z

Het lijkt op het cijfer 3, maar het is de letter z, althans in dit type gotische boekschrift, de littera textualis. Dit lettertype werd met een tamelijk brede ganzeveer geschreven zodat – afhankelijk van de stand van de pen – brede en dunne lijnen konden worden getrokken. Oorspronkelijk stamt de z van de Griekse kapitaalvorm van de zèta, die als een Ζ geschreven werd (de minuskelvorm, die pas veel later in gebruik kwam, is ζ). De Romeinen hebben al rond 700 vóór Christus de meeste kapitalen van het Westgriekse alfabet overgenomen en die gaandeweg aangepast voor het schrijven van Latijn, maar de Z namen zij pas in de eerste eeuw v. Chr. over. Deze letter komt dan ook maar weinig voor in het Latijn. In de gotische schrifttypen kreeg de z vaak een staart, zoals hier: z. Misschien gebeurde dat om deze letter beter te onderscheiden van de et-abbreviatuur die ook voor het Middelnederlandse ende = ‘en’ werd gebruikt: meestal een plusteken in de vorm van een (staartloze!) z met een dwarsstreepje door de diagonaal van die letter.

Deze z komt voor in een handschrift met Jacob van Maerlants Der naturen bloeme, een encyclopedisch boek over de wonderen der natuur, de mensensoorten inbegrepen. Op deze bladzijde worden diverse soorten menselijke wezens besproken, de tekst is steeds vergezeld van een afbeelding. Achtereenvolgens zien we een gigant, dan een volk van minimensjes, een volk met vrouwen die kinderen baren die dan al grijze haren hebben, vrouwen die vijflingen ter wereld brengen die maar acht jaar oud worden, dan – zie ook het detail – een volk dat rauwe vissen eet en zeewater drinkt, daarna mensen met handen waarbij de duim op de plek van de pink zit, mensen met maar vier tenen aan elke voet, mensen met voeten die naar opzij staan en tenslotte mensen met hondekoppen en hondepoten.

Jos Biemans

  • Hs. KA 16, (bruikleen Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen), fol. 41r. Dit handschrift met *Der naturen bloeme *van de Vlaamse dichter Jacob van Maerlant werd in de eerste helft van de veertiende eeuw vervaardigd, mogelijk in het Utrechtse hoewel de tekst nog opvallend veel Vlaamse vormen bevat; in een elders gemaakt afschrift worden zulke oorspronkelijke vormen meestal vervangen door de daar meer vertrouwde vormen (bladmaat 278 x 208 mm).