punt

Geschreven taal is in feite gestolde spraak. Schrift is het hulpmiddel om gesproken taal vast te leggen op een drager: papier, metaal, steen, glas en wat al niet meer. Dit geldt overigens ook voor taal die niet, of: nóg niet uitgesproken is, zoals talige gedachten. Er zijn twee belangrijke redenen waarom we taal willen fixeren. De ene is dat we de uiting voor kortere dan wel langere tijd willen bewaren, zoals bij een liefdesbrief of een bewijsstuk, bijvoorbeeld van een lening. De andere is dat we de uiting naar elders willen transporteren, bijvoorbeeld in een e-mailtje naar de buren of naar iemand aan de andere kant van de wereld. Ons Latijnse alfabet met slechts 26 letters is een voortreffelijk middel voor het vastleggen van taal. De Chinezen hebben het wat dat betreft met hun duizenden karakters stukken moeilijker dan wij.

Behalve voordelen kent geschreven taal ook nadelen ten opzichte van gesproken taal. We missen bijvoorbeeld de intonatie van de spreker, we horen niet waar nadruk op gelegd moet worden, waar een kortere of langere pauze moet vallen. Kortom, de hoorbare signalen vallen weg op papier. Om dit verlies te compenseren, maken we gebruik van wat ik nu maar ‘zichtbare stuurtekens’ noem. Accenten op klinkers markeren lettergrepen die nadruk moeten krijgen. Komma’s, puntkomma’s en punten kunnen als rusttekens dienen. Het wél of géén uitroepteken plaatsen kan een wereld van verschil maken en zonder vraagteken ontvangen we geen signaal dat de toonhoogte aan het einde van een vraagzin omhoog dient te gaan. Punten kunnen ook aangeven dat een woord is afgekort, zoals in H.M. voor Hare Majesteit. De geoefende lezer heeft met dergelijke verschillende leestekens meestal geen enkele moeite, hij neemt de tekens nauwelijks bewust waar, maar handelt wel overeenkomstig de bedoeling.

Zo ging het ook in de Middeleeuwen, zij het dat men toen minder stuurtekens kende met een eigen betekenis, zoals thans het geval is. In het korte gedicht (24 regels) waaraan de hier afgebeelde punt is ontleend, spreekt een ic-figuur over een geheimzinnige kamer (de verkort geschreven delen heb ik uitgeschreven en gecursiveerd; in de vrije vertaling heb ik volgens modern gebruik leestekens toegevoegd):

Dese camere is so goet
Dat ic dencke in mienen moet
Mochtic in die camere wesen
Al druefde ic . ic soude blide wesen
Ic moeter selve buten bliven
Al soudmen mi daeromme ontliven
Deze kamer is zo goed,
dat ik in mijn hart weleens denk:
Als ik in die kamer zou zijn, dan zou ik,
ook al was ik bedroefd, verheugd zijn!
Maar ik moet zelf buiten die kamer blijven,
zelfs wanneer men me daarom het leven zou ontnemen.

De Middelnederlandse tekst bevat geen enkel leesteken behalve die ene punt. Het einde van de versregel bij berijmde teksten impliceerde al een rust. De context bepaalde wát voor rust: kort (vergelijk onze komma), lang (onze punt), of anders (zoals na ‘dencken … moet’: de gedachte wordt uitgesproken). Het ontbreken van leestekens laat zien dat de middeleeuwse lezer met deze presentatie uit de voeten kon. De punt in de vierde regel van het citaat is nodig om binnen de versregel een duidelijke pauze te laten vallen en de toon aan te passen. Het is in feite een waarschuwingsteken dat de lezer iets moet doen om verkeerd lezen te voorkomen. Wij zouden hier een komma plaatsen.

Jos Biemans

  • Hs. 128 E 2, fol. 63r, Het Haags Liederenhandschrift, een verzameling van 165 kortere en langere teksten, waaronder een aantal liedteksten; het handschrift moet omstreeks 1400 vervaardigd zijn, onduidelijk is in welke plaats of regio (bladmaat 250 x 185 mm).