i

De i, de kleinste letter van het middeleeuwse alfabet, heeft voor heel wat moeilijkheden gezorgd. Dat geldt zeker voor de littera textualis, het gotische schrift dat vanaf ca. 1250 in West-Europa als boekschrift werd gebruikt. Dit schrift verschilt sterk van de ‘open’ of ‘luchtige’ karolingische en humanistische boekschriften, die met een tamelijk spitse pen geschreven werden. De gotische littera textualis, die daar chronologisch tussenin staat en met een veel bredere pen werd geschreven, is in onze moderne ogen eerder een compact, misschien zelfs enigszins ‘benauwd’ schrift. In het karolingische en humanistische schrift kunnen de letters elk door hun vorm direct van alle andere letters worden onderscheiden, anders gezegd: ze zijn zo gevormd dat ze niet op elkaar lijken. Daardoor kan er bij de lezer geen verwarring ontstaan tussen bijvoorbeeld een c (een half cirkeltje) en een t (een korte gebogen stok met een horizontale dekstreep: τ).

Veel letters hebben lijnstukken die met de pen van boven naar beneden worden getrokken, enkele letters bestaan louter of vrijwel geheel uit verticale lijnen, zoals de l, f, h, i, m, n en de u. Bij de littera textualis werden deze lijnstukken op den duur steeds gelijkvormiger en daardoor gingen letters steeds meer op elkaar lijken. Om letters toch voldoende van elkaar te onderscheiden, werden kunstgrepen toegepast. De tweede poot van de h werd onder de lijn doorgetrokken om het verschil met de b zichtbaar te maken. Omdat in de textualis de combinatie van een c vóór een l optisch verward kon worden met een d, werd de stok van de d in plaats van recht – zoals het hoort – rond naar links getrokken. De textualis-t kreeg een langere stok en de dekstreep werd daardoor een dwarsstreep: τ > t, zodat er weer voldoende oppositie met de c ontstond.

En de i? Of liever: de ı, want in het karolingisch en humanistisch had de ı geen punt erboven. Een woord als mınımum kan in textualis-schrift lijken op een tuinhekje, voor het grootste deel bestaande uit brede verticale lijnstukken. Alleen aan de dunne lijntjes aan de boven- of onderzijde is het verschil tussen de m of n en de u te zien; de ı is te herkennen aan de afwezigheid van zulke dunne verbindingslijntjes. Bij het lezen van teksten in textualis-schrift is het vaak puzzelen en verschillende combinaties uitproberen om de juiste lezing te achterhalen. Staat er mi of nn of toch im dan wel un, nu of iin respectievelijk nii dan wel misschien uu? Over de punt op de i valt meer te vertellen, maar hier volstaat op te merken dat de toevoeging van de punt de i beter herkenbaar maakte en woorden met veel verticale lijnstukken beter leesbaar werden: mınımum > minimum. En om een laatste puntje op de i te zetten: vaak is de middeleeuwse punt geen punt maar een dun, schuin streepje of gewoon een krachtige schrap, zoals in het hier afgebeelde handschrift: í.

Jos Biemans

  • Hs. 69 B 10, fol. 8r, een deel van een zogenoemde Utrechtse historiebijbel, omdat de opdrachtgevers of eerste bezitters van dergelijke vaak rijkversierde handschriften met de historische boeken van het Oude en Nieuwe Testament met de stad Utrecht verbonden kunnen worden. Dit handschrift werd in 1443 te Utrecht geschreven en versierd. De kopiist was Gerard Wesselszoon uit Deventer; wie het schilderwerk verrichtte, is onbekend (bladmaat ca. 395 x 295 mm).