y

De y is een gecompliceerde letter. Niet wat de vorm betreft, dus om te schrijven, integendeel! Na een ragfijn haarlijntje dat als diagonale schreef of aanzet fungeert, gevolgd door een korte neerhaal die met de volle breedte van de pen getrokken is, kan de schrijver zich uitleven door een superieure lange haal op het perkament of papier te zetten die vanuit het midden van de eerste poot schuin oploopt tot op gelijke hoogte met de eerste poot van de y, en daarna in één beweging van breed naar zeer dun doorgetrokken wordt naar beneden tot ver onder de schrijfregel. Een ervaren schrijver laat die neergaande lijn precies langs het einde van de eerste lijn lopen, geheel parallel met het eerder genoemde haarlijntje aan de y. In dit geval is boven de y nog een schrap of punt gezet, van beneden naar boven.

De geschiedenis, de klank en het gebruik van de y zijn wél complex. De y in ons Latijnse alfabet is in feite de Griekse y, de upsilon. De vorm van zowel de hoofdletter als de kleine letter daarvan zijn die van de Griekse kapitaal Y, dus niet van de kleine letter upsilon: υ. De letter is immers in de eerste eeuw voor Christus door de Romeinen aan hun alfabet toegevoegd, toen van kleine letters in het Griekse en Latijnse boekschrift nog lang geen sprake was. De klankwaarde van de upsilon in het Latijn was min of meer die van de u-klank in ons moderne woord ‘fuut’, een klank die niet toevallig in fonetisch schrift wordt aangeduid als [y.]. De Romeinen hadden de letter nodig om die klank te kunnen aanduiden wanneer zij Griekse woorden weergaven in hun Latijnse alfabet. Ter vergelijking: in het moderne Duits hoort de y nog steeds te worden uitgesproken als de korte-ü in bijvoorbeeld Jünger (de lange-ü daarentegen klinkt als de ü in führen). Woorden als Hypnose en Hypothese klinken in het Duits dus ongeveer als ‘huupnooze’ respectievelijk ‘huupotheeze’.

Anders dan in het Duits is de klank van de y in het Nederlands en andere talen, waaronder ook het moderne Grieks, na verloop van tijd verschoven van de uu-klank naar de i- of de ie-klank. Wij spreken daarom van ‘hiepnooze’ en ‘hiepootheese’ en bijgevolg ook niet meer van de upsilon maar van de ypsilon.

Wat betreft de klankwaarde en de functie van de Y/y kan ik me hier, door de keuze van een handschrift met een Franse tekst, beperken tot die van de y in het Frans. Net als in het moderne Frans fungeert de y ook in het Oudfrans als de vocaal y (uitspraak zoals in cycle) en als de halfvocaal j (uitspraak zoals in ayant of – zoals in het afgebeelde handschrift – in: Citoyen); zie voor de term halfvocaal bij de letter j.

Voor de y in het Nederlands geldt hetzelfde, maar wordt de letter ook wel gebruikt als alternatief voor de ij, oorspronkelijk de spelling van de lange i (zoals in miin of mijn, beide uit te spreken als ‘mien’). Als gevolg van klankverschuiving klinkt de ij thans als ei (zoals in mijn) en daarom spreken wij niet meer van de lange i maar van de lange ij.

Jos Biemans

  • Hs. 133 A 5, fol. 47v, de Franse vertaling door Laurent de Premierfait van de Decamerone van Giovanni Boccaccio. Dit forse handschrift werd omstreeks 1485 in Brugge gemaakt en was eigendom van Filips van Kleef (1456-1528), Heer van Ravenstein en een van de belangrijkste boekenliefhebbers van zijn tijd (bladmaat 457 x 334 mm).