De Blauwe Schuit: Zo dikwijls als ik dwalend

Sommige Blauwe Schuit-uitgaven kwamen relatief snel tot stand. Vóór Pinksteren 1944 moest een uitgave over het doopvont van de Hervormde Kerk in Hoogwoud verschijnen. Het idee werd zeven weken eerder bedacht.

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Vooromslag (Koninklijke Bibliotheek: eerste exemplaar)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Binnenzijde vooromslag en pagina 1

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Pagina 2-3

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Pagina 4 en binnenzijde achteromslag

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Achteromslag

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

In die zeven weken - tussen 15 april en 28 mei 1944 - moest alles gebeuren: kopij vaststellen, papier uitkiezen, formaat bepalen, foto voor omslag laten clicheren, zetwerk, proef trekken, correctie door de redactie én door de auteur, zetwerk voltooien, de oplage drukken, inclusief de versiering van Werkman op omslag en eerste tekstpagina, verzenden aan opdrachtgever. Tegelijk werd hard gewerkt aan andere uitgaven, zoals De doode zwanen met een gedicht van Vestdijk.

Titel of geen titel

Een titel voor de uitgave is wel bedacht, maar niet in het boek terecht gekomen. In de brieven tussen August Henkels en Hendrik Werkman wordt gesproken over 'Het Doopvont'. Er is een proef waarop de titel is afgedrukt op de eerste tekstpagina, maar het boekje zelf bevat geen titel. De tekst is een gedicht van Muus Jacobse. Jacobse was een pseudoniem van K.H. Heeroma (1909-1972). Ook de naam van de auteur blijft in de uitgave ongenoemd. Meestal wordt de eerste regel van de tekst als titel aangehouden.

Het gedicht bestaat uit 18 strofen, die niet allemaal op één pagina passen. Vandaar dat er voor een blad met 4 pagina's is gekozen. Dat liet ook ruimte voor het colofon achterin en voorin paste een korte tekst over het doopvont.

Het middeleeuws stenen doopvont had jarenlang in een berghok gestaan, maar was in 1942 gerestaureerd en opnieuw in gebruik genomen in de kerk van Hoogwoud (in de kop van Noord-Holland). De tekst verklaarde:

'Aan vier van de acht zijden bevinden zich gebeeldhouwde koppen, waarvan de betekenis niet vaststaat, maar die in het volgende gedicht worden opgevat als de vier evangelisten'.

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Detail van foto op vooromslag

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Vergroting van rastercliché

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)
Eerste strofe van het gedicht

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Cliché en kleur

Het doopvont speelde zo'n belangrijke rol in het gedicht dat een afbeelding noodzakelijk was. Werkman had die illustratie kunnen maken, maar Henkels besloot dat er een foto moest worden gebruikt. Hij vroeg zich nog wel of er geschikt papier te vinden was voor zo'n reproductie. Die werd gedrukt in autotypie (rastercliché). De clichéfabriek maakte eerst een te klein cliché. In de uitgave meet de reproductie 12 bij 9 cm. Heeroma wilde er nog wat kleur bij hebben. Het geel van het omslagkarton vond hij niet genoeg, schreef hij aan Werkman (25 april):

'Ik vermoed dat het cliché het wel goed zal doen op de buitenkant, vooral als jij het met wat kleur gaat opwerken.'

Muus Jacobse, *Hoe dikwijls als ik dwalend* (1944)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)

Copyright

© De tekst van Muus Jacobse (K.H. Heeroma) wordt hier gereproduceerd met exclusieve toestemming van de Erven Heeroma.

Beschrijving van BS38

[Muus Jacobse (K.H. Heeroma)], [Tekst met beginregel:] Zo dikwijls als ik dwalend. [Druksels: H.N. Werkman].
4 bladen, gelijmd in omslag, 246x159 mm.
Mei 1944.
Letter: Holandsche Mediaeval, cursief en halfvet romein.
Oplage: 60.
Papier: Eenzijdig gesatineerd karton (aan de satinagekant geel gekleurd, waarschijnlijk geelgekleurde satinage) (omslag). Binnenwerk: lichtbruin gekleurd drukpapier (lichter en dunner dan papier in BS-25).
Colofon: 'Dit gedicht van een schepeling der Blauwe Schuit is opgedragen aan H. Kreb, predikant te Hoogwoud, en werd gedrukt en verlucht door H.N. Werkman in een oplage van 60 ex., die tegen Pinksteren 1944 verdeeld werden onder de vrienden van de Blauwe Schuit.’

Literatuur

Muus Jacobse, *Hoe dikwijls als ik dwalend* (1944)
Druksel van H.N. Werkman (Koninklijke Bibliotheek: tweede exemplaar)

Muus Jacobse, Hoe dikwijls als ik dwalend (1944)