n

De n is een eenvoudige letter: gewoon twee verticale streepjes, aan de bovenzijde verbonden met een dun, vaak rond of diagonaal lijntje. Want eigenlijk is schrift een systeem van simpele grafische tekens, waarvan de meeste lijnstukken verticaal, horizontaal of diagonaal zijn. Ik denk aan de tegenwoordige i, k, l, v, w, x en z, waarbij het weinig uitmaakt of het om de minuskels dan wel de majuskels gaat: I, K, L, V, W, X en Z. Naast zulke rechte lijnstukken zijn er ook ronde of gebogen lijnen, zoals bij c/C en o/O. En soms zijn er lussen, naar boven of omlaag, bijvoorbeeld wanneer men tijdens het schrijven de pen niet van het papier wil halen bij de overgang tussen de rechte of gebogen delen van letters: cursief schrift. De n en de m zijn vrijwel identieke letters, ook in middeleeuws schrift, nauw verwant aan de h. Min of meer hetzelfde geldt voor de o, de b, de d en de p plus de q: variaties op één thema: een rondje met een stok omlaag of omhoog respectievelijk links of rechts van het rondje. Ook de f en de t, en in mindere mate de r, zijn min of meer verwante letters, althans als we kijken naar de onderdelen van die letters. Dat is in een schreefloze letter goed te zien, maar ook in het lettertype van deze column; in andere schriftsoorten is het wat moeilijker. De a, de g en de s zijn letters met een uitgesproken eigen vorm.

Opvallend op de pagina waaraan de n voor deze column is ontleend, is de initiaal I van het woord IRam (toorn), waarmee de Ilias latina begint. De ‘rechthoekige’ I is gereduceerd tot alleen de omtrek van de letter, in de vorm van een blauw kader dat met een wit lijntje is opgehoogd. De initiaal is geplaatst op een gouden veld met binnen de omtrek van de letter een fraaie decoratie van ranken met bloemetjes in verschillende kleuren.

Dit handschrift bevat een aantal Homerica of lofdichten op de Griekse dichter Homeros (achtste eeuw voor Christus), zoals van de Italiaanse humanist Eneas Silvius Piccolomini, die van 1458 tot zijn dood in 1464 als paus Pius II aan het hoofd stond van de Kerk van Rome. Daarna volgt de Ilias Latina, waarvan we hier het begin kunnen zien. Het gaat om een verkorte vertaling in het Latijn van de Ilias, het beroemde epos over de strijd om Troje van Homeros. Deze vertaling wordt toegeschreven aan Publius Baebius Italicus, een Romeinse senator uit de eerste eeuw na Christus. In de Middeleeuwen vormde diens Latijnse tekst de belangrijkste bron voor het verhaal over Troje. Het handschrift wordt beschouwd als het eerste, tamelijk dunne deel (16 bladen) van een set van vier delen met als hoofdtekst de Opera omnia van Vergilius (eerste eeuw voor Christus) plus enkele andere teksten (samen 366 bladen, dus in totaal 382 bladen).

Deze veelheid aan gegevens laat onbedoeld zien dat de klassieke letterkunde een doorlopende lijn vertoont van het Grieks naar het Latijn, van de Oudheid via de Middeleeuwen naar het Humanisme en dat humanisme en kerk niet tegenover elkaar stonden, want dat tal van humanisten hooggeplaatste geestelijken waren.

Jos Biemans

  • Hs. 129 C 5, fol. 2v van het eerste deel van een set van vier handschriften met de Opera omnia van Vergilius en enkele andere teksten, in het derde kwart van de vijftiende eeuw geschreven en verlucht te Brugge (bladmaat 278 x 198 mm). De andere delen zijn thans de Hss. 76 E 21, I-III.