e

Letters die aan het einde van iets staan, kunnen een andere vorm hebben dan dezelfde letters die niet achteraan staan. Deze ietwat cryptische formulering vraagt om uitleg. Binnen een woord, binnen een zin en binnen een alinea horen in principe geen letters voor te komen die door hun grootte of vorm in het oog kunnen springen en de aandacht van de lezer afleiden van de inhoud. In principe, want er zijn opzettelijke uitzonderingen zoals de kapitaal die het begin van een zin of een eigennaam moet accentueren en zoals het doelbewust – maar spaarzaam – gebruik van bijvoorbeeld cursief, klein kapitaal of vet. Dit geldt vooral voor proza, waarin woorden en zinnen direct op elkaar aansluiten.

Al dan niet berijmde poëtische teksten kennen vaak een heel andere typografische structuur. Een syntactische eenheid, zoals een zin, kan over diverse regels verdeeld zijn. Bij berijmde gedichten kan na elk rijmwoord een nieuwe regel beginnen: de rijmwoorden zijn dan goed zichtbaar, wat de voordracht kan ondersteunen. Men zegt dan dat ‘elk vers op een nieuwe regel begint’. Soms begint elke versregel met een kapitaal, soms alleen de strofen waarin het gedicht verdeeld is. In veel middeleeuwse handschriften met berijmde teksten zien we dat het eerste een conventie was: elke regel begint met een hoofdletter (zie bijgaande afbeelding).

Anders dan bij proza kent deze manier van tekstpresentatie veel meer einden, want elke versregel heeft een regeleinde. Daar heeft – ik beperk me verder tot de Middeleeuwen – de kopiist van een handschrift de ruimte om voor de laatste letter van de regel een bijzondere lettervorm te schrijven, zoals een tong-e, een e die aan het kopje een uitsteeksel heeft, een soort uitgestoken tong. Een e aan het einde van een woord dat binnen de regel staat, heeft soms ook een tongetje maar dat is meestal niet zo lang, daarvoor ontbreekt de ruimte. Ook de kapitaal E in de bovenste regel van de tekst, na de grote initiaal (de M van MEn), heeft een soort tong. Je zou ook kunnen zeggen dat een kopiist overal waar ruimte is, in de marges en aan het regeleinde en in feite ook aan het begin van elke versregel, die ruimte kan benutten door een bijzondere lettervorm te schrijven.

De tong van de e kan ook functioneel zijn. Wie goed kijkt, ziet dat de tong vaak ook de overgang vormt naar de volgende letter. Zie bijvoorbeeld in de eerste regels de door mij gecursiveerde combinaties (verkorte vormen geef ik voluit): ‘Men seget dat bedinge sere vroemt Ende datter grote bate af coemt. Wi mogen merken in tween dingen Hoe wi selen doen onse bedingen’. En in regel 17, waar in het laatste woord de tong omhoog loopt en uitmondt in de bovengeschreven streep die van het aldus verkorte bringē het onverkorte bringen maakt.

Jos Biemans

  • Hs. 129 A 10, fol. 201r, het begin van de proloog op Arturs doet (De dood van koning Arthur) in de Lancelotcompilatie van Lodewijk van Velthem, tekst en handschrift beide vervaardigd rond 1325 in het thans Belgische deel van het hertogdom Brabant (bladmaat 287 x 199 mm).