h

De gotische h is de enige h in de geschiedenis van het boekschrift die niet met twee benen op de grond staat. Gotisch schrift is compact, er is weinig ‘lucht’ in en om de letters. Dat komt onder andere omdat men gotisch met een bredere pen en met zwartere inkt schreef dan in de voorafgaande, karolingische periode en in het humanistische tijdvak, dat op de gotische periode volgde. Verder maakte men in zorgvuldig geschreven boekschrift veel onderdelen van verschillende letters min of meer gelijkvormig. Karakteristiek zijn bijvoorbeeld de vele haast identieke verticale lijntjes in een woord als ‘minimum’. De punt op de i is een hulpmiddel om deze letter temidden van al die verticale streepjes herkenbaar te maken. Het is geen toeval, dat deze subtiele toevoeging aan de i juist in de gotische periode in zwang kwam. Een ander trekje van gotisch schrift is het aaneenschrijven van letters waarbij twee delen daarvan samenvallen; een voorbeeld is de de-verbinding in ‘der’ en ‘godes’ (zie de detailopname).

Het compacte en brede gotische schrift maakte meer toevoegingen en aanpassingen noodzakelijk dan alleen de punt of – zoals hier – het schrapje op de i. Eén voorbeeld daarvan is de h. In gotisch schrift hebben verticale lijnen onderaan vaak een dun ‘haarlijntje’ naar rechts. Zo’n voetschreef, zoals de vakterm luidt, is te zien onderaan de stok van de h maar niet bij de tweede poot van deze letter. Al in het pregotisch was de tweede poot van de h onderaan naar binnen gaan ombuigen en daarmee verdween daar de voetschreef. Het gevolg daarvan was weer dat de voetschreef aan de poot van de stok de ruimte tussen de twee poten van de h vrijwel dichtmaakte waardoor het verschil tussen de h en de b te klein werd. Om het onderscheid tussen deze twee letters weer groter te maken kreeg de tweede poot van de h, die zoals gezegd toch al iets naar links bewoog, een naar links doorgetrokken uitloper die onder de schrijfregel doorloopt. Deze dunne staart aan de h geeft aan dat het geen b is.

Jos Biemans

  • Hs. 133 F 6, fol. 147r, gebedenboek in het Middelnederlands, omstreeks 1520 door Broeder Zweder van Buerbanck te Albergen in Twente geschreven voor zijn zus, die als zuster van het Gemene (=gemeenschappelijke) Leven in het Wijtenhuis te Zwolle woonde (bladmaat 122 x 88 mm).