1849: Jeugd

Oudste kinderalmanak

Net als vrouwen zijn jongeren in de loop van de achttiende eeuw door almanakuitgevers ontdekt als aparte lezersgroep. Vanaf 1760 verschenen almanakken die zich in de titel expliciet richtten tot de jeugd. De oudste kinderalmanak in de KB is de Almanach voor kinderen voor 1781, die inhaakte op de populariteit van de kindergedichten van Hieronymus van Alphen uit 1778, en met succes, want er verschenen bijna twintig jaargangen van. De eenvoudige gedichten vertelden de kinderen hoe ze zich moesten gedragen en dat ze hun gezin, God en vaderland lief dienden te hebben. Door woorden als 'beschaafd' en 'galant' in de titel te gebruiken hoopten almanakmakers ook door te dringen tot de harten van adolescenten. Mooie plaatjes dienden de aantrekkelijkheid verder te vergroten. Ook in deze teksten werd de nadruk gelegd op wél doen aan familie en medeburgers, maar er is ook aandacht voor ontluikende liefde.

Almanak voor de jeugdvoor 1849

Almanak voor de jeugdvoor 1849

Pikant

Ronduit pikant is De vermaaklyke horologie-almanach voor 1795. In deze almanak, die zich richt tot 'de Nederlandsche meisjens en jongelingen', is een gravure te vinden, 'Nieuwsgierigheid' geheten, waarop een jongeman is afgebeeld met een broek waarvan de klep opgetild kan worden....

Almanak voor de jeugd

Van de traditionele elementen zijn in de kinderalmanakken alleen nog de kalender, beknopte astronomische wetenswaardigheden en gegevens over postdiensten en markten te vinden, en zelfs deze verdwijnen bijna geheel in de negentiende eeuw. De populairste Nederlandse kinderalmanak toen was de Almanak voor de jeugd. Met name de verhalen van mevrouw A.B. van Meerten-Schilperoort, afgewisseld door gedichten van C.P.E. Robidé van der Aa waren verantwoordelijk voor deze populariteit, tezamen met de aantrekkelijke, gekleurde platen.

Geschenk voor de feestdagen

Dat almanakken ook aan kinderen werden geschonken tijdens de feestdagen blijkt uit het verhaal 'Het nieuwe almanakje' in de Miniatuur-almanak voor kinderen voor 1849. Een jongetje klaagt tegen zijn moeder dat hij de almanak alweer uit had, vlak nadat hij hem had gekregen. Zijn moeder adviseert hem niet alleen naar de plaatjes te kijken, en ook om de almanakken te bewaren, zoals zijn zusje doet. Dan heeft hij ieder jaar meer om te lezen en naar te kijken. Als het een zoet jongetje was en daadwerkelijk naar zijn moeder heeft geluisterd, zal hij zichzelf vier jaar later wel herkend hebben in een gedichtje van A.H. van Thiel in de Almanak voor de jeugd voor 1853: 'Er is een plekje in onzen tuin / Digt bij het middenvak, / Waar al mijn lieve roosjes staan, - / Daar lees 'k mijn almanak.'