Het schilderij Democritus (centraal) en Protagoras (rechts) van Salvator Rosa uit 1663-'64
Democritus en Protagoras

Het schilderij Democritus (centraal) en Protagoras (rechts) van Salvator Rosa uit 1663/64 (Bron: Wikimedia Commons)

Pyrrho van Elis
Pyrrho van Elis op zee

De filosoof Pyrrho van Elis in een stormachtige zee, geschilderd door Petrarca (Bron: Wikimedia Commons)

Gude is dankzij deze levenshouding ook beter in staat is zijn goede humeur te bewaren. En hierdoor is hij weer beter in staat om het verdriet over zijn naderende dood met zijn naasten tegemoet te treden. Hij is ervan overtuigd dat het voor degene die dood gaat niet zo erg is. ‘Hoe eerder mensen beginnen met het denken aan degenen die doorleven, nadat er iemand doodgaat, hoe beter het is’ (Brands, 2014, p. 29). In een interview met Rosan Hollak in NRC Handelsblad (27 september 2014) stelt hij opnieuw dat we de neiging hebben ons te richten op het individu dat doodgaat, maar dat hij het zou het willen omdraaien.

Het besef dat de dood verdriet met zich meebrengt bij de mensen om je heen, maakt dat je beter kunt meedoen met het verzachten van dat verdriet. Dit probeert hij niet alleen thuis, maar ook in het publieke domein. ‘Ik denk dat het een functie heeft dat mensen niet alleen met hun eigen geliefden, maar met de hele samenleving in gesprek gaan over hun emoties. […] daar kan de samenleving vervolgens een gemeenschappelijke ervaring uit destilleren’ (Hollak, 2015, p. 22).

Doodsangst is voor nabestaanden

Gude heeft leren omgaan met zijn ongeneeslijke ziekte en hij was niet van plan de naderende dood zijn goede humeur te laten bederven. Dat dit niet altijd makkelijk was, blijkt uit het gesprek in DWDD op 29 september 2014. In het gesprek stelt hij dat emoties vaak voortkomen uit beelden die je zelf hebt bedacht. Hij maakt onderscheid tussen enerzijds woede en angst.

Woede gaat over wat gebeurd is en waar je weinig of niets aan kunt veranderen. Angst kun je managen door je gedachten te onderzoeken en te ontzenuwen. Als je je de dood voorstelt als iets angstaanjagends, zal het je zwaar vallen de angst onder controle te houden. Maar als je je de dood voorstelt als iets wat doodeenvoudig is, sterven als iets dat iedereen kan, valt de angst weg.

Verdriet is een ander verhaal, een eerlijke emotie. Het loslaten van dierbaren, van toekomstdromen en van het leven zelf, doet verschrikkelijk pijn. Terugkijken op het verleden en iedereen die daar een rol in speelde, valt hem heel erg zwaar en maakt hem heel verdrietig. Als je verdriet helemaal toelaat, wordt het vanzelf weer minder heftig. Woede en angst wil je niet, maar de enige goede angst voor de dood is de angst voor de dood van een ander. ‘Ik blijf erbij dat die angst serieuzer genomen kan worden dan die voor de eigen dood’ (Hollak, 2015, p. 11).

Jan Provoost, De gierigaard en de Dood (ca. 1515-1521) [Groeningemuseum]

Jan Provoost, De gierigaard en de Dood (ca. 1515-1521) [Groeningemuseum]

In een van zijn laatste gesprekken met Rosan Hollak merkt Gude op: ‘Hoe beter het leven is, hoe meer je lijdt als het afloopt’ (Hollak, 2015, p. 65). Toch lukt het hem om het verdriet over zijn naderende dood met open vizier tegemoet te treden door er veel over te praten, thuis en publiekelijk in interviews. Op deze wijze weet hij zijn goede humeur te bewaren. Gude heeft voor zichzelf de strategie bedacht: doen alsof het is zoals het altijd was: doorgaan met leven en de filosofieleraar uithangen, omdat hij daarvan geniet.

Tegelijkertijd maakt hij tijd vrij om om te zien naar zijn leven en dat te evalueren met zijn geliefden. Hij geniet er van als hij aanwijzingen vindt dat er dingen gelukt zijn in zijn leven en gewaardeerd worden. Dat lijkt hem de enige manier om zich een persoonlijk voortbestaan na de dood voor te stellen en daarbij hoopt hij dat hij een beetje in de geest van vrienden en bekenden zal na-ijlen.

Literatuurverwijzingen