Joep Dohmen en het humanisme

Joep Dohmen is dé Nederlandse filosoof van de levenskunst. De afgelopen twintig jaar heeft hij dit bij uitstek humanistische gedachtegoed grondig bestudeerd en in vele geschriften en lezingen uiteengezet.

De historische ontwikkeling van het humanisme

In de levensbeschouwing het humanisme staat de mens centraal. Het humanisme heeft een eigen mensbeeld, moraal en politiek. Het is afkerig ten opzichte van dogmatisme, absolute waarheidspretenties en alomvattende denksystemen.

Giovanni Pico della Mirandola
Pico della Mirandola

Portret van Giovanni Pico della Mirandola (Bron: Wikimedia Commons)

Michel de Montaigne
Michel de Montaigne

Portret van Michel de Montaigne (Bron: Wikimedia Commons)

In de loop van de geschiedenis zijn we van een externe, transcendente maat (natuur, God) overgegaan naar een interne maat (rede, gevoel, wil). Dit was een overgang van hiërarchisch naar meer gelijkwaardig, van objectief naar subjectief en intersubjectief. De moraal omvat het waardenpluralisme van vrijheid, gelijkheid en broederschap. De Franse filosoof René Descartes (1596-1650) wordt algemeen beschouwd als de eerste vertegenwoordiger van deze wending naar het subject.

Modern humanisme

Descartes was op zoek naar zekere kennis en om deze zekerheid te bewerkstelligen ging hij uit van de twijfel. Want het enige waarvan men zeker kan zijn, is dat men twijfelt. Zo kwam hij tot de stelling Cogito ergo sum, ik denk, dus ik ben: zijn ligt besloten in het denken. Voor Descartes vormen rede en bewustzijn de grondslag van subjectiviteit en moraal. Uiteindelijk zou de mens alle bedreigingen in de wereld het hoofd kunnen bieden. Daarmee staat Descartes aan de basis van het sciëntistisch humanisme.

René Descartes, 1649
René Descartes

Portret van René Descartes, geschilderd door Frans Hans ( ca. 1582–1666) ca. 1649 (Bron: Wikimedia Commons)

Discours de la Méthode
Discours de la Méthode (1637)

De eerste uitgave van Discours de la Méthode uit 1637 (Bron: Wikimedia Commons)

Het werk van de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) is van groot belang voor het moderne denken over moraal en autonomie. Kant bepleitte rationele autonomie en ontwikkelde een moraal gericht op goed handelen. Een goede handeling hangt af van de houding van waaruit de handeling wordt verricht. Moreel handelen betekent dat we handelen in overeenstemming met wat we werkelijk zijn, namelijk morele/rationele handelende personen. De morele wet wordt ons dus niet van buitenaf opgelegd, maar wordt ons voorgeschreven door de aard van de rede. De centrale veronderstelling van de Verlichting is de overtuiging dat een toename van rationaliteit ook een toename van menslievendheid met zich meebrengt.

Johann Wolfgang von Goethe, 1828
Johann Wolfgang von Goethe

Portret van Johann Wolfgang von Goethe, geschilderd door Karl Joseph Stieler (1781-1858) in 1828 (Bron: Wikimedia Commons)

Søren Kierkegaard, 1840
Søren Kierkegaard

Schetstekening van Søren Kierkegaard, gebaseerd op een schets die ca. 1840 gemaakt is door Niels Christian Kierkegaard (1806-1882) (Bron: Wikmedia Commons)

Friedrich Nietzsche, 1882
Friedrich Nietzsche

Portret van Friedrich Nietzsche, geschilderd door Gustav-Adolf Schultze in 1882 (Bron: Wikimedia Commons)

Laatmodern humanisme

Een bekende vorm van humanistische Bildung is het existentialisme uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. ‘Het existentialisme is een humanisme’ aldus de Franse filosoof Jean Paul Sartre (1905-1980). In het existentialisme vindt een verschuiving plaats van de romantische opvatting van Bildung als jezelf uitdrukken naar Bildung als jezelf uitvinden. Zelfontplooiing is voor existentialisten op experimentele wijze je eigen identiteit vormen, jezelf uitvinden en de verantwoordelijkheid voor je keuzes niet afschuiven op de omstandigheden of de anderen.

Kiezen is het sleutelwoord van het existentialisme. Je neemt de verantwoordelijkheid op je óf je bent te kwader trouw. De ander komt er vooral bij Sartre niet best vanaf: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ De Franse filosofe Simone de Beauvoir (1908-1986) verdedigt in haar boek Pleidooi voor een moraal van dubbelzinnigheid (1993/1947) de stelling dat authenticiteit heel goed kan samengaan met solidariteit. Je moet zelf zin geven aan je leven, ‘maar dan wel in samenhang en met het oog op de ander.’

Jean-Paul Sartre, 1950
Jean-Paul Sartre

Foto van Jean-Paul Sartre, gemaakt ca. 1950 (Bron: Wikimedia Commons)

Simone de Beauvoir, 1967
Simone de Beauvoir

Portretfoto van Simone de Beauvoir, gemaakt op 14 maart 1967 (Bron: Wikimedia Commons)

Halverwege de twintigste eeuw komt de humanistische psychologie op als kritische reactie op de psychoanalyse en vooral het behaviorisme. De Amerikaanse psychologen Carl Rogers (1902-1987), Abraham Maslow (1908-1970) en Rollo May (1909-1994) zijn de grondleggers van de humanistische psychologie. Deze psychologie doet recht aan het unieke van de mens ten opzichte van andere wezens en gaat uit van de hele mens die een betekenisgevend, zinzoekend, waarderend en creatief wezen is. Bij gunstige omstandigheden kan de mens uitgroeien tot een prachtig wezen. Hierbij is de ander een noodzakelijk element om tot volledige zelfontplooiing te komen.

Carl Rogers
Carl Rogers

Een schetstekening van Carl Rogers (Bron: Wikimedia Commons)

Kritiek op het ideaal van zelfontplooiing

De afgelopen honderdvijftig jaar heeft het humanisme en vooral het ideaal van zelfontplooiing veel kritiek gekregen. De Duitse denker Karl Marx (1818-1883) stelt dat onder kapitalistische verhoudingen denken en praten over zelfontplooiing ideologie is, want een ontkenning van de werkelijk materiële verhoudingen. Eerst moeten de klassentegenstellingen en de vervreemding worden opgeheven. Ook Nietzsche ziet zelfontplooiing als een zaak van de toekomst. Volgens hem zouden alleen toekomstige ‘heren’ bij machte zijn om als soevereine mensen tot zelfontplooiing te komen, mits zij alle vormen van het nihilisme overwonnen hebben.

De Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) stelt dat het humanisme zich te veel liet leiden door de heersende metafysica van de Westerse cultuur. De Franse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) uit fundamentele kritiek op de humanistische ethiek. Hij is van mening dat het westerse humanisme doorgaans een totaliserende beweging is geweest en te zelfgericht is geworden: onder het mom van zelfontplooiing wordt de ander uitgesloten, terwijl de elite bezig is zich te vervolmaken. Deze tendens gaat terug tot op het antieke Griekse denken.

Karl Marx, 1875
Karl Marx

Een portretfoto van Karl Marx, gemaakt door John Jabez Edwin Mayall (1813-1901) in 1875 (Bron: Wikimedia Commons)

Martin Heidegger, 1960
Martin Heidegger

Foto van Martin Heidegger, gemaakt op 10 mei 1960 door Willy Pragher (Bron: Landesarchiv Baden-Würtenberg, zie toestemming in Wikimedia Commons)

Emmanuel Levinas
Emmanuel Levinas

Foto van Emmanuel Levinas, gemaakt door Bracha L. Ettinger (Bron: Wikimedia Commons).

Een eigentijds en sociaal humanisme

Tegenover deze zelfgerichte ethiek heeft Levinas een humanistische moraal over de relatie ander-ik ontwikkeld waarbij hij de ander centraal stelt. De ander heeft een moreel effect op mij: de ander spreekt mij aan, doet een appèl op mijn verantwoordelijkheid. Levinas’ stelling van het primaat van de ander heeft het huidige denken over menselijke verhoudingen sterk beïnvloed.

De antihumanistische kritiek op het ideaal van zelfontplooiing ging zelfs zover dat het gezien werd als een gevaarlijke ideologie. Volgens de vroege Foucault en Sloterdijk zou datgene wat gepresenteerd wordt als een universeel waardevol opvoedingsideaal in feite een door en door ideologisch verhaal van disciplinering en normalisering zijn. Zelfontplooiing zou het zelfbeeld van een kleinburgerlijke intellectuele elite weerspiegelen. Beiden komen hier op terug.

Zo keert de Duitse filosoof Peter Sloterdijk (geb. 1947) met zijn boek Du musst dein leben ändern (2009) terug naar het humanisme en geeft daarin een bepaalde invulling aan zelfontplooiing. De kern van zijn moraal luidt: we moeten onszelf weer oefenen in zelfdiscipline en matigheid om de ondergang van Moeder Aarde te voorkomen. De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) maakt een wending van antihumanisme naar een zelfkritisch humanisme in zijn laatste boeken over de Griekse, Romeinse en christelijke levenskunst: Het gebruik van de lust (1984/1984) en De zorg voor zichzelf (1985/1984).

Peter Sloterdijk, 2009
Peter Sloterdijk

Peter Sloterdijk die uit zijn boek Du mußt dein Leben ändern voordraagt op 17 juli 2009; foto gemaakt door Rainer Lück (Bron: Wikimedia Commons)

Sociale zelfontplooiing

Dohmen is van mening dat de kritiek op het westers-humanistische ideaal van zelfontplooiing niet terecht is. Het individu wordt door het humanisme niet als een atomaire, zelfstandige entiteit opgevat, maar is ingebed in een sociale, maatschappelijke en culturele context. Het gaat in het humanisme dan ook om sociale zelfontplooiing van het individu. Wij kunnen alleen samen met anderen en in dienst van anderen, onszelf ontplooien.

Dohmen stelt dat we - rekening houdend met alle kritiek op een elitair concept van zelfontplooiing – op zoek moeten naar een meer eigentijds en sociaal verantwoord Bildungsideaal. De meest fundamentele waarde van de moderniteit is vrijheid, maar we moeten leren met onze vrijheid om te gaan en dat vereist een nieuwe cultuur van het zelf.

Een neohumanistische moraal

In navolging van Nietzsche en de late Foucault heeft Dohmen de hoofdlijnen uiteengezet van een nieuwe moraal: een ethiek van de levenskunst, een publieke moraal van burgers die uit zichzelf aan sociale zelfontplooiing doen. ‘Het nieuwe discours van de levenskunst kan gezien worden als opvolger van de humanistische psychologie en het existentialisme’ (Dohmen, 2010, p. 96).

Dohmen ziet Foucaults concept van de zorg voor zichzelf als basis voor een publieke moraal. De notie van zelfzorg is de kern van een gesitueerde ‘vrijheidspraktijd’. Dohmen heeft het concept 'vrijheidspraktijk' verder uitgewerkt als een samenhang van bezinning, aandacht en (radicale) reflectie, oefening en gewoontevorming, morele oriëntatie, timing en context.

In navolging van Foucault is voor Dohmen levenskunst een vrijheidspraktijk met als inzet: zelfverantwoordelijkheid. Het concept van de levenskunst is voor hem de hoeksteen voor een laatmoderne moraal die hij ook wel aanduidt als een ‘neohumanistische moraal’ (Dohmen, 2010, p. 211).

Literatuurverwijzingen