c

De meeste boeken hebben niet het eeuwige leven. De mens houdt van opruimen en als een in onbruik geraakt handschrift toch moet worden afgedankt, dan is het bijna onverwoestbare perkament nog voor allerlei doelen bruikbaar. Schoenmakers snijden er mallen uit voor de verschillende maten schoenen die ze maken, orgelbouwers maken er pakkingen van om orgelpijpen luchtdicht af te sluiten, meubelmakers koken er lijm van en in barre financiële tijden laten muntmeesters rondjes perkament op elkaar plakken om er noodmunten van te slaan. Ook boekbinders waren tuk op afgedankt perkament. Zij verwerkten het in en om nieuwe boekbanden, als verstevigingsmateriaal, als dek- en schutbladen of als omslag.

Dit is een dubbelblad uit een boek waarin opgegeven wordt welke Latijnse gebeden op welke dagen en op welke uren van de dag in het Officie gebeden moeten worden. Opmerkelijk is dat de Latijnse teksten soms opschriften dragen in het Middelnederlands, in dit geval voor Dunredag en Vridagis. Deze aanwijzingen in de volkstaal maken het waarschijnlijk dat dit boekje bestemd was voor kloosterzusters.

Het begin van de verschillende tekstonderdelen, zoals het invitatorium (uitnodiging om aan het gebed deel te nemen), de lectio (lezing), ymnus (hymne) en collecta (gebed), wordt aangegeven door middel van een rode initiaal of beginletter van twee regels hoog. De ‘eerste lezing’ (lectio prima) voor de donderdag begint met een C:  Cum ingressus esset Abram egyptum… (Abraham trok Egypte binnen; Genesis 12).

De C als begin- en sierletter was aan de rechterkant niet open maar werd in dit soort gotische handschriften vaak afgesloten met een dun rood lijntje. Alle initialen en opschriften zijn hier geschreven met een rode kleurstof om ze goed in het oog te laten springen. In het Nederlands van de Middeleeuwen werd die kleur ‘rubrijc’ genoemd (afgeleid van het Latijnse rubrum: rood) en daarom spreken we van ‘rubricatie’. Ook het moderne woord ‘rubriek’ gaat daarop terug.             

Jos Biemans

  • Dubbelblad uit waarschijnlijk een Ordinarus Officii, gebruikt als dekblad aan de binnenzijde van een vijftiende-eeuws handschrift: hs. 133 E 6; het fragment stamt uit een handschrift van de tweede helft van de dertiende eeuw dat mogelijk in Limburg was vervaardigd en vermoedelijk ca. 145-150 x ca. 100 mm groot was).