De financiën van de private press

Deze pagina is onderdeel van de webexpositie Private Press.

In de bibliografie van zijn Essex House Press (1909) schreef C.R. Ashbee als eerste over de financiële kant van de private press. Hij was ervan doordrongen dat de eerste generatie van de private press-uitgevers over voldoende financiële middelen of steun kon beschikken, maar: ‘The question involved is, what future lies before them? How are they to be maintained and at whose charges?’ Hoe stond het met de weegschaal die idealisme en financiën in evenwicht moest houden? Experimenten, ‘my own time and my partner’s’ mochten niets kosten. De Kelmscott Press Chaucer-uitgave ‘dit not pay’ en Ashbee vroeg: ‘Who is to pay for the continous production of good work?’

Van de financiën van de Nederlandse private press kunnen vier momentopnamen worden genomen: de financiering van De Zilverdistel rond 1915, de financiering van De Heuvelpers rond 1930, de financiering van Sub Signo Libelli rond 1975 en het benodigde startkapitaal voor een hedendaagse pers.

Het kapitaal voor De Zilverdistel

In de beginperiode van De Zilverdistel deden de uitgevers geen grote investeringen: ze kochten geen pers of lettertype. De rekening van de drukker mocht even blijven liggen – Joh. Enschedé en Zonen stond De Zilverdistel drie maanden krediet toe – en kon worden voldaan al naargelang er exemplaren werden verkocht. Van Eyck moest vaak aanmaningen versturen aan klanten en auteurs die extra exemplaren afnamen (Geerten Gossaert, Jan van Nijlen). Hij maakte kostprijsberekeningen om de oplage te bepalen van Verwey’s Het eigen rijk en hield behalve met drukkosten, papier, prospectus en verzendkosten,rekening met boekhandelskortingen die konden oplopen tot 40%. Voorinschrijvingen waren van groot belang voor de berekening van de uiteindelijke prijs. Voor Van Eyck was De Zilverdistel een ‘bijverdienste’.

De komst van Van Royen bracht een ander financieel beleid. De kostprijs werd hoger. De Zilverdistel kon zich geen afzeggingen meer permitteren. In augustus 1915 spoorde Van Royen de jonge verzamelaar Victor van Vriesland aan zijn intekening niet te laten varen en stond hem uitstel van betaling toe. Hij behoorde immers tot ‘de weinigen in ons land die in boekkunst belang stellen’. Het tweede oorlogsjaar was voor De Zilverdistel juist een periode van hoge investeringen: er werd een drukpers besteld in Engeland én Van Royen liet twee lettertypen ontwerpen. Hij was een slimmere boekhouder dan Van Eyck, voor wie zijn overzichten ondoorgrondelijk waren. Toen Van Eyck nog in Rome woonde, verhinderden de oorlogsomstandigheden verzending van zijn contractuele recht op een aandeel in de winst (ƒ150). Van Eyck begreep de ‘afrekeningspapiertjes’ niet, wel zag hij in dat de handel door de oorlog stil kwam te liggen: ‘Onze Fransche, Belgische, Duitsche en Oostenrijksche afnemers zullen ons voorloopig zien aankomen’.

Van Royen moest een accurate boekhouding voeren, omdat hij bij de inrichting van de pers geheel leunde op cheques van W.A. Engelbrecht. Steeds als een rekening voor de pers werd ontvangen, werd het bedrag door de mecenas uit Rotterdam overgemaakt. ‘’t Crediet heb ik geopend in de boeken van mijn firma op mijn naam. U gelieve van ’t benoodigde opgave te doen aan den heer C de Groot te mijn kantore, die op ’t oogenblik mijn privézaken beheert’. De kosten liepen op tot circa ƒ5800 (omgerekend ongeveer €55.000), uitgestrekt over drie jaar tussen september 1914 en april 1917. Engelbrecht ontving in ruil het recht op exemplaren: ‘Eén ex. voor U en een voor elk van Uw Zoons, volgens afspraak’. Van Royen bedankte hem voor ‘de financieele hulp door U zoo mild en zoo kiesch gegeven’. Zijn vrienden echter dachten dat Van Royen nu ‘een beroemd en rijk man’ zou worden.

Behalve de kosten van de pers en de lettertypen, hield Van Royen‘overhead’-kosten in de gaten, zoals de brandverzekering. Begin jaren twintig was de pers verzekerd voor ƒ800, het meubilair voor ƒ280 en de lettervoorraad voor ƒ5820. Uit de kasboeken van Van Royen valt te destilleren dat ‘de Zilverdistel in beginsel een financiëel gezonde onderneming’ was. De niet-Nederlandse teksten verkochten het beste. Jaarlijks konden enkele honderden guldens in totaal worden verdeeld tussen de partners. De hoogte van deze uitbetalingen is bedrieglijk door de stijgende kosten van levensonderhoud tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Het waren bijverdiensten. Vanaf de oprichting van de Kunera Pers werden kosten en opbrengsten slechts incidenteel bewaard.

Kasboek De Zilverdistel, december 1914-maart 1915, p. 2-3. MM: VR 84 A 1. (MM)

Kasboek De Zilverdistel, december 1914-maart 1915, p. 2-3. MM: VR 84 A 1. (MM)

De financiën van De Heuvelpers

De Heuvelpers begon als een ‘uncommercial affair’ en toen de economische crisis vanaf 1930 toesloeg, ‘we had to finish our activities’. De investering van Paul May bedroeg ƒ10.000, waarvan ƒ6000 bedoeld was voor een pers, letters en overige materialen. De Roos zou ƒ1000 per jaar ontvangen voor ‘de artistieke leiding’. De veronderstelde winst zou eerst worden gebruikt om de rente van de ‘lening’ van May te vergoeden en vervolgens gelijkelijk verdeeld worden tussen De Roos, May en Menno Hertzberger. Bij opheffing zou De Roos over de Meidoorn mogen beschikken, maar de verkoop van de letter zou ten goede komen aan de liquidatie.

De Roos kocht in 1926 twee persen voor circa ƒ2900. Extra kosten werden daarbij gemaakt voor een reis naar Londen en voor het versterken van de vloer in De Roos’ woning. De 84 stempels en de 115 matrijzen kostten ƒ589, het gieten van de Meidoorn kostte ƒ742 en De Roos ontving voor het letterontwerp een bedrag van ƒ300. Daarbij kwamen andere zaken die de standaardinrichting van een drukkerij uitmaakten, waaronder een zetbok, hand-inktrollen, insluitramen, een corrigeersteen en een inktsteen. Alles bij elkaar werd voor ƒ5600 aan rekeningen betaald. Omgerekend komt dat neer op een investering van bijna €40.000. Daarvan kwam bijna de helft terug, toen in 1935 de Meidoorn voor ƒ2000 werd verkocht aan drukkerij Duwaer (omgerekend ruim €17.000), die ook voor ƒ100 het papierrestant opkocht.

Voor De Heuvelpers zijn slechts incidentele financiële gegevens bekend (meest berekeningen in klad). Het is niet na te gaan hoeveel meer dan die ƒ2000 terugvloeide naar Paul May, waarschijnlijk slechts driemaal een afschrijving rente van ƒ100, terwijl hij wel nog maximaal ƒ4000 als reserve voor de pers ter beschikking stelde. De eerste uitgave (Spinoza) kostte in elk geval ƒ789 (honorarium redactie ƒ75 en zet- en drukwerk ƒ714). De kosten voor het papier en de boekbinderij zijn onbekend, net als de afschrijfkosten van het materiaal en de rentevergoeding voor May. Het honorarium voor De Roos was ƒ250 en er waren nog restkosten van ƒ78,34. De verkoopprijs (ƒ32,- in karton, ƒ38,- in perkament) kon bij honderd te verkopen exemplaren maximaal ƒ3200 opleveren, maar in 1935 waren er nog 27 onverkocht. Misschien werd er net quitte gespeeld.

Voor de tweede uitgave (Heine) zijn enkele calculaties bewaard. Zetten en drukken kostten ƒ371,25. Het papier was begroot op ƒ60, er waren twintig initialen die werden geschat op ƒ30. De Roos zou ƒ200 ontvangen en May aan rentevergoeding ƒ100. De post ‘Afschrijving materiaal’ bedroeg ƒ112 en als ‘Onvoorzien’ werd nog eens ƒ50 opgevoerd. De bindkosten bedroegen minimaal ƒ606,25. Totale geschatte productiekosten: ƒ1529,50. Er kwamen 110 exemplaren in de handel voor ƒ12,50 (karton) of ƒ17,50 (in perkament). In juni 1929 waren er 51 exemplaren verkocht, in 1935 resteerdennog 35 exemplaren. De opbrengst kon maximaal ƒ1375 bedragen. Het lijkt erop dat er geen sluitende begroting is gemaakt en dat snel werd ingeteerd op de reserves van May.

Voor de derde uitgave (Rossetti) is een lijstje kosten van het prospectus overgeleverd (ƒ63,30) en kan alleen de opbrengst geschat worden. Er waren in 1935 nog 29 exemplaren over; de opbrengst was hoogstens ƒ1980. Voor de vierde en laatste uitgave (Fromentin) is een berekening bewaard. De totale kosten werden geraamd op ƒ3646,99, maar afschrijfkosten en rente zijn daarin niet meer opgevoerd. De opbrengst had maximaal ƒ1375 hebben kunnen bedragen, maar er bleven 47 exemplaren onverkocht. Dit is een onbegrijpelijke bedrijfsvoering en in feite kwam het erop neer dat Paul May met de resterende duizenden guldens deze uitgaven subsidieerde.

Investeringen in Sub Signo Libelli

Eind jaren zestig kocht Ger Kleis zijn eerste pers, een (later weggegeven) Boston handdegelpers voor circa ƒ200. Enig lettermateriaal kreeg hij cadeau. Vanaf de inrichting van een werkplaats in Geesbrug (Drenthe) in 1974 volgden verschillende investeringen. Hij kocht houten letters bij een antiekboerderij en handgeschept papier om op te drukken. In juli 1977 kocht hij bij Schenk in Leiden een nieuwe pers, een Diamant trapdegel uit 1910, voor ƒ1000 (voor een bok en het transport werd nog eens ƒ300 gerekend). Een tweede trapdegel werd bij de Firma Schaaf in Dokkum voor ƒ236,- aangeschaft. In de zomer van 1980 werd bij Wessanen in Wormerveer een handcilinderpers gekocht voor ƒ1750.

Rekeningen werden door Kleis bewaard in een financieel archief (1975-1993) en daarnaast hield hij tussen 1975 en 1980 een kasboek bij met uitgaven en inkomsten. De verslaglegging was vooral bedoeld om inzicht te krijgen in de revenuen van de pers met het oog op nieuwe investeringen. Daarover zei hij in 1999: ‘Je wilt graag je kosten eruit halen, en het is best leuk als je geld overhoudt om nieuwe materialen van te kopen. Clichés zijn bijvoorbeeld, sinds er nieuwe milieuwetten zijn, erg duur. En je wilt mooi papier, echt mooi papier is niet goedkoop. Als je alles zou moeten berekenen aan tijd, dan waren die boekjes helemaal onbetaalbaar. Het is een investering. Ik heb er misschien wel voor zo’n zestigduizend gulden aan persen, letters en materialen in gestoken’.

Uit het archief blijkt dat hij op dat moment meer dan ƒ80.000 investeerde in de drukkerij. Daar stonden tot 1999 bijna ƒ50.000 aan inkomsten tegenover, maar de financiële administratie over de jaren vanaf 1981 is incompleet, er ontbreken overzichten van de inkomsten en dat beeld is dus vertekend. De periode 1974-1980 lijkt meer volledig financieel te zijn verantwoord en was voor de pers een periode van expansie en volwassenwording. Tussen 1974 en 1980 bedroegen de totale kosten van Sub Signo Libelli ƒ44.226,37. De opbrengsten uit verkoop van de uitgaven bedroeg ƒ37.911,14.

Omgerekend naar nu was de investering in die jaren €40.675,84 en de opbrengst bedroeg €35.332,09. Dat is in zeven jaar een eigen bijdrage van €5000, circa €60 per maand. In dat licht bezien is een private press geen dure hobby, dat wil zeggen: een private press zonder eigen lettertype. Na de Tweede Wereldoorlog heeft geen enkele Nederlandse private press meer opdracht kunnen geven voor het ontwerpen en gieten van een eigen letter. Afgezien van de materiële kosten daarvan waren ook de personeelskosten te hoog geworden. Alleen al het snijden van de stempels was te tijdrovend. Er is berekend dat men ongeveer twee stempels per dag kan maken en dat er voor één corps van een letter met ongeveer 120 stempels zestig werkdagen benodigd zijn. De kosten daarvoor zijn te hoog, zeker nu het ambacht van stempelsnijder bijna uitgestorven is.

De roerende goederen – pers, letter – zorgden bij de private press, ook bij SSL, voor de hoogste kostenposten. Vanaf 1978 kwamen daar hoge bedragen voor de illustratoren en de boekbinder bij, maar die zijn steeds doorberekend in de prijzen van de uitgaven. In de begintijd werden veel verschillende letters gekocht, deels voor lage bedragen bij plaatselijke drukkerijen en deels op bestelling bij de grote lettergieterijen ‘Amsterdam’ en Joh. Enschedé en Zonen. Daardoor variëren die bedragen tussen de ƒ20 in 1975 en ƒ3887,14 in 1980. Bij de overige kostbare materialen waren een snijmachine (1979: ƒ 750) en speciaal ontworpen uitgeversvignetten van Helmut Salden (1977: ƒ200).

De eerste jaren waren de onkosten hoger dan de opbrengsten. In 1975 werd ƒ1000 uitgegeven en kwam daarvan de helft als inkomsten terug. In 1976 werd bijna ƒ5000 uitgegeven en kwam daarvan opnieuw de helft terug. In 1977 waren de uitgaven gegroeid tot meer dan ƒ8000 en stond daar wederom de helft aan inkomsten tegenover. Vooral de eerste jaren groeide de investering door de drukker exponentieel. In 1978 werd voor de eerste keer winst geboekt (ca. ƒ1500), vooral door de verkoop van Komrij’s Capriccio, dat landelijk op een brede belangstelling kon rekenen. Daarna bleven de inkomsten en uitgaven redelijk in balans.

Bedragen voor verzekering of huisvesting zijn onbekend en buiten de berekeningen gehouden, maar de waarde van de letters en de drukpersen is er eveneens buiten gebleven. Vanaf 2009 verkocht Kleis enkele van deze roerende goederen, maar de belangstelling voor een eigen pers en lettertypen was zodanig verminderd dat het soms ‘gratis afgehaald’ kon worden, nadat Kleis zich ervan vergewist had dat het materiaal een goede bestemming kreeg bij een collega-drukker. Er is met Sub Signo Libelli over de jaren heen geen netto winst bereikt, maar evenmin een groot verlies. De zakelijke kant van de pers is neutraal: minder comfortabel dan De Zilverdistel, succesvoller dan De Heuvelpers. De topjaren van de pers liepen parallel met de grote belangstelling voor bibliofiele uitgaven eind jaren zeventig, begin jaren tachtig.

Kasboek Sub Signo Libelli, 1977. MM: SSL FA. (MM)

Kasboek Sub Signo Libelli, 1977. MM: SSL FA. (MM)

De inrichting van een moderne private press

Wat zou het nu kosten om een private press te beginnen? Een indicatie daarvan is de inventaris van de Spectatorpers van Bram de Does, die in 2008 in de verkoop kwam. De prijslijst gaf inzicht in de nodige investeringen. Een Victoria degelpers kostte €500, een Vandercook cilinderproefpers (1960) was even duur. Een proefpersje kon weg voor €80, een gemotoriseerde snijmachine voor €200 en een loodzaagmachine voor €70. Ander materiaal (hoogtemeter, hakapparaat, loodschaaf, insluitplaat) kostte samen €90. Lettertypen (afkomstig van Lettergieterij Joh. Enschedé en Zonen, Lettergieterij ‘Amsterdam’ en Stichting Lettergieten) waren kostbaar: Romanée (1126,6 kg, €14.666), Romulus romein (72 kg, €1080), Romulus Open Kapitalen (21,7 kg, €434), Spectrum halfvet (Monotype, 67,5 kg, €455), Bodoni (540 kg, €1620), Henric Lettersnider (156,4 kg, €4782,40), Rosart (39,7 kg, €1248,40) en andere letters (102,6 kg, €1294,60). De letters bij elkaar kostten €25.580,40.

Om de letters de herbergen waren er meubels: bokken (€516), galeienloketten en witkastjes (€468). Ook waren 140 soorten ornamenten met matrijzen (€2825), typografische muziek (573 kg, €1960), koperen lijnen (€609), 150 vignetten en houtsneden (€200) en ‘spaties, kwadraten, interlijnen, regletten, tabelwit, holwit, insluitwit’ te koop. Onder diversen waren inkt en zethaken (€666). Drie pakken Zerkall Edelweiß Halbmatt kostten €500, verder was er onder andere Nepalees papier; de totale papiervoorraad was geprijsd op €1152,25.

De Spectatorpers als geheel was over te nemen voor €35.416,65, maar voor €10.000 was een zeer degelijke drukkerij in te richten en met €1000 zou een amateurdrukker een goed begin kunnen maken. Slechts een deel hiervan was een jaar later verkocht. (PvC)

Terug naar de indexpagina van de webexpositie Private Press.