u

Incipiunt hore uirginis marie secundum usum et consuetudinem romane curie: Hier beginnen de getijden van de maagd Maria volgens de rite en het gewoontegebruik van de Romeinse Curie. Zo luidt de beginformule die als opschrift dient boven de getijden of gebeden die op vaste uren of tijden van de dag tot Maria gericht worden. De letter u komt in het Latijnse citaat veelvuldig voor. In de meeste gevallen is het gebruik probleemloos: de gotische u staat dan voor de moderne u. Maar in het woord uirginis, de genitief van virgo of maagd, moet de eerste letter toch echt worden geïnterpreteerd en uitgesproken als een v. Met andere woorden, in de Middeleeuwen gebruikte men slechts één teken voor zowel de vocaal of klinker u als de consonant of medeklinker v. Dat is een van de redenen waarom het middeleeuwse alfabet slechts drieëntwintig letters telt: de halfvocaal j ontbreekt, er is maar één teken voor onze u en v en ook de w als zelfstandige letter was er nog niet (de w werd beschouwd als een dubbele u of v: uu respectievelijk vv).

Dat ene teken voor u/v kent echter wel twee vormen: rond en puntig. In dit handschrift heeft de kopiist alleen de ronde vorm gebruikt, zodat uit de context moet worden opgemaakt of die letter voor de vocaal dan wel de consonant staat. In andere handschriften kan de puntige vorm steeds aan het begin van een woord staan en gebruikt worden bij éénletterwoorden: Vtrecht [=Utrecht], vanden [=vonden] en v [= u], terwijl de ronde vorm steeds binnen het woord geschreven wordt: beuelen [=bevelen]. Soms is door die conventie een woord voor ons niet onmiddellijk herkenbaar, zoals veruulen [vervulen=vuil maken]. De keuze voor de vorm is dan bepaald door de positie van de letter, de betekenis moet ook hier uit de context worden afgeleid. Pas in de loop van de zeventiende eeuw is de gewoonte ontstaan om consequent de ronde vorm te schrijven voor de vocaal (u) en de puntige voor de consonant (v).

Jos Biemans

  •  Hs. 135 J 55, fol. 14r. Zeer rijk gedecoreerd getijdenboek in het Latijn met drie bladgrote miniaturen, omstreeks 1460 vervaardigd in Valencia (bladmaat 150 x 100 mm). Het handschrift is gebonden in een bruinleren contemporaine band, waaromheen ter bescherming een roodfluwelen chemise of omhulsel is aangebracht.