Michel Foucault en de zorg voor zichzelf

Na zijn ontdekking van de klassieke levenskunst schetste Foucault de contouren van een eigentijdse levenskunst en ontwierp een algemene structuur van de zelfzorg. Hoewel hij het grote belang van de levenskunst voor de actualiteit benadrukte, was hij er niet op uit om de klassieke invulling van de levenskunst een eigentijdse invulling te geven. Foucault zag zijn werk vooral als een 'genealogie van de ethiek’.

Foucaults ontdekking van de klassieke levenskunst

Vanaf 1976 werkt de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) aan een nieuwe ethiek, een ethiek van de levenskunst, een bestaansethiek. De zelftechnieken die deel uitmaken van de bestaansethiek heeft hij pas laat in het vizier gekregen. Foucault merkt hierover op: ‘Aanvankelijk heb ik misschien te veel nadruk gelegd op overheersings- en machtstechnieken. Gaandeweg ben ik steeds meer geïnteresseerd geraakt in de interactie tussen het zelf en anderen en in de technieken van persoonlijke beheersing, dat wil zeggen in de manier waarop een individu op zichzelf inwerkt door middel van zelftechnieken’ (Foucault, 1995, p. 40). Foucault noemt deze zorg voor zichzelf ook wel ‘zelfpraktijk’, de manier waarop het subject zich op een actieve manier, door zelfpraktijken, vormt.

Foucault kwam tot zijn wending naar de ethiek nadat hij in de klassieke oudheid een ‘cultuur van het zelf’ ontdekte, toen hij eind jaren zeventig onderzoek deed naar de bronnen van de westerse seksualiteit.

'De zorg voor zichzelf die bij Socrates in hoog aanzien stond, is door de latere filosofie weer opgenomen en door haar in het middelpunt gesteld van de ‘bestaanskunst’ die filosofie pretendeert te zijn. Dit thema heeft zijn oorspronkelijke grenzen overschreden, is los geraakt van zijn oorspronkelijke filosofische betekenis en heeft zo stap voor stap de omvang en de vormen aangenomen van een werkelijke ‘cultuur van het zelf’. Hieronder dient men te verstaan dat de zorg voor zichzelf als beginsel een vrij algemene verbreiding heeft gevonden. Een groot aantal verschillende leerstelsels verkondigen immers het voorschrift dat men zorg moet dragen voor zichzelf. Dit beginsel is een ware levenshouding, een gedragswijze geworden waarvan het hele bestaan doordrongen is. Het heeft zich ontwikkeld tot methoden, praktijken en voorschriften, waarover men ging nadenken en die men ontwikkelde, vervolmaakte en onderwees. Zo is de zelfzorg tot een maatschappelijke praktijk geworden die heeft geleid tot bepaalde intermenselijke verhoudingen, uitwisselingen, communicatievormen en soms zelfs tot instituties. Tenslotte heeft het ook geleid tot een bepaalde kenwijze en de formulering van een weten’ (Foucault, 1985a, p. 50).

De zorg voor zichzelf, de levens- of bestaanskunst, omvatte allerlei aspecten van het leven zoals zorg over de seksuele moraal, maar ook voeding, huwelijk, vriendschap en burgerschap. Deze breed opgevatte zorg voor zichzelf domineert de klassieke oudheid en heet ‘levenskunst’. De Griekse ethiek uit die tijd was niet verbonden met een juridisch systeem. Zo waren de wetten tegen seksuele misdragingen niet erg talrijk of dwingend. Het ging er de Grieken vooral om een ethiek in te stellen die tegelijkertijd een esthetiek van het bestaan was.

De filosofische moraal van de Oud-Griekse cultuur

De Griekse ethiek was geworteld in een pure mannenmaatschappij met slaven, waarin vrouwen ondergeschikt waren en wier genot niet van belang was. De knapenliefde was problematisch, want het was niet toegestaan dat een jongen, die geroepen was een vrije burger te worden, als object overheerst en gebruikt zou worden voor het plezier van een ander. ‘Al die wijsgerige overpeinzingen over de knapenliefde – met altijd dezelfde conclusie: behandel een knaap niet als een vrouw – bewijzen maar al te goed dat de Grieken de praktijk niet konden inpassen in het kader van hun sociale zelf.’ (Foucault, 1985b, p. 61). Er kon geen sprake zijn van wederkerigheid in de seksuele contacten tussen jongens en mannen. In de vriendschap daarentegen was wederkerigheid erg belangrijk.

In het Griekse denken van de vierde eeuw zijn al er formuleringen te vinden over de beginselen van de seksuele soberheid en niet pas in de late oudheid. Voor Plato (ca. 427-347 v.Chr.), Isocrates (436-338 v.Chr.) en Aristoteles (384-322 v.Chr.) betekende de verplichting om het seksuele genot te beperken tot het huwelijk een manier om zichzelf te beheersen, wat vooral werd vereist door hun status of door het gezag dat zij in de stad moesten uitoefenen. Er waren verschillende motieven om een strenge moraal uit te werken: de zorg voor het lichaam en de gezondheid, de houding ten opzichte van de vrouw en het huwelijk, en de afwijzing van gelijkgeslachtelijk verkeer. Er was sprake van een toenemende spanning tussen genot en gezondheid. De Grieken maakten zich meer zorgen over hun gezondheid dan over hun genot.

Plato, ca. 370 v.Chr.
Plato

Romeinse kopie van een buste, door Silanion ca. 370 v.Chr. voor de Academie van Athene (Bron: Wikimedia Commons)

Isocrates
Isocrates

Kopie van een buste van Isocrates (Bron: Wikimedia Commons)

Aristoteles, 330 v.Chr.
Aristoteles

Kopie van een buste van Aristoteles, door Lysippos in 330 v.Chr. (Bron: Wikimedia Commons)

De opvatting dat seks gevaarlijk is, is veel sterker in de tweede eeuw van onze jaartelling dan vier- of vijfhonderd jaar voor Christus. Toen was de erectie en de seksuele daad een teken van activiteit, terwijl het voor Christenen een teken van passiviteit was. ‘Sinds Augustinus en de christenen is de erectie niet iets vrijwilligs maar een teken van passiviteit – hij is een straf voor de zondeval’ (Foucault, 1985b, p. 62). In de klassieke oudheid was er een sterke band tussen verlangen en genot in een ethische ervaring. In de ‘levenskunst’ wordt het besef dat de mens een perfecte beheersing van zichzelf moet zien te bereiken en zich zodoende te vormen tot een vrij en eervol individu of, in filosofische zin, autonoom subject al gauw van fundamenteel belang.

Van levenskunst naar de zorg voor zichzelf

Voor de Grieken stond de levenskunst centraal. Hierin speelde de huishouding van het genot een grote rol. Hun probleem was: welke techniek moet ik aanwenden om zo goed mogelijk te leven? Deze levenskunst kan je niet aanleren zonder je te oefenen, zonder een training van jezelf door jezelf. Een van de belangrijkste ontwikkelingen van de antieke cultuur heeft zich voorgedaan toen de levenskunst meer en meer een zorg voor zichzelf werd. Dit blijkt uit het feit dat een Griekse burger uit de vijfde of vierde eeuw voor Christus zich om de stad en om zijn kameraden bekommerde, terwijl de Romeins schrijver en stoïcijns filosoof Seneca (ca. 4 v.Chr.-65 n.Chr.) bijvoorbeeld zich vooral om zichzelf bekommerde.

Epicurus
Epicurus

Bronzen buste van Epicurus, de grondlegger van het epicurisme (Bron: Wikimedia Commons)

Epictetus
Epictetus

Kopie van gravure van Epictetus, een van de leidende figuren in de stoïsche filosofie (Bron: Wikimedia Commons)

De zorg voor zichzelf en soberheid

De Griekse en de Grieks-Romeinse ethiek in deze periode is dus gericht op de kwestie van persoonlijke keuze, van zich bekommeren om zichzelf, op een esthetiek van het bestaan. ‘In de Griekse samenleving was soberheid op seksueel gebied een denkwijze, een filosofische beweging die voortkwam uit ontwikkelde mensen die hun leven meer intensiteit en schoonheid wilden geven.’ (Foucault, 1985b, p. 64). De Grieken waren sober omdat zij een mooi leven nastreefden.

De Grieken en Romeinen ontwikkelden in hun zorg voor zichzelf een hele serie soberheidspraktijken die de Christenen later direct van hen overnamen. Ten onrechte werd en wordt er gesproken over een breuk in de moraal tussen de tolerante Grieks-Romeinse Oudheid en het strenge vroege christendom. In beide tradities maakte men zich zorgen over de geslachtsdaad, seksuele trouw, travestie en seksuele overdaad, met name van mannen.

In de oudheid zijn de activiteiten ten aanzien van het zelf en de hiermee samengaande soberheid een keuze van het individu met betrekking tot zijn bestaan. ‘Het ging er om dat je je leven tot object van een bepaalde kennis, van een techniek, van een kunst maakt. In onze maatschappij is nauwelijks iets over van het idee dat je zelf, je leven, je bestaan het belangrijkste kunstwerk is waarop je je moet toeleggen, het belangrijkste gebied waarop esthetische waarden van toepassing zijn’ (Foucault, 1985b, p. 71-72).

De zorg voor zichzelf als verplichting

De eerste twee eeuwen van het Romeinse Keizerrijk kunnen beschouwd worden als een soort gouden eeuw in de cultuur van het zelf. Deze levenskunst die in het teken stond van de zorg voor zichzelf had echter slechts betrekking op een beperkt aantal sociale groepen die de cultuur bepaalden. De stoïcijnse ethiek was namelijk een persoonlijke keuze voor een kleine elite. Die keuze was ingegeven door de wil een mooi leven te leiden en de herinnering aan een mooi bestaan na te laten, want het voornaamste doel van de stoïcijnse ethiek was schoonheid.

Het Romeinse Rijk, 2004

Afbeelding van het Romeinse Rijk tussen 60-400, door Hannes Karnoefel in 2004 (Bron: Wikimedia Commons)

Filosofie stond in dienst van een concrete levenswijze of levenskunst. De filosoof is bij uitstek degene die er zorg voor draagt dat anderen voor zichzelf zorgen. De Griekse filosoof Epicurus (341-270 v.Chr.) stelt dat de filosofie gezien moest worden als een permanente beoefening van de zorg voor zichzelf. Het thema van de zorg voor zichzelf neemt een bijzonder grote plaats in bij Seneca. In Brieven aan Lucilius schrijft hij dat men tijd noch moeite moest sparen om ‘zichzelf te vormen’, ‘zichzelf te veranderen’ en ‘tot zichzelf te komen’. Hij raadde aan hier vroeg mee te beginnen en de aandacht nooit te laten verslappen. ‘Laten we snel oud worden, laten we ons naar het einde haasten dat het ons mogelijk maakt onszelf te vinden.’ Ook de Romeinse keizer en stoïsch filosoof Marcus Aurelius (121-180) pleitte voor zorg voor zichzelf en levenskunst.

Seneca
Seneca

Marmeren borstbeeld van Seneca, foto door Jean-Pol Grandmont (Bron: Wikimedia Commons)

 Marcus Aurelius
Marcus Aurelius

Borstbeeld van Marcus Aurelius, foto door Miguel Hermoso Cuesta (Bron: Wikimedia Commons)

Dit filosofische thema werd het duidelijkst geformuleerd bij de stoïcijnse filosoof Epictetus (50-ca. 130 n.Chr.). In zijn Colleges definieert hij de mens als het wezen dat zijn bestaan wijdt aan de zorg voor zichzelf. Doordat de mens vrij en redelijk is, is hij het wezen bij uitstek dat belast is met de zorg voor zichzelf. De zorg voor zichzelf is voor Epictetus een samengaan van voorrecht en plicht en is een garantie voor onze vrijheid, door de verplichting onszelf als object van al onze inspanningen te nemen. 'Het beginsel van de zorg voor zichzelf geldt voor iedereen, altijd en gedurende het hele leven.'

De zorg voor zichzelf als sociale praktijk

Voor de zorg voor zichzelf moest tijd vrij gemaakt worden en deze vrijgekomen tijd werd gevuld met oefeningen, praktische taken en verschillende activiteiten. Rond de zorg voor zichzelf heeft zich een heel scala van mondelinge en schriftelijke bezigheden ontwikkeld, waarin het werk aan zichzelf en de communicatie met anderen samengaan. Het is dus geen oefening in eenzaamheid, maar een sociale praktijk.

De zorg voor zichzelf heeft vaak vorm gekregen in min of meer geïnstitutionaliseerde structuren zoals de neo-pythagorische gemeenschappen of de epicurische gemeenschappen. Epictetus daarentegen stichtte een school waar hij de filosofie van de Stoa onderwees. Ook bestonden er raadslieden of filosofen die in dienst waren bij een familie of een groep burgers, aan wie zij raad gaven in morele kwesties en/of politieke zaken. Zelfzorg kon je ook leren van familie en vrienden die elkaar op basis van hun levenservaring en verbondenheid van advies dienden.

Het was een recht om in de beoefening van de zorg voor zichzelf een beroep te doen op een ander, van wie men vermoedde dat hij in staat was te helpen en raad te geven. Daarnaast had men de plicht een ander te laten profiteren van zijn hulp en dankbaar te zijn voor de lessen die een ander kon geven. De zorg voor zichzelf versterkte dus de maatschappelijke relaties. Foucault stelt: ‘Er blijkt dus een intrinsiek verband te bestaan tussen de zorg voor zichzelf en een ‘geestelijke bediening’ die de mogelijkheid in zich draagt van een uitwisseling met de ander en een systeem van wederzijdse verplichtingen’ (Foucault, 1985a, p. 59).

De zorg voor zichzelf en de geneeskunde

Volgens een traditie die heel ver teruggaat in de Griekse beschaving staat de zorg voor zichzelf in nauw verband met het denken en de praktijk van de geneeskunde. Deze samenhang heeft zich steeds verder uitgebreid, zoals blijkt uit de bewering van de Griekse filosoof Plutarchus (ca. 46 - ca. 120) in de inleiding van zijn Adviezen voor de gezondheid dat filosofie en de medische wetenschap tot ‘een en hetzelfde gebied’ behoren. Ze maken gebruik van dezelfde terminologie, waarin het begrip ‘pathos’ een centrale plaats inneemt. Pathos verwijst zowel naar de hartstocht als naar een lichaamskwaal. ‘In de eerste en tweede eeuw ná Christus lijkt het wel of de doktoren de seksuele daad beschouwen als iets wat dicht bij pathos ligt’ (Foucault, 1985b, p. 62).

Epictetus wijst er met klem op dat men zijn school dient te beschouwen als een ‘consultatiebureau voor de geest’. Wanneer men weer naar buiten komt, moet men niet hebben genoten, maar geleden. De leerlingen moeten zich niet zien als scholieren die kennis komen opdoen, maar als zieken. Daarnaast meent de Grieks/Romeinse arts Claudius Galenus (129-199) niet alleen in staat te zijn iemand te genezen die geestelijk bijzonder in de war is, maar dat hij ook hartstochten en geestelijke dwalingen kan behandelen.

Plutarchus
Plutarchus

Buste van Plutarchus in Chaeronea, zijn geboorteplaats in Griekenland (Bron: Wikimedia Commons)

Claudius Galenus, 1865
Galenus

Lithografie van Claudius Galenus, door Pierre Roche Vigneron ca. 1865 (Bron: Wikimedia Commons)

De groeiende belangstelling voor de medische zorg lijkt zich binnen de cultuur van het zelf te uiten in een bijzondere aandacht voor het lichaam. ‘De zelfpraktijk impliceert dat men in eigen ogen niet slechts een onvolwaardig en onwetend individu is, dat verbeterd, gevormd en onderwezen moet worden, maar ook een individu dat aan bepaalde kwalen lijdt die verzorgd moeten worden, hetzij door hemzelf, hetzij door iemand die daartoe de bekwaamheid bezit’ (Foucault, 1985a, p. 63).

De kunst van de zelfkennis

In de persoonlijke en maatschappelijke praktijk neemt de zelfkennis een belangrijke plaats in. Er is dan ook een uitgebreide kunst van de zelfkennis tot ontwikkeling gekomen met precieze voorschriften, gedetailleerde onderzoeksvormen en gecodificeerde oefeningen. Zo waren er praktische ‘beproevingsmethoden’ die tot doel hadden een deugd aan te leren en de mate waarin men daarin is gevorderd, te meten. Daarnaast speelde het gewetensonderzoek een belangrijke rol. Aan de filosofie werd de taak toegekend toezicht op de geest uit te oefenen: ieder wellevend mens werd geacht zijn denken constant nauwgezet te controleren. Dit toezicht was een garantie voor vrijheid.

Het gemeenschappelijke doel van deze zelfpraktijken is de inkeer tot zichzelf. Deze inkeer impliceert een verschuiving van de aandacht naar zichzelf en deze zelfbetrekking maakt deel uit van een ethiek van zelfbeheersing. De zelfbetrekking wordt vaak voorgesteld als een concrete relatie die het mogelijk maakt van zichzelf te genieten, als van een tastbaar voorwerp dat men bezit. Men ervaart een genot (plaisir) dat men aan zichzelf ontleent. Wie erin geslaagd is toegang tot zichzelf te hebben, is voor zichzelf een lustobject geworden: men ‘verheugt zich’ in zichzelf.

De ethiek van de lust

In de context van deze cultuur van het zelf heeft zich in de eerste eeuwen van onze jaartelling het denken ontwikkeld over de ethiek van de lust. ‘Het effect van het ontstaan van de cultuur van het zelf […] school in bepaalde veranderingen die betrekking hebben op de constitutieve elementen van de morele subjectiviteit. Een breuk met de ethiek van de zelfbeheersing? In het geheel niet; maar wel een verschuiving, een ombuiging en een accentverschil’ (Foucault, 1985a, p. 72).

In deze ethiek van de lust lijkt de seks steeds meer een bron van gevaar te worden, want het kan de zelfbetrekking, die men tot stand wil brengen, ondermijnen. De seksuele moraal eist dat het individu zich onderwerpt aan een bepaalde levenskunst, die de esthetische en ethische criteria voor het bestaan opstelt en waarin de plaats van de zelfkennis steeds belangrijker wordt. Men acht het steeds noodzakelijker seks te wantrouwen, haar te beheersen en zoveel mogelijk te verankeren in het huwelijk dat het monopolie op de lust had.

‘Tenslotte wordt de soevereiniteit van het individu over zichzelf nog steeds gezien als het uiteindelijke doel waarin deze arbeid moet uitmonden; maar deze soevereiniteit krijgt een ruimere betekenis in een ervaring waarin de zelfbetrekking niet meer slechts de vorm van een heerschappij inhoudt, maar ook van een genot zonder begeerte en zonder stoornis’ (Foucault, 1985a, p. 73).

Foucault en zijn laatmoderne bestaansethiek

Foucault neemt de klassieke visie op ethiek als levenskunst of bestaansethiek over. Deze ethiek draaide om het fundamentele gebod: ‘draag zorg voor jezelf’. De Grieken en de Romeinen droegen zorg voor zichzelf en oefenden zich in zelfkennis, zelfbeheersing en autarkie. Hun levenskunst mondde uit in een mooi ethos. ‘Wie een mooi ethos had, wie bewonderd en als voorbeeld geroemd kon worden, was iemand die vrijheid op een bepaalde manier in praktijk bracht’ (Foucault, 1995, p. 90).

De structuur van de levenskunst

In het interview ‘Waarom zou niet ieder van zijn leven een kunstwerk maken?’ (1985/1983) heeft Foucault de algemene structuur van de zorg voor zichzelf in zo’n vrijheidspraktijk geschetst. Dit biedt een soort handleiding voor een ethiek van zelfzorg. Foucault noemt de relatie die je tot jezelf behoort te hebben (le rapport à soi) ethiek. Die relatie bepaalt hoe ieder mens geacht wordt zich tot moreel subject van zijn eigen daden te vormen. De relatie die je tot jezelf inneemt, betekent dat je weet waarom, waarvoor, hoe en waartoe je voor jezelf zorg draagt:

  1. De ethische substantie (la substance éthique): het deel van mijn zelf of mijn gedrag dat relevant is voor moreel handelen.
  2. De onderwerpings- of subjectiveringswijze (la mode d’assujettissement): de wijze waarop mensen worden uitgenodigd of aangespoord hun morele verplichtingen te erkennen.
  3. Het soort technieken die je aanwendt om jezelf als ethisch subject te vormen, de zelf-vormende activiteit (la pratique de soi of l’ascétisme) – ascese in de ruime betekenis van het woord.
  4. Het soort bestaan dat we nastreven met ons morele gedrag, het doel (la téléologie morale).

Voor zelfzorg is het dus van fundamenteel belang om niet alleen jezelf, maar ook de concrete omstandigheden waarin je leeft te leren kennen, de dominante principes en de voorschriften en gedragsregels waartoe je je te verhouden hebt én je doelen te kennen.

Jacob Burckhardt, 1892
Jacob Burckhardt

Portret van Jacob Burckhardt uit 1892 (Bron: Wikimedia Commons)

Michel de Montaigne
Michel de Montaigne

Geschilderd portret van Michel de Montaigne (Bron: Wikimedia Commons)

Essays, 1580
Essays (1580)

Titelpagina van de Essais van Michel de Montaigne (Bron: Wikimedia Commons)

Het bekendste zelfzorgboek uit die periode is het Handorakel en kunst van de voorzichtigheid van de Spaanse jezuïet Balthasar Gracián (1601-1658). De herleving de Stoa blijkt van veel invloed te zijn geweest op de moraalfilosofie aan het begin van de moderne tijd. Zo gaat het pantheïsme van Benedictus de Spinoza (1632-1677) terug op de stoïcijnse theologie. In deze periode ontstaat volgens Foucault een beslissende cesuur in de geschiedenis van de levenskunst. Deze cesuur wordt veroorzaakt door de Franse filosoof René Descartes (1596-1650).

Balthasar Gracián
Balthasar Gracián

Portret van Balthasar Gracián, geschilderd door Valentín Cardereda (Bron: Wikimedia Commons)

Benedictus de Spinoza, 1665
Benedictus de Spinoza

Het Haagse portret van Benedictus de Spinoza, ca. 1665 (Bron: Wikimedia Commons)

René Descartes, 1648
René Descartes

Portret van René Descartes, geschilderd door Frans Hals in 1648 (Bron: Wikimedia Commons)

Het ethisch subject en het kennissubject

Tot de zestiende eeuw zijn zelfkennis en ascese noodzakelijke voorwaarden om toegang tot de waarheid te krijgen. Descartes verbrak dit verband toen hij stelde: “Om toegang tot de waarheid te krijgen is het voldoende dat ik subject ben dat datgene begrijpt wat bewezen kan worden.” Dit betekent dat zelfs als je immoreel bent, je de waarheid kunt kennen. Wetenschappelijke kennis werd dus losgekoppeld van ethiek. Voor Descartes is het directe bewijs voldoende en is er sprake van een niet-ascetisch kennissubject. In plaats van zelfonderzoek, doelen stellen en handelen, komt de oriëntatie op de waarheid centraal te staan. Deze verandering maakte de moderne wetenschap mogelijk.

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) voerde de ethiek opnieuw in door te zoeken naar een universeel subject. Ethiek was voor Kant een toegepaste vorm van instrumentele rationaliteit: ik word ethisch op grond van mijn gehoorzaamheid aan de praktische rede. Of zoals Kant zegt: "Ik moet mezelf in al mijn daden als universeel subject vormen door aan universele regels te gehoorzamen." Foucault reageert hierop met de opmerking: ‘Kant voegt aan onze traditie dus nog een manier toe waardoor het zelf niet louter gegeven is maar gevormd wordt in verhouding tot zichzelf als subject’ (Foucault, 1985b, p. 78). De formele regelethiek van Kant maakte een einde aan de klassieke levenskunst.

Foucault besteedt weinig aandacht aan de Romantiek. In zijn onderzoek is hij aan deze periode niet toegekomen. In de loop van de negentiende eeuw ziet hij hier en daar een aanzet tot een nieuwe levenskunst. Hij noemt expliciet het dandyisme van de Ierse schrijver, dichter en estheet Oscar Wilde (1854-1900) en de poëzie van de Franse schrijver en kunstcriticus Charles Baudelaire (1821-1861). Zijn grote held is de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), net als Foucault een genealoog, die ook de klassieke Oudheid had herontdekt. Als tegenwicht tegen het nihilisme roept Nietzsche de moderne mens op: ‘word wie je bent!’ Foucault heeft Nietzsches appèl overgenomen.

Immanuel Kant, 1790
Immanuel Kant

Geschilderd portret van Immanuel Kant, ca. 1790 (Bron: Wikimedia Commons)

Oscar Wilde, 1882
Oscar Wilde

Foto van Oscar Wilde, door Napoleon Sarony in 1882 (Bron: Wikimedia Commons)

Charles Baudelaire, 1855
Charles Baudelaire

Foto van Charles Baudelaire, door de Franse fotograaf Nadar, pseudoniem van Gaspard-Félix Tournachon, ca. 1855 (Bron: Wikimedia Commons)

Friedrich Nietzsche, 1882
Friedrich Nietzsche

Portretfoto van Friedrich Nietzsche, door Gustav-Adolf Schultze in september 1882 (Bron: Wikimedia Commons)

De afwezigheid van een actuele levenskunst

Foucault heeft een harde diagnose gesteld over zijn eigen tijd. In onze maatschappij is er geen sprake van een laatmoderne zelfpraktijk. Het denken over het goede leven wordt tegenwoordig voornamelijk bepaald door een liberale terminologie van rechten en plichten. Daarnaast domineren commercialisering, medicalisering en allerlei andere vormen van disciplinering ons bestaan. We missen volgens hem het tegenwicht van een bestaansethiek.

Het liberale uitgangspunt luidt dat individuen vrij zijn om zonder inmenging te doen en laten wat ze willen, zolang ze anderen maar niet schaden. Daarmee miskennen de liberalen dat er privé en publiek altijd inmenging en aansturing is. De liberalen gaan er ten onrechte van uit dat mensen ‘vanzelf’ tot zelfsturing in staat zijn. De voornaamste les van Foucault is dat volledige zelfbeschikking, los van bestaande kaders, van de inbreng van anderen en zonder zelfzorg, een fictie is. Slechts een beperkte mate van zelfsturing en autarkie is mogelijk.

Contouren van een laatmoderne bestaansethiek

Door zijn vroegtijdige dood in 1984 is Foucault er niet toe gekomen zijn laatmoderne levenskunst als ethiek van zelfzorg verder uit te werken. Wel heeft hij de contouren ervan geschetst in een aantal interviews, met name in het interview De ethiek van de zorg voor zichzelf als vrijheidspraktijk (1995/1984). Hoewel Foucault in dit interview hamert op het grote belang van de levenskunst of bestaansethiek voor de actualiteit, was hij er niet op uit om aan de klassieke invulling van de levenskunst een eigentijdse invulling te geven.

Hij schetst hierin wel zijn ‘ideale samenleving’. Dat zou er een zijn waarin alle vormen van overheersing maximaal waren teruggedrongen en wederzijdse aansturing in alle openheid plaatsvindt. ‘In een samenleving als de onze kunnen er talloze spelen zijn: dat zie je bijvoorbeeld heel duidelijk in gezinsverhoudingen en in seksuele en liefdesverhoudingen. De lust om het gedrag van anderen te bepalen is daardoor des te sterker. Hoe vrijer mensen zijn ten opzichte van elkaar, des te sterker is de lust om elkaars gedrag te bepalen. Hoe opener het spel, des te aantrekkelijker en fascinerender het is’ (Foucault, 1995, p. 106).

Hij was vooral de genealoog die liet zien op welke complexe manier persoonlijke moraal en juridische moraal hun grillige historische dynamiek ontwikkelden. Wij hebben nu heel andere problemen, dus zou een actuele levenskunst een eigentijdse invulling moeten krijgen. Naar zijn mening krijgt ‘het vraagstuk van het ethische subject in het hedendaagse politieke denken zo goed als geen ruimte’ (Foucault, 1995, p. 99).

Literatuurverwijzingen