m

De m in gotisch boekschrift bestaat uit drie brede verticale streepjes die van boven met twee dunne diagonale lijntjes met elkaar verbonden zijn. Het verschil tussen de dikke en dunne letterdelen is het directe gevolg van het schrijven met een brede in plaats van een spitse pen en van de stand van de pen ten opzichte van het perkament of papier. Dit geldt overigens niet alleen voor de gotische m, n, u, enz., maar voor gotische letters in het algemeen. Wie de afbeeldingen bij deze letter goed bekijkt, zal zien dat dit boekschrift een sterk verticaal aspect vertoont. Ook een ‘van nature’ ronde letter als de a heeft een nagenoeg rechte rug. Voor de klinker u en medeklinker v wordt in dit handschrift alleen de uit twee verticale lijntjes bestaande u gebruikt, de spitse v ontbreekt, hoewel die lettervorm te midden van al die verticale lijntjes veel beter herkend zou kunnen worden.

Het handschrift waaruit ik deze m geselecteerd heb, is een ‘Parijse Bijbel’. Eerst iets over de tekst daarvan. Het met de hand voortdurend overschrijven van een tekst, in feite het steeds weer maken van kopieën van handschriften die zelf ook weer kopieën van kopieën zijn, leidde er onvermijdelijk toe dat er gaandeweg steeds meer foutjes en fouten in de afschriften slopen. De geschiedenis van de Latijnse Bijbel laat zien dat de tekst enkele malen van allerlei fouten is gezuiverd. Hiëronymus bijvoorbeeld maakte tussen 390 en 405 de vulgaatvertaling, Erasmus herzag omstreeks 1516 het Nieuwe Testament. In het begin van de dertiende eeuw hebben dominicaanse geleerden te Parijs een revisie gemaakt om de nieuwe versie bijvoorbeeld te kunnen gebruiken als een betrouwbaar uitgangspunt bij de studie van de bijbel. Deze ‘Parijse Bijbel’ werd al snel de standaardbijbel, in eerste instantie aan de Parijse universiteit maar al snel ook elders in Frankrijk én in Engeland.

De ‘Parijse Bijbel’ kent wat de vorm betreft een type in grotere formaten en een in kleinere formaten, soms een ‘pocketformaat’. De grotere werden bijvoorbeeld gebruikt om er in alle rust lange stukken in te lezen, liefst op een lessenaar, desnoods op schoot. Lezen in het kleinere formaat kon en kan uiteraard ook, maar lange tijd daarin lezen is haast ondoenlijk want oogpijnverwekkend, zo klein is de tekst neergeschreven! Het zijn exemplaren om kortere passages in na te slaan, tijdens colleges en disputaties, maar ook als ergens ketters bestreden moesten worden met de ware tekst en uitleg. Kortom, de functie of het gebruik van het boek bepaalde het formaat en de vorm ervan.

De kopiisten die handschriften met deze Bijbelvertaling produceerden, verdienen naar mijn mening postuum een ‘monument voor de anonieme middeleeuwse kopiist’, zeker de makers van de pocketbijbels. Ook daarvoor deden zij hun werk zeer zorgvuldig, niet met een ganzeveer maar met bijvoorbeeld een puntiger kraaieveer. De tekst is weliswaar heel klein geschreven maar toch goed leesbaar en er zijn zelfs fraai versierde exemplaren vervaardigd, zoals dit handschrift in de KB. Het schrijven moet een grote concentratie hebben gevergd, zeker als een handschrift – zoals dit – uit 656 vliesdunne blaadjes perkament bestaat, dat wil zeggen 1312 bladzijden tekst met op elk daarvan twee kolommen van elk 45 regels.

Jos Biemans

  • Hs. 132 F 21, fol. 562r,  ‘Parijse Bijbel’ in pocketformaat, omstreeks het midden van de dertiende eeuw vervaardigd in Noord-Frankrijk (huidige bladmaat 134 x 80 mm, oorspronkelijk iets groter).