j

[j] ‘Ceci n’est pas un j’, want het middeleeuwse alfabet had evenals het Latijn geen j. Hoewel een j/J-letter niet bestond, kende men natuurlijk wel de j-klank, zowel in het klassiek en middeleeuws Latijn als in het Middelnederlands. Woorden die met een j-klank beginnen, werden in principe geschreven met een korte i: ‘iuventus’ respectievelijk ‘ioncheit’.

Wat we in het KB-handschrift zien, is een naar onderen verlengde i. Deze i (die er dus alleen maar uitziet als een ‘j’) is aan de eerste i van het woord Ghebenedijde toegevoegd om aan te geven dat hier sprake is van een lange i-klank en niet van een korte i-klank (zoals in regel 2: Christe en in regel 3: soeticheyt). Anders gezegd, de tweede i is een lengteteken dat aangeeft dat het om de ie-klank gaat. Deze tweede i werd alleen tot onder de schrijfregel verlengd om dit teken beter zichtbaar te maken. Zeker in een Middelnederlands woord als miin, dat uitsluitend uit verticale lijntjes bestaat, was het zinvol na de korte i een verlengde i te schrijven: mijn. De lange i-klank leverde de uitspraak ‘mien’ op. Dit betekent dat we ook ghebenedijde moeten uitspreken als ‘ghebenediede’. De i als lengteteken vinden we bijvoorbeeld ook in het Middelnederlandse dair, dat als ‘daar’ klonk en in het moderne Helvoirt of Oirschot, die dus een lange o-klank bevatten: ‘Helvoort’ en ‘Oorschot’. Jammer voor iedereen die notoir uitspreekt als ‘noo-twaar’, want het is gewoon ‘nootoor’. De oplettende kijker zal tegenwerpen dat in regel 2 van de hier getoonde bladzijde tekst de naam van Jezus toch echt met een J begint! Dat zou je denken, maar opnieuw: Ceci n’est pas un J, het is de hoofdletter I. Vergelijk bijvoorbeeld ook in bijgaande afbeelding het woord ick in de onderste regel van fol. 31r met Ick (en niet Jck) in de derde regel daarboven.

Pas langzaamaan is de letter j ons schrift binnengeslopen, als medeklinker en als halfklinker. Dit proces begon al in de vijftiende eeuw maar het duurde tot ver in de zeventiende eeuw voordat de j-klank algemeen met het teken j werd weergegeven. Iemand als P.C. Hooft (1581-1647) schreef nog zowel jaer als iaer en ick als jck. Een halfklinker is een klank die min of meer tussen een klinker en een medeklinker in staat en vaak fungeert als een overgangsklank. De j als halfklinker vinden we bijvoorbeeld in een modern woord als mooi en als we dit woord verbuigen worden de j-klank en de functie van overgangsklank nog duidelijker: ‘de j is een mooie letter’. Niettemin schrijven we hier – en in een vergelijkbaar woord als fraai respectievelijk fraaie – nog steeds een korte-i.

Jos Biemans

  • Hs. 133 E 2, fol. 31r, een Leven van Jezus in gebeden. Het boekje werd omstreeks 1530 vervaardigd in de Zuidelijke Nederlanden (bladmaat 97 x 55 mm).