a

De eerste letter van ons alfabet is in mijn ogen een van de mooiste en leukste, althans het type dat ook voor deze columns gebruikt wordt: een a met onderaan een klein oogje en rechts daarvan een verticale lijn die linksboven al begint met een boog of kopje precies boven het oog van de letter; de andere vorm mist zo’n kopje: a. De grondvorm van de a met het kopje is al heel oud. Oorspronkelijk behoort deze a tot wat we unciaal boekschrift noemen, een majuskelschrift of schrift van uitsluitend grote letters, uit de vierde tot de achtste eeuw. Naast de unciale a schreef men ook de koploze variant, maar dan in minuskelschriften (schrift met alleen kleine letters).

Karel de Grote (742-814) en de geleerden in zijn omgeving waren zeer geïnteresseerd in de cultuur en de klassieke, Latijnse teksten van de Romeinen. Zij zagen ook het belang in van een goed schrijfbaar en optimaal leesbaar schrift en zij bevorderden de ontwikkeling van een uniforme schriftsoort, het type dat we nu karolingisch schrift noemen. Het is een zeer succesvol minuskelschrift dat eeuwen later weer de humanisten inspireerde bij de ontwikkeling van het humanistische schrift, de basis van onze drukletter, de romein. Voor sommige letters maakten de Karolingers een zeer bewuste keuze. Hun minuskel-a ontleenden zij rechtstreeks aan de unciale a. Men schreef eerst het lage boogje en vervolgens van linksboven naar rechtsonder de lijn die mij enigszins aan een glijbaantje doet denken. Misschien vind ik deze a daarom zo leuk, het is in elk geval een plezier om na het neerzetten van het korte lusje er zo’n sierlijke lijn langs te trekken.

Jos Biemans

  • Hs. 71 H 66, fol. 26r (de afgebeelde a in de vierde regel van onder), Alcuin van York, Leven van de H. Fursa van Peronne, Noordoost Frankrijk, derde kwart van de negende eeuw (143 x 115 mm, oorspronkelijk iets groter).