t

De slot-t in laatmiddeleeuws schrift is een letter die in eerste instantie meestal niet wordt herkend door moderne lezers. Studenten die teksten in dergelijk laatmiddeleeuws schrift moeten omzetten in modern schrift hebben vaak niet onmiddellijk door dat de t aan het einde van een woord anders geschreven kan zijn dan een t binnen een woord. Aan het woordeinde is ruimte en middeleeuwse kopiisten grijpen bij sommige letters die ruimte aan om iets extra’s te doen (net zoals ze de ruimte van de bovenmarge benutten om een letter anders te schrijven, groter of voorzien van een groteske; zie de v in deze reeks bijdragen. De slot-t heeft in vergelijking met de gewone t een dun verticaal haarlijntje dat van de top van de stok omlaag loopt, door de horizontale dwarsstreep heen, tot op de schrijfregel of nog verder naar onderen. Binnen het woord verhinderen het schrijfritme en het gebrek aan ruimte het aanbrengen van zo’n decoratieve afsluiting.

De t dankt sinds de Middeleeuwen zijn wat verhoogde stok aan het feit dat het verschil tussen de c en de t in de loop der eeuwen te klein was geworden. Aanvankelijk zag de t eruit als een kort verticaal haaltje of stokje, met een dekstreep erboven die naar links en naar rechts even lang was, in feite een vorm die rechtstreeks op de Griekse tau (τ) terugging. Gaandeweg verschoof de dekstreep naar rechts, zodat de t steeds meer op een c ging lijken. Uiteindelijk is men de stok van de t langer gaan maken en werd de dekstreep een dwarsstreep zodat het verschil met de c weer prima zichtbaar was. Dat is mooi te demonstreren aan een woord met zowel een c als een t, zoals doceat in de tweede regel van de groot geschreven hoofdtekst van de Aeneis.

Voor wie – uiteraard – ook belangstelling heeft voor de miniaturen in dit schitterende Vergilius-handschrift: de bovenste scène toont Aeneas die van zijn nieuwe vaderland droomt, in de afbeelding daaronder begroet hij koning Euander en onderaan zien we hoe Venus voor Aeneas in diens slaap een wapenuitrusting heeft gebracht.

Jos Biemans

  • Hs. 76 E 21, pars III, fol. 144v, Vergilius, Opera Omnia, deel 4, met de Aeneis: Brugge, derde kwart van de vijftiende eeuw (bladmaat: 278 x 198 mm).