Boekbanden van Jacqueline Sanders

Ook al worden binders in de media nogal eens beschreven als 'de laatste ambachtsman van Nederland', kent ons land tegenwoordig een grote groep boekbinders, vooral amateurs, die het vak redelijk tot goed beheersen. Er zijn zelfs mensen die een deel van hun inkomen uit het handboekbinden halen. Jacqueline Sanders behoort tot geen van beide. De kwaliteit van haar kunstboekbanden is die van een amateur allang voorbij, maar zij hoeft er niet van te leven. Zij heeft haar werk doorgaans niet in opdracht maar voor eigen doeleinden gemaakt: het verbeteren van ontwerp en techniek, het experimenteren met nieuwe, vaak zelf-bedachte oplossingen en het meedoen aan de nationale en internationale manifestaties die er op dit terrein zijn.

Al in 1984 viel een van haar banden op, om het in het Frans vertaalde Dagboek van Anne Frank. De KB kon het verwerven. Ik vond de wijze waarop kegel-achtige figuren in het bovenste van twee achterplatten waren weggehaald om gelijke figuren in het onderliggende plat zichtbaar te maken heel bijzonder. Daardoor kon wat ik als Anne Frank zag wisselend tegen een groene en niet sombere achtergrond geplaatst worden en tegen een zwarte sombere.

Het gebeurt zelden dat de KB meer dan twee werken van levende kunstenaars koopt, maar van Jacqueline verwierf zij er nog twee, bij een in de KB tentoon gestelde wedstrijd van (1988) een band inde vorm van een 'kamerscherm' om Zestien Haiku van Yorgos Seferis en bij een presentatie in Brussel (1991) een miniatuur-bandje, waarvan het ontwerp in de miniatuur-doos doorloopt. Bij alle drie de banden bleek een interesse in on-orthodoxe en goed uitgevoerde ontwerpen, terwijl zij niet alleen geschikt zijn als object in de boekenkast, maar ook in de expositie-zaal.

Zij werd in 1929 als Jacqueline van Maarsen geboren. Haar vader was een Joodse Nederlander en haar moeder een katholieke Française. De Duitse bezetting bracht ook Jacqueline ellende. Zij kon aan deportatie ontsnappen, omdat het haar moeder in 1942 lukte een inschrijving bij de Joodse Gemeente ongedaan te maken. Wèl had Jacqueline inmiddels op het Joods Lyceum Anne Frank ontmoet en waren beide meisjes dikke vriendinnen geworden.

De verschrikkingen van de oorlog, het idee nergens bij te horen en de problemen rond de overgang van het Joods Lyceum naar het Gemeentelijk Lyceum voor meisjes, deed haar besluiten haar schoolopleiding niet verder voort te zetten. Zij leerde typen, behaalde diploma's stenografie, Nederlands, Frans, Duits en Engels en ging werken bij een wijnhandel. Zij ontmoette Ruud Sanders, trouwde met hem en kreeg drie kinderen. Ruud kreeg een carrière bij de Bijenkort en zij bleef, zoals vroeger gebruikelijk voor een getrouwde vrouw, thuis.

Van jongs af aan had Jacqueline ook andere belangstellingen. Op de lagere school was ze bevriend met kinderen van architecten en een keramist en kreeg de liefde voor boeken van haar vader mee, die zelfs - zoals zij onlangs hoorde - in zijn jeugd korte tijd bij een binder gewerkt had. Later volgde zij cursussen, zoals in de kunstgeschiedenis en het Frans.

Toen haar kinderen de deur uitwaren ontdekte ze het boekbinden, nam in 1974 lessen bij de bekende Amsterdamse binder Bert Graafland, later bij Hugo Peller in Ascona, toen een vermaard opleidings centrum en vervolgens bij Sün Evrard te Parijs, een beroemd kunstboekbindster. Verder leerde ze papierscheppen, calligraferen en papiermarmeren en volgde colleges over de geschiedenis van het boek aan de Amsterdamse universiteit. Zoals al gezegd, nam ze aan vele wedstrijden en tentoonstellingen deel en behaalde menige prijs of eervolle vermelding. Ze heeft zich tot 1995 actief met het binden bezig gehouden, maar daarna ging haar verleden steeds meer aandacht vragen, wat er uiteindelijk toe leidde dat zij haar activiteiten naar het schrijven heeft verschoven. Haar boek 'Ik heet Anne, zei ze, Anne Frank', werd op 14 mei van dit jaar ten doop gehouden.

De negen banden, die zij als afsluiting van haar bind-carrière aan de Koninklijke Bibliotheek heeft geschonken, vormen een waardevolle aanvulling op de collectie. Zij hebben elk ooit ergens aandacht getrokken, hebben hun eigen bijzonderheid en vullen wat de bibliotheek al had goed aan. Zij tonen overduidelijk dat Jacqueline Sanders tot de zeer weinigen in Nederland behoort, die zich op de Franse traditie kunnen richten, waar onder andere de kwaliteit van de uitvoering hoog in het vaandel staat. In haar grafische ontwerpen toont zij aan de andere kant ook haar leertijd in Ascona. Deze kwaliteiten paart zij aan een originaliteit, die zich niet in grove accenten en brede gebaren uit, maar eerder in kleine facetten, bedoeld voor de goede verstaander.

Bij een korte bespreking van enkele banden blijkt dat meteen. De band om Poe's The bells and other poems geeft slechts de boektitel op het voorplat, maar in een cirkel en alsof op een bol geplakt en doet daarmee aan een starend oog denken. De band om Beaudelaire's Les fleurs du mal geeft een net aan zichtbare naakte vrouw in leeropleg, met erboven een indrukwekkende bloem, waarvan de bladeren door ze te draaien van zwart in lilarood kunnen verkeren. De band om Mokusei doet met een bloem in origami-vouwwerk van goud-achtig materiaal en een stokje om de bloemblaren open te kunnen zetten aan Japan denken. Terwijl voorgaande banden in marokijn zijn uitgevoerd, steekt die om Ma petite Amie Pomme in linnen dat in felle kleuren is ingelegd. Het boekje kan open in de beschermdoos gezet worden, waarbij de decoratie van de binnenkant van de door en die van het bandje in elkaar over lopen. De band om L'écran behoort ook tot de meer eclantante. De aan de 'art nouveau' denkende laat-negentiende-eeuwse prenten van het boekje, zijn op de band vertaald in een slingerende decoratie van haast opzichtige, maar heel kleine en fel gekleurde metalen puntjes. Zij lijken te bedekken en verhullen niets.