Vraagteken

Met alleen letters in een tekst kan lezen een lastige opgave zijn. Het verschil tussen kleine letters en hoofdletters helpt al om bijvoorbeeld het begin van een zin te zien naderen of om eigennamen te signaleren. Van groot belang zijn ook leestekens. Lange tijd fungeerden komma’s, puntkomma’s en punten vooral als rust- of pauzetekens. De komma stond voor een korte pauze, de punt voor een lange pauze en de puntkomma zat daartussenin. Dat is nog steeds zo, maar tegenwoordig dienen leestekens primair om de grammaticale structuur van zinnen aan te geven. Met komma’s onderscheiden we bijvoorbeeld bijzinnen van de hoofdzin.

Andere tekens hebben bijzondere functies. Een uitroepteken benadrukt een uitroep of een bevel. Het vraagteken is eigenlijk een modulatieteken: het geeft aan dat de zin een vraag bevat en dat aan het einde van die zin de toonhoogte omhoog moet gaan. (Probeer maar eens het verschil in toonhoogte te horen tussen ‘gedaan’ in ‘Jan heeft het gedaan!’ en in ‘Heb jij dat gedaan?’). Bij ons staan die tekens aan het einde van de zin, de Spanjaarden zijn zo slim het teken alvast ook aan het begin van dit soort zinnen te plaatsen, maar dan ondersteboven (‘¿Wist jij dit al?’ ‘¡Ik wel!’).

In de Middeleeuwen bestond het vraagteken nog niet in de vorm zoals wij het thans kennen. Heel gebruikelijk was het teken dat aan het begin van dit stukje is afgebeeld. Dit voorbeeld stamt uit de zeventiende eeuw en was ook toen nog heel gewoon in geschreven teksten terwijl in gedrukte teksten al sinds het begin van de vijftiende eeuw het ?-teken werd toegepast.

De twee regels ‘Aan den Heer Jakob Heijblok’ met dit oude vraagteken luiden als volgt: ‘Wat is den mens alleen? daar valt niet om te schaacken, Dies vindt ick geen pertuur [geschikte tegenspeler], zoo moet ick ’t schaacken staacken’.

Jos Biemans

  • Hs. 131 H 26, p. 248 (tekstfragment) en p. 249 (pentekening), de bijdrage van Jan de Bray aan het album amicorum of vriendenboek van Jacobus Heyblocq, Haarlem 1661 (bladmaat 92 x 153 mm).