o

Deze tekst begint met een letter waarin een historie wordt uitgebeeld, een zogenaamde gehistorieerde initiaal, in dit geval een O: OMnes scientes [eigenlijk: sitientes] venite ad aquas…; ‘Allen die weten [eigenlijk: dorst hebben] kom naar de wateren’. Dit begin van hoofdstuk 55 van Jesaja’s Visioenen is een van de teksten in het Latijnse brevier, een liturgisch boek waarin elke priester dagelijks moet lezen. Deze passage wordt gelezen op 6 januari, het feest van de epifanie of openbaring van Christus aan de wereld, beter bekend als het feest van Driekoningen. De vorsten noch de Wijzen uit het Oosten worden door Jesaja genoemd, maar de tekst past goed bij Driekoningen en de geschilderde voorstelling bij de initiaal illustreert het verband tussen tekst en dag.

Over de initiaal valt weinig te zeggen, een O is een O. Dit is een blauwe O, opgehoogd met motiefjes in wit en geplaatst op een rechthoekig, bijna vierkant roze veld in een gouden kader. Boven de veldinitiaal zwaait een engel een wierookvat (een heilig, geurig rookoffer), in de ondermarge bewaakt een knaap de paarden van de koningen. De kunstenaar heeft gespeeld met de ruimten. De twee koningen in de initiaal, die al binnen de wereld van de voorstelling zijn, gaan geheel op in de ontmoeting met het Christuskind en Zijn Moeder. De koning links van de letter daarentegen staat letterlijk en figuurlijk nog in onze wereld (een deel van zijn tuniek steekt uit in de marge van deze bladzijde). Deze koning kijkt naar ons, de lezers van dit brevier!

Jos Biemans

  • Hs. 76 J 18, fol. 36v, Breviarium, Kamerijk, ca. 1275-1300 (bladmaat: 205 x 135 mm).